Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11600

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
10/041570-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor overtreding van artikel 6 WVW tot een taakstraf en een deels voorwaardelijke rijontzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/041570-20

Datum uitspraak: 15 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[postcode verdachte] [woonplaats verdachte] .

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdachte

De verdachte heeft verklaard dat zij zich van de aanrijding helemaal niets meer kan herinneren. Zij weet nog wel dat zij op de Burgemeester van Berensteijnlaan reed naar de bewuste bocht toe, maar zij heeft de doorgetrokken streep niet waargenomen en evenmin de haar tegemoet rijdende auto. Verdachte heeft verklaard dat het haar een raadsel is hoe dit ongeval heeft kunnen gebeuren.

4.1.2.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan haar schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een beperkte, tijdelijke, onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Concreet betekent dit, dat hoe erg de gevolgen van een ongeluk ook zijn, daaruit niet automatisch volgt dat de bestuurder strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Om een zeer, dan wel aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval.

Vast staat dat op 5 mei 2019 te Capelle aan den IJssel op de Burgemeester van Beresteijnlaan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij twee personenauto’s, te weten een Volvo en een Peugeot, betrokken waren. De verdachte bestuurde de Volvo. In de Peugeot zat mevrouw [naam slachtoffer 1] achter het stuur en verder zaten [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] als passagiers in deze auto. Alle inzittenden van de Peugeot hebben ten gevolge van het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Uit de verklaringen van de inzittenden van de Peugeot en de bevindingen van de politie in de verkeersongevallenanalyse blijkt dat de verdachte op de Burgemeester van Beresteijnlaan in de flauwe bocht op de rijstrook bestemd voor het tegemoet komende verkeer terecht is gekomen en met de linker voorzijde tegen de linker voorzijde van de Peugeot is aangereden.

Dit is een zeer ernstige verkeersfout want dit verkeersgedrag creëert een levensgevaarlijke situatie als er tegenliggers op de weg zijn.

Het kan gebeuren dat een bestuurder door een moment van onoplettendheid op de verkeerde weghelft terechtkomt. Een dergelijke verkeersfout levert nog niet automatisch de conclusie op dat ingeval van een verkeersongeval sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW.

In deze zaak geldt dat ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km per uur geldt. Uit de opgeslagen data van de Volvo blijkt dat de verdachte reed met een snelheid van 66 km per uur, dus met een hogere snelheid dan daar is toegestaan. Ook is komen vast te staan dat de verdachte de laatste 4,5 seconden voor de aanrijding de rem niet heeft bediend. Daar komt bij dat zij over de doorgetrokken streep tussen de rijbanen is gereden en niet heeft teruggestuurd op het moment dat er een tegenligger aan kwam.

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt verder dat beide auto’s in rij-technisch opzicht in voldoende staat verkeerden, dat er geen infrastructurele oorzaak kon worden aangetoond voor het ongeval en dat zich ten tijde van het ongeval geen bijzondere weersomstandig-heden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan en/of het verloop van het ongeval.

Voorts zijn er - anders dan dat de verdachte verklaart dat zij zich het moment van het ongeval niet meer kan herinneren - geen omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden waaruit volgt dat van schuld in de zin van artikel 6 WVW niet kan worden gesproken. Sterker nog, verdachte heeft verklaard dat zij zich die dag prima voelde, niet gestrest was en er geen andere dingen speelden die mogelijk van invloed waren. Ook anderszins is er geen (medisch) onderbouwd verweer gevoerd en/of op andere wijze aannemelijk geworden dat geen sprake is van schuld. Om die reden blijft de schuld zoals hierboven vastgesteld aanwezig.

Dit alles maakt dat het primair ten laste gelegde artikel 6 van de Wegenverkeerswet wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 5 mei 2019 te Capelle aan den IJssel

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester van Beresteijnlaan,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur, althans met een te hoge snelheid heeft gereden en

- over de doorgetrokken streep in genoemde weg is gereden en

- de rijstrook bestemd voor het tegemoet komende verkeer is opgereden en

- ( aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat een personenauto haar tegemoet reed en

- deze tegemoetkomende personenauto niet heeft laten voorgaan en

- ( vervolgens) in aanrijding is gekomen met die personenauto, waardoor ander, te weten

- [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in de dwarsuitsteeksels aan de rechterzijde van lendenwervels 1, 2 en 4 en een breuk van de 12e rib, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde, werd toegebracht, en

- [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken van de 1e tot en met de 9e rib links en een breuk van het linker schouderblad en een longkneuzing en een klaplong links, werd toegebracht en

- [naam slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken vinger (waarvoor tenminste drie operaties nodig zijn voor herstel), werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Naar het oordeel van de rechtbank is er - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen -

geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen in het verkeer. De verdachte is op de verkeerde weghelft terecht gekomen en daar in aanrijding gekomen met een tegenligger. Daarbij reed zij harder dan ter plaatse was toegestaan, heeft zij een doorgetrokken streep genegeerd, niet tijdig de haar tegemoetkomende auto opgemerkt en heeft zij nagelaten terug te sturen om een aanrijding te voorkomen.

De inzittenden van die andere auto, drie vrouwen, hebben – door deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij ondervinden, zo bleek uit de (slachtoffer)verklaring van twee slachtoffers ter zitting, tot op de dag van vandaag lichamelijk en psychisch nog hinder van het ongeval. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Bij het bepalen van strafsoort en –maat is gelet op oriëntatiepunten voor straftoemeting voor dit delict die voor dit soort zaken gelden, namelijk een taakstraf voor de duur van 90 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden.

Omdat de verdachte een baan heeft waarvoor zij haar auto nodig heeft, heeft de officier van justitie geëist de rijontzetting geheel voorwaardelijk op te leggen en dit te verdisconteren in een hogere taakstraf van 150 uur.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij een fulltime baan heeft en dat een taakstraf van 150 uur betekent dat zij daarvoor al haar vakantiedagen moet opnemen. Voor wat betreft de rijontzegging heeft zij aangegeven haar rijbewijs nodig te hebben voor haar werk als accountmanager, hoewel zij tijdens de huidige coronaperiode wel grotendeels thuiswerkt.

De rechtbank acht in beginsel een taakstraf voor de duur van 150 uur passend, maar zal deze, gelet op de door de verdachte aangevoerde omstandigheden, matigen tot 90 uren.

Gelet op de ernst van het feit zal dit wel worden verdisconteerd in de wijze en de duur van de op te leggen rijontzegging.

De verdachte zal een rijontzegging worden opgelegd voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het voorwaardelijk ontzeggen van de rijbevoegdheid dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw een dergelijk strafbaar feit te begaan.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 5 mei 2019 te Capelle aan den IJssel

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid, te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester van Beresteijnlaan,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

- terwijl zij onvoldoende nachtrust had gehad,

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur, althans met een, mede gelet op de bocht in genoemde weg, te hoge snelheid heeft gereden en/of

-haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- over de doorgetrokken streep in genoemde weg is gereden en/of

- de rijstrook bestemd voor het tegemoet komende verkeer is opgereden en/of

- ( aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat een personenauto haar tegemoet reed en/of

- deze tegemoetkomende personenauto niet heeft laten voorgaan en/of

- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, waardoor (een) ander(en), te weten

- [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in de dwarsuitsteeksels aan de rechterzijde van lendenwervels 1, 2 en 4 en/of een breuk van de 12e rib, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken van de 1e tot en met de 9e rib links en een breuk van het linker schouderblad en/of een longkneuzing en/of een klaplong links, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- [naam slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken vinger (waarvoor tenminste drie operaties nodig waren/zijn voor herstel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 5 mei 2019 te Capelle aan den IJssel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Burgemeester van Beresteijnlaan,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

- terwijl zij onvoldoende nachtrust had gehad,

- met een snelheid van ongeveer 66 km/uur, althans met een, mede gelet op de bocht in genoemde weg, te hoge snelheid heeft gereden en/of

-haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- over de doorgetrokken streep in genoemde weg is gereden en/of

- de rijstrook bestemd voor het tegemoet komende verkeer is opgereden en/of

- ( aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat een personenauto haar tegemoet reed en/of

- deze tegemoetkomende personenauto niet heeft laten voorgaan en/of

- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

(art 5 Wegenverkeerswet 1994)