Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11604

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
10/682217-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep (artikel 3 onder C Opiumwet) (feit 4). Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 30 uren, met aftrek van voorarrest. Overschrijding redelijke termijn met ruim 2 jaren.

Vrijspraak ten aanzien van de overige feiten, waarbij het - kort weergegeven - gaat om betrokkenheid bij hennepteelt in een woning en een loods en voorbereidingshandelingen voor in aanbouw zijnde hennepkwekerijen in twee andere woningen (artikel 11a Opiumwet) (feiten 1, 2 en 3).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/682217-17

Datum uitspraak: 25 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. F. Yildiz, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde (bij feit 3 beperkt tot de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 mei 2016);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feiten 1, 2 en 3

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde medeplegen van het telen en bewerken van hennepplanten in de woning aan de [adres delict 1] te Dordrecht respectievelijk de loods aan de [adres delict 2] (unit [nummer unit] ) te De Meern kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Ook is er wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van de onder 3 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor de in aanbouw zijnde hennepkwekerijen in de woningen aan de [adres delict 3] te Klaaswaal en de [adres delict 4] te Rotterdam. Bewezen is dat deze handelingen zijn begaan in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 mei 2016. Voor de periode daarvoor moet de verdachte partieel worden vrijgesproken.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden verklaard en overweegt daarover het volgende.

Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte met andere betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarbij moet de verdachte aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd.

In het dossier bevinden zich aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerijen in de woning aan de [adres delict 1] te Dordrecht en de loods aan de [adres delict 2] (unit [nummer unit] ) te De Meern. De rechtbank heeft evenwel geen bewijsmiddelen gevonden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte - al dan niet met anderen - één of meer van de hem verweten handelingen ten aanzien van het telen van hennep heeft verricht dan wel dat hij de hennepplanten in deze panden opzettelijk aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft op de zitting deze feiten ontkend en de verklaringen en tapgesprekken in het dossier, waar de officier van justitie naar heeft verwezen, zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen dat hij een rol had in deze hennepkwekerijen. Gelet hierop is er tevens onvoldoende bewijs voor de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid van de verdachte tot of aan de ten laste gelegde handelingen dan wel het aanwezig hebben van de hennepplanten.

Voor de onder 3 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor de in aanbouw zijnde hennepkwekerijen in de woningen aan de [adres delict 3] te Klaaswaal en de [adres delict 4] te Rotterdam geldt hetzelfde. Er zijn in het dossier wel aanwijzingen dat de verdachte hierbij betrokken was, maar er zijn geen bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij - al dan niet met anderen - één of meer van de hem specifiek ten laste gelegde voorbereidingshandelingen heeft verricht.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 4

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 1,3 kilogram hennep kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De resultaten van de tegen de verdachte ingezette opsporingsmiddelen moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat de inzet van deze opsporingsmiddelen onrechtmatig was. Er was sprake van vergaande opsporingsmiddelen die een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte hebben opgeleverd. Daarmee is een nagenoeg volledig beeld van het leven van de verdachte verkregen. De ernstige bezwaren waren niet voldoende om een dergelijke inbreuk te rechtvaardigen. De aanleiding voor dit onderzoek was de bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) binnengekomen informatie waarin stond dat de medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en de verdachte zich bezighielden met hennepteelt. Deze TCI-informatie was niet voldoende concreet en specifiek om een dergelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte te rechtvaardigen.

De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van de in zijn woning aangetroffen zakken met daarin 1,3 kilogram henneptoppen. De verdachte heeft op de zitting ontkend dat hij wist dat die in zijn huis lagen. [naam medeverdachte 2] heeft op de zitting als getuige verklaard dat die 1,3 kilogram henneptoppen van hem was en hij niet aan de verdachte heeft gevraagd of hij die bij hem in huis mocht zetten.

4.2.3.

Beoordeling

Bewijsuitsluitingsverweer

Vanaf 1 januari 2016 is onder leiding van de officier van justitie onder de naam ‘Toekan’ onderzoek verricht naar hennepteelt en witwassen. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van onder andere een aantal bij de politie binnengekomen TCI-verstrekkingen van 4 maart 2015 en 15 december 2015. Dit betrof onder meer meerdere meldingen waarin de naam van de verdachte was genoemd, waaronder de volgende meldingen: “ [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] houden zich nog steeds bezig met de grootschalige kweek van hennep. Ze worden daarbij geholpen door [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] .”, “ [naam medeverdachte 4] uit Dordrecht maakt gebruik van het mobiele nummer [gsm-nummer] ” en “ [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] uit Dordrecht hebben diverse hennepkwekerijen”. Deze TCI-informatie is voldoende concreet. Ook is deze informatie door het TCI voldoende geverifieerd en betrouwbaar bevonden. Daarnaast was de verdenking gebaseerd op meerdere mutaties in het politiesysteem over verdachte situaties betreffende de verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] , waarbij een mogelijk relatie was met hennepteelt, en een belastende verklaring van [naam getuige] van 4 september 2015. [naam getuige] had onder meer verklaard dat hij door [naam medeverdachte 1] onder druk was gezet om in zijn eigen woning een hennepkwekerij op te zetten en dat deze kwekerij is opgebouwd door een zwager en een neef van [naam medeverdachte 1] . De verdachte is een zwager van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] is een neef van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] . De TCI-verstrekkingen in combinatie met de genoemde mutaties en verklaring leverden een voldoende concrete verdenking op tegen de verdachte van handelen in strijd met de Opiumwet. Deze waren dus ruim voldoende voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen, zoals telefoontaps en observaties, en de doorzoeking van de woning van de verdachte. Het verweer dat de inzet van deze opsporingsmiddelen onrechtmatig was, wordt daarom verworpen.

Betrokkenheid verdachte bij feit 4

Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat op 31 mei 2016 bij een doorzoeking in de woning van de verdachte aan de [adres verdachte] te Dordrecht drie zakken met henneptoppen zijn aangetroffen op de tweede verdieping van deze door de verdachte bewoonde woning. De henneptoppen hadden een totaalgewicht van 1,3 kilogram.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte deze hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. De zakken met henneptoppen lagen in zijn woning, die toen ook daadwerkelijk door hem werd bewoond. Op de tweede verdieping, waar de zakken zijn aangetroffen bevonden zich een hal en een slaapkamer. Dit betreft ruimtes die in gebruik zijn bij de verdachte als zijnde de bewoner van de woning. Het gaat om een grote hoeveelheid henneptoppen en deze henneptoppen werden door de verbalisanten tijdens de doorzoeking onder andere ambtshalve herkend aan de geur. In de bij de woning horende schuur zijn ook diverse goederen aangetroffen die te relateren zijn aan hennepteelt. Dit betrof tassen met daarin scharen, een nietmachine en kleding, die allemaal voorzien waren van hennepresten, en een professionele weegschaal. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de hennep zich in de machtsfeer van de verdachte heeft bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze henneptoppen.

De verklaring van de verdachte dat hij niets afwist van de aangetroffen zakken met henneptoppen is in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig. Dat [naam medeverdachte 2] als getuige heeft verklaard dat deze henneptoppen van hem waren en dat hij niet aan de verdachte heeft gevraagd of hij die bij hem in huis mocht zetten, maakt dat niet anders. Diens verklaring ondersteunt het medeplegen door de verdachte ten aanzien van dit feit.

Het onder 4 ten laste gelegde feit is daarom wettig en overtuigend bewezen. Er is geen bewijs dat hij hierbij heeft gehandeld in de uitoefening van beroep of bedrijf, omdat het slechts één partij hennep betreft. Hiervoor volgt partiële vrijspraak.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

4.

hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen , opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,3 kilogram hennep of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

4.

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het aanwezig hebben van 1,3 kilogram henneptoppen. Hij heeft hiermee indirect een bijdrage geleverd aan hennepteelt.

Hennepteelt is onaanvaardbaar en moet vanwege het belang van de volksgezondheid, om sociale en economische redenen en ter bestrijding van de bijkomende criminaliteit worden bestreden. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. De hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar, maar ook omdat met de handel in hennep buiten de reguliere en legale economie om grote winsten worden gemaakt. De handel in softdrugs is al sinds lange tijd grotendeels in handen van criminelen/criminele organisaties omdat er veel geld mee te verdienen is. Het gevolg is dat er allerlei andere vormen van criminaliteit door worden veroorzaakt en mee samenhangen. Daar komt bij dat de hennepteelt in woningen overlast, verloedering en (brand)gevaarlijke situaties in die woningen en daarmee in woonwijken veroorzaakt. Dit alles maakt dat dergelijke feiten consequent moeten worden bestreden en dat daartegen streng moet worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 oktober 2020. Hieruit blijkt dat de verdachte op 12 april 2012 meerdere transacties (taakstraffen van in totaal 80 uren) heeft gekregen voor zes Opiumwetdelicten, waarbij het ging om hennepteelt. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een dergelijk feit te plegen.

7.4.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De verdachte is in de onderhavige zaak op 9 september 2016 in verzekering gesteld. Op deze datum is in deze zaak de redelijke termijn aangevangen. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vier jaren. Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaren. Deze overschrijding houdt deels verband met de door de verdediging ingediende onderzoekswensen, maar is grotendeels niet toe te rekenen aan de verdachte. Evenmin is er sprake van andere bijzondere (zaaksinhoudelijke) omstandigheden die een logische verklaring geven voor deze overschrijding. Dit dient daarom gecompenseerd te worden door vermindering van de straf met 10 %.

7.5.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Mede in verband met de vrijspraak ten aanzien van een deel van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, niet de juiste straf. Anderzijds is de rechtbank, gezien de hierboven beschreven ernst van het feit en de justitiële documentatie van de verdachte, van oordeel dat niet kan worden volstaan met uitsluitend een taakstraf. De verdachte heeft immers een aandeel gehad in een ernstig Opiumwetdelict en valt daarmee terug in het delictgedrag waarvoor hij eerder transacties (taakstraffen) heeft gekregen. Dit bevestigt zijn nauwe en actieve betrokkenheid bij drugscriminaliteit. Een voorwaardelijke gevangenisstraf, naast een taakstraf, is daarom op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur van de taakstraf en de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er toe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

8. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 26 (zesentwintig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 13 (dertien) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van Dort, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en K. Versteeg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 november 2020.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2015 tot en met 30 mei 2016 te Dordrecht,

in een pand aan de [adres delict 1]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt 355 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

ZAAK 3

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam medeverdachte 2] ,

althans een of meer onbekend gebleven personen

in of omstreeks de periode van 01 november 2015 tot en met 30 mei 2016 te Dordrecht in een pand aan de [adres delict 1]

met elkaar, althans één van hen,

(telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad 355 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 november 2015 tot en met 31 mei 2016 te Dordrecht, althans elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

  • -

    dat pand geschikt te maken/in te richten voor het telen/kweken van hennepplanten, en/of

  • -

    (vervolgens) die hennepplanten te verzorgen, en/of

  • -

    die hennepplanten te oogsten en/of

  • -

    die hennepplanten, althans de oogst daarvan, te bewaken;

ZAAK 3

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 22 mei 2014 te De Meern, in een pand aan [adres delict 2] ,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 780 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

ZAAK 6

art 11 lid 3 Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 3 ahf/ond B Opiumwet

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam medeverdachte 2] ,

althans een of meer onbekend gebleven personen,

in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 22 mei 2014 te De Meern, in een pand aan [adres delict 2] ,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 780 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 november 2013 tot en met 22 mei 2014 te De Meern, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

  • -

    dat pand geschikt te maken/in te richten voor het telen/kweken van hennepplanten, en/of

  • -

    (vervolgens) die hennepplanten te verzorgen, en/of

  • -

    die hennepplanten te oogsten

ZAAK 6

art 11 lid 5 Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2015 tot en met 31 mei 2016 te Rotterdam en Klaaswaal, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

stoffen en/of voorwerpen

te weten:

in een pand aan de [adres delict 4] te Rotterdam armaturen, snelheidsregelaars, transformatoren, koolstoffilters en slakkenhuizen en

in een pand aan de [adres delict 3] te Klaaswaal 670 plantenpotten en koolstoffilters

heeft bereid, bewerkt, verwerkt of voorhanden gehad,

en/of

ruimten voorhanden heeft gehad,

te weten een pand aan de [adres delict 4] te Rotterdam en een pand aan de [adres delict 3] te Klaaswaal,

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten, te weten:

  • -

    het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

  • -

    het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

ZAKEN 4 EN 5

art 11a Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

al dan niet in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,3 kilogram hennep of delen daarvan, in elk geval telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

ZAAK 3 in combinatie met ZOEKLOKATIE N

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet