Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11603

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
10/210605-20 / TUL VV: 13/702430-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).

Veroordeling voor het vervoeren en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs (cocaïne) (artikel 2 onder B en C Opiumwet) en het voorhanden hebben van munitie (artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie).

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Verbeurdverklaring auto (als bijkomende straf voor feit 1, het vervoeren van cocaïne). Teruggave overige inbeslaggenomen goederen.

Tenuitvoerlegging eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/210605-20

Parketnummer vordering TUL VV: 13/702430-18

Datum uitspraak: 25 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

verblijvende op het adres [verblijfadres] , [postcode] [verblijfplaats] ,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van de op de beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genoemde goederen en teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 en 6 genoemde goederen;

  • -

    tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/702430-18 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 4

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Het onder 4 ten laste gelegde witwassen kan wettig en overtuigend worden bewezen. Er is geen direct bewijs voor een specifiek gronddelict, maar op basis van de beschikbare bewijsmiddelen kan wel worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen (geldbedragen, een horloge en een auto) van enig misdrijf afkomstig zijn. Onder meer kan worden vastgesteld dat de verdachte harddrugsfeiten heeft gepleegd (de feiten 1 en 2, die hij op de zitting heeft bekend) en is niet aannemelijk geworden dat hij legale inkomsten had. Uit het financieel onderzoek komt naar voren dat de verdachte in de onderzochte vijf jaren geen enkel legaal inkomen heeft genoten, zelfs geen uitkering. De verdachte heeft op 13 september 2020 een verklaring afgelegd over onder meer zijn inkomsten, maar deze verklaring is niet aan te merken als een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring en is zelfs in strijd met de waarheid. De verdachte heeft verklaard dat hij via een uitzendbureau een baan heeft als lasser en ook geld verdient in de muziek, maar uit het financieel onderzoek blijkt dat geen van deze inkomsten zijn opgegeven aan de Belastingdienst. De verklaring van de verdachte bevat ook geen enkel aanknopingspunt voor het openbaar ministerie om deze de verifiëren. Gelet hierop is geen andere conclusie mogelijk dan dat de genoemde voorwerpen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

4.1.2.

Beoordeling

Toetsingskader witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis/420quater, eerste lid, onder a/b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vaststaande feiten

Vast staat dat de verdachte op 17 augustus 2020 in het bezit was van cocaïne. Dit heeft hij op de zitting ook bekend. Hij reed op die dag in een personenauto van het merk BMW met kenteken [kentekennummer] (de onder feit 4 ten laste gelegde auto) en vervoerde in die auto een pakket cocaïne van netto 996,2 gram. De volgende dag zijn bij een doorzoeking van zijn woning ook twee zakjes met in totaal 174,1 gram cocaïne aangetroffen in een verborgen ruimte. Bij deze doorzoeking zijn ook mogelijk drugsgerelateerde goederen aangetroffen, namelijk sealbags en rollen folie waarvan bekend is dat deze worden gebruikt bij de verpakking van verdovende middelen. Bij de doorzoeking van zijn woning zijn ook contante geldbedragen aangetroffen. In de keuken is een geldbedrag van € 974,98 aangetroffen dat bestond uit muntgeld en zes biljetten van 5 euro. In de slaapkamer is een geldbedrag van 21.000 Mexicaanse pesos aangetroffen dat bestond uit 22 biljetten van 500 Mexicaanse pesos en 1 biljet van 200 Mexicaanse pesos. Daarnaast is gebleken dat de verdachte in het bezit was van een horloge van het merk Rolex Oyster Perpetual. Hij droeg deze op het moment van zijn aanhouding op 17 augustus 2020.

Uit onderzoek naar de BMW, waarin de verdachte reed, is gebleken dat deze op naam van zijn vader staat en dat zijn vader ook de verzekering en de wegenbelasting betaalde, maar dat de verdachte deze auto vaak gebruikte. Dat heeft de verdachte op de zitting ook erkend.

Er is navraag gedaan bij de infobox voor Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) met betrekking tot de financiële gegevens van de verdachte. Daaruit is naar voren gekomen dat daar geen gegevens bekend zijn met betrekking tot belastingaangiftes door de verdachte, omzetbelasting, loonbelasting, erfenissen en/of schenkingen. Ook komt daaruit naar voren dat het saldo op zijn bankrekening bij de ABN AMRO in de periode van 2015 en 2019 niet hoger was dan € 788,-.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Gelet op het voorgaande zijn er aanwijzingen dat de verdachte enige betrokkenheid had bij drugshandel. Dat de voorwerpen in de tenlastelegging (het Rolex-horloge, de BMW en de geldbedragen) afkomstig zijn uit inkomsten van drugshandel of enig ander misdrijf is echter niet aannemelijk geworden. Uit de beschikbare bewijsmiddelen kan geen rechtstreeks verband worden afgeleid tussen deze voorwerpen en enig misdrijf. Het volgende is daarvoor redengevend.

De geldbedragen

Met betrekking tot de geldbedragen kan worden vastgesteld dat dit geen grote bedragen betreft en deze niet bestonden uit biljetten die veelal worden gebruikt binnen het criminele circuit, zoals bij de handel in drugs. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting met betrekking tot deze bedragen een concrete verklaring afgelegd die de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk voorkomt. Op grond van deze omstandigheden kan een verband tussen deze geldbedragen en een misdrijf niet worden vastgesteld.

De BMW

Met betrekking tot de BMW is niet voldoende aannemelijk geworden dat deze door de verdachte is betaald. Uit onderzoek is gebleken dat het aankoopbedrag hiervoor naar de verkoper is overgeschreven vanaf de bankrekening van de broer van de verdachte. Daarnaast is niet gebleken dat dit overgeschreven aankoopbedrag middellijk of onmiddellijk uit misdrijf afkomstig was.

Het Rolex-horloge

Vanwege het gebrek aan legale inkomsten, kan ten aanzien van het Rolex-horloge een vermoeden van witwassen worden afgeleid. De verdachte heeft echter ter terechtzitting, maar ook al eerder tijdens zijn verhoor bij de politie op 13 september 2020 een verklaring afgelegd. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij het horloge zo’n drie jaar geleden als verjaardagscadeau heeft gekregen van vrienden en familie. Op deze concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, heeft de politie vervolgens niet doorgevraagd. Dit had wel op de weg van de politie dan wel het openbaar ministerie gelegen om vervolgens nader onderzoek te kunnen (laten) doen om deze verklaring van de verdachte te verifiëren bijvoorbeeld door het horen van getuigen. De rechtbank is van oordeel dat er bij deze stand van zaken geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het Rolexhorloge onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 4 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring feiten 1, 2 en 3

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3(vul de feitaanduidingen in) ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 17 augustus 2020 te Rotterdam

opzettelijk heeft vervoerd (in een auto)

996,2 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 18 augustus 2020 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning [adres delict] )

174,1 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 18 augustus 2020 te Rotterdam

in de woning Lange Hilleweg 354

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

104 kogelpatronen, merk/type Lüger van het kaliber 9mm, en

15 kogelpatronen, merk/type S&B Lüger van het kaliber 9mm, en

5 kogelpatronen van het kaliber 7.65mm, en

3 kogelpatronen, merk/type CBC 357 MAG van het kaliber 357mm, en

3 kogelpatronen, merk/type G.F.L. 380 auto van het kaliber 9 mm, en

1. kogelpatroon van het kaliber 22mm voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en het aanwezig hebben van cocaïne. Hij vervoerde met de auto een pakket cocaïne van netto 996,2 gram en had ook twee zakjes met in totaal 174,1 gram cocaïne in een verborgen ruimte in zijn woning. Het betreft hier een hoeveelheid die onmiskenbaar is bestemd voor de handel.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 131 kogelpatronen. Ook deze waren verstopt in de verborgen ruimte in zijn woning.

De handel in harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij. Zo gaat dit vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit, zoals geweldsfeiten en het witwassen van geld dat met de handel wordt verdiend. Ook zijn de gezondheids-risico’s voor gebruikers van cocaïne groot. Deze drugs zijn namelijk erg verslavend en kunnen bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Hij heeft kennelijk geen enkele boodschap gehad aan al deze gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er zelf financieel beter van te worden. Dit wordt de verdachte aangerekend.

Het is algemeen bekend dat bij de handel in drugs vaak gebruik wordt gemaakt van vuurwapens. Mede gelet daarop is het verontrustend dat de verdachte ook beschikte over een grote hoeveelheid munitie. Gelet op het risico van het gebruik hiervan in vuurwapens en het gevaar dat daar dus vanuit gaat, dient tegen het bezit hiervan streng te worden opgetreden.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank de volgende omstandigheden meegewogen.

Allereerst is gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Voorts wordt in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 oktober 2020 eerder is veroordeeld, onder meer voor soortgelijke feiten. De verdachte is in 2008 veroordeeld voor onder andere twee drugsdelicten, waarbij het eveneens ging om overtreding van artikel 2 onder B en C van de Opiumwet. Daarnaast staat op zijn documentatie een recentere veroordeling, namelijk van 1 augustus 2018, waarbij hem ter zake van twee geweldsfeiten (poging tot zware mishandeling en bedreiging met een vuurwapen) een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk is opgelegd. De proeftijd hiervan was slechts twee dagen voor het plegen van de onderhavige feiten afgelopen. De rechtbank houdt er rekening mee dat de veroordeling voor drugsdelicten van langer geleden is, maar weegt wel mee dat zowel de straffen die in die zaak zijn opgelegd (een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf) en de in 2018 opgelegde straf de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

De rechtbank ziet wel dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door ten aanzien van deze feiten op de zitting een bekennende verklaring af te leggen. Dit wordt in enigszins strafmatigende zin meegewogen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden. Dit betreft een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt voor feit 4.

De rechtbank ziet, mede gelet op de documentatie van de verdachte, geen aanleiding om, zoals de verdediging heeft bepleit, een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel te beperken tot de tijd van 4 maanden die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Als bijkomende straf zal de rechtbank ook de hieronder besproken verbeurdverklaring opleggen.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de volgende (op de beslaglijst onder nummer 2 tot en met 5 vermelde) in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren:

  • -

    (2) het geldbedrag van € 974,98;

  • -

    (3) het geldbedrag van 11.200 Mexicaanse pesos;

  • -

    (4) het horloge van het merk/type Rolex Oyster Perpetual;

  • -

    (5) de auto van het merk BMW, gekentekend [kentekennummer] .

Gevorderd is de goederen 2, 3 en 4 verbeurd te verklaren als bijkomende straf voor feit 4 (het witwassen). Daartoe is aangevoerd dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren, feit 4 daarmee is begaan en deze goederen zijn aangeschaft met de opbrengst van dit misdrijf.

Met betrekking tot goed 5 (de BMW) is gevorderd om verbeurdverklaring als bijkomende straf voor de feiten 1 en 4. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de feitelijke gebruiker is van deze auto en dat daarom moet worden geconcludeerd dat de auto aan hem toebehoort dan wel dat hij de auto geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden. Daarnaast is aangevoerd dat de feiten 1 en 4 hiermee zijn begaan. De drugs is immers vervoerd met de auto en de auto is aangeschaft met de opbrengst van feit 4.

Met betrekking tot de volgende (op de beslaglijst onder 1 en 6 vermelde) goederen heeft de officier van justitie de teruggave aan de verdachte gevorderd:

  • -

    (1) het geldbedrag van € 200,-;

  • -

    (6) de akte van een horloge van het merk/type Patek Philippe .

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de teruggave dient te worden gelast van alle inbeslaggenomen goederen. Verzocht is om teruggave van het Rolex-horloge en de geldbedragen aan de verdachte en teruggave van de BMW aan de vader van de verdachte. Gesteld is dat de vader de eigenaar is van de BMW en daarmee redelijkerwijs als rechthebbende op deze auto is aan te merken. Verder is aangevoerd dat verbeurdverklaring van deze auto disproportioneel zou zijn, omdat de verdachte hiermee slechts eenmaal een pakketje cocaïne heeft vervoerd en dit slechts 1 kilogram betrof.

8.3.

Beoordeling

De inbeslaggenomen auto van het merk BMW zal worden verbeurd verklaard. Deze auto staat op naam van de vader van de verdachte en hij betaalt ook de verzekering en de wegenbelasting, maar uit de inhoud van het dossier blijkt dat de verdachte de feitelijke gebruiker van deze auto is. Zoals hij op de zitting ook heeft bekend, gebruikte hij deze auto vaak. Deze auto behoort dus aan de verdachte toe en hij kan deze auto geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Verder stelt de rechtbank vast dat het onder 1 bewezen verklaarde feit, het vervoer van het pakket cocaïne van bijna 1 kilogram, met behulp van deze auto is begaan.

Ten aanzien van alle overige inbeslaggenomen voorwerpen zal, mede gelet op de vrijspraak met betrekking tot het witwassen, een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 18 september 2018 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam is de verdachte ter zake van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst en overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardeljk met een proeftijd van 2 jaar.r.

De proeftijd is ingegaan op 3 oktober 2018.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om verlenging van de proeftijd met één jaar.

9.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te zien en in plaats daarvan de proeftijd met één jaar te verlengen, zoals door de verdediging is verzocht.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

de auto van het merk BMW, gekentekend [kentekennummer] (op de beslaglijst vermeld onder nummer 5);

- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende (op de beslaglijst onder nummer 1, 2, 3, 4 en 6 vermelde) goederen: )

(1) het geldbedrag van € 200,-;

(2) het geldbedrag van € 974,98;

(3) het geldbedrag van 11.200 Mexicaanse pesos;

(4) het horloge van het merk/type Rolex Oyster Perpetual;

(6) de akte van een horloge van het merk/type Patek Philippe );

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 september 2018 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.P. van de Beek, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en K. Versteeg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 november 2020.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 augustus 2020 te Rotterdam

opzettelijk heeft vervoerd (in een auto),

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 996,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 18 augustus 2020 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning [adres delict] )

ongeveer 174,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet)

3

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 18 augustus 2020 te Rotterdam

in de woning Lange Hilleweg 354

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

104 kogelpatronen, merk/type Lüger van het kaliber 9mm, en/of

15 kogelpatronen, merk/type S&B Lüger van het kaliber 9mm, en/of

5 kogelpatronen van het kaliber 7.65mm, en/of

3 kogelpatronen, merk/type CBC 357 MAG van het kaliber 357mm, en/of

3 kogelpatronen, merk/type G.F.L. 380 auto van het kaliber 9 mm, en/of

1. kogelpatroon van het kaliber 22mm

voorhanden heeft gehad;

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

4.

hij op of omstreeks 17 augustus 2020, te Rotterdam, althans in Nederland,

van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van 974,98 euro en/of 11.200 Mexicaanse pesos, althans enig(e) geldbedrag(en) en/of een horloge (merk/type Rolex Oyster Perpetua) en/of een auto (merk BMW), gekentekend [kentekennummer] , de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van 974,98 euro en/of 11.200 Mexicaanse pesos, althans enig(e) geldbedrag(en) en/of een horloge (merk/type Rolex Oyster Perpetua) en/of een auto (merk BMW), gekentekend [kentekennummer] , was, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van 974,98 euro en/of 11.200 Mexicaanse pesos, althans enig(e) geldbedrag(en) en/of een horloge (merk/type Rolex Oyster Perpetua) en/of een auto (merk BMW), gekentekend [kentekennummer] , voorhanden heeft gehad,

terwijl hij wist dat dat/deze voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)