Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11567

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
8676684 \ CV EXPL 20-26323
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand. Ex-partners. Terme de grâce.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8676684 \ CV EXPL 20-26323

uitspraak: 11 december 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2020,

gemachtigde: Wouters Gerechtsdeurwaarder & Incasso’s te Dordrecht,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] , gemeente [gemeente]

gedaagde sub 1 en

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde sub 2,

die beiden schriftelijk hebben gereageerd.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [eiseres] ”, “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 23 juli 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] ;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] ;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde 2] ;

  • -

    de akte zijdens [eiseres] .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiseres] verhuurt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning gelegen aan het adres [adres] te Rozenburg tegen een maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 581,57. Per 11 mei 2020 heeft [gedaagde 1] de huurovereenkomst opgezegd en zet [gedaagde 2] de huurovereenkomst alleen voort.

3. De vordering

3.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. de huurovereenkomst met [gedaagde 2] te ontbinden en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het gehuurde met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen;

II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.155,01, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 juli 2020;

III. [gedaagde 2] te veroordelen aan [eiseres] te betalen € 592,67 per maand vanaf 1 augustus 2020 tot aan het tijdstip van de ontbinding van de huurovereenkomst;

IV. [gedaagde 2] te veroordelen aan [eiseres] te betalen € 592,67 voor elke maand of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft met de ontruiming van het gehuurde, zulks ingaande op het tijdstip van de ontbinding van de huurovereenkomst;

V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] en de kosten van dagvaarding van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] .

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] - zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. Ondanks herhaalde aanmaning zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke gebleven met betaling van de huurpenningen, zodat berekend tot en met juli 2020 een huurachterstand van € 2.323,53 is ontstaan. Derhalve zijn zij in verzuim geraakt. [eiseres] heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven en heeft daarom buitengerechtelijke incassokosten moeten maken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehouden daarvoor een vergoeding ad € 211,11 inclusief btw te betalen. Ook zijn zij wettelijke rente verschuldigd geworden. Berekend tot 13 juli 2020 beloopt de verschenen rente een bedrag van € 27,02. Na tussenkomst van de gemachtigde van [eiseres] hebben betalingen voor een bedrag van in totaal € 406,65 plaatsgevonden. Deze betalingen strekken conform artikel 6:44 lid 1 BW eerst in mindering op de rente en de kosten en pas daarna op de hoofdsom. Derhalve resteert een hoofdsom van € 2.155,01.

3.3.

[gedaagde 1] heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat zij met haar inmiddels ex-partner [gedaagde 2] heeft afgesproken dat hij de huurschuld op zich neemt omdat zij geen werk heeft en hij de schuld heeft veroorzaakt.

3.4.

[gedaagde 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De hoogte van de huurachterstand klopt niet. Het gaat om een huurachterstand van € 1.163,14. Voor de huurachterstand heeft [gedaagde 2] met de gemachtigde van [eiseres] een betalingsregeling getroffen, maar hij is vanwege de scheiding vergeten te betalen. Wel heeft hij steeds de lopende huur aan [eiseres] betaald. [gedaagde 2] wil voor de huurachterstand een betalingsregeling treffen.

4. De beoordeling

4.1.

Weliswaar heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat de hoogte van de huurachterstand niet klopt, maar hij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Zo heeft hij geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij meer betalingen aan [eiseres] heeft gedaan dan zij stelt te hebben ontvangen. Dit had wel op zijn weg gelegen. Nu hij dit niet heeft gedaan, wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiseres] gestelde huurachterstand van € 2.323,53 berekend tot en met juli 2020. [gedaagde 2] heeft aan [eiseres] een voorstel voor een betalingsregeling gedaan, echter zij heeft kenbaar gemaakt daarmee niet akkoord te gaan. Zij is ook niet verplicht [gedaagde 2] toe te staan de huurachterstand in termijnen aan haar terug te betalen. De huurachterstand is dan ook toewijsbaar jegens [gedaagde 2] .

4.2.

[gedaagde 1] was huurder tot 11 mei 2020. Wat er al zij van de afspraak die zij stelt met [gedaagde 2] te hebben gemaakt, geldt dat zij die niet aan [eiseres] kan tegenwerpen. [gedaagde 1] is dan ook, net als [gedaagde 2] , volledig verantwoordelijk voor de ontstane huurachterstand, met dien verstande dat het in haar geval de huurachterstand berekend tot en met mei 2020 betreft. Nu de huur over de maanden mei, juni en juli 2020 is betaald, beloopt de huurachterstand berekend tot en met mei 2020 ook een bedrag van € 2.323,53 en is dit bedrag ook jegens [gedaagde 1] toewijsbaar.

4.3.

[eiseres] stelt dat na tussenkomst van haar gemachtigde nog een bedrag van in totaal € 406,65 is betaald en dat de eerste betaling dateert van 6 februari 2020 en de laatste van 4 mei 2020. Verder is niet duidelijk hoe dit bedrag is opgebouwd en wanneer de overige betalingen hebben plaatsgevonden. De bij repliek overgelegde specificatie van de kale huurachterstand geeft hier ook geen inzicht in. Weliswaar blijken daaruit twee betalingen van respectievelijk 6 februari 2020 en 4 mei 2020, maar die belopen bij elkaar opgeteld een bedrag van € 713,14 en zijn ook al meegenomen in de tot juli 2020 berekende huurachterstand van € 2.323,53. Het lijkt dus om andere betalingen te gaan. Vanwege de onduidelijkheid omtrent het betaalde bedrag, kan geen afboeking conform artikel 6:44 plaatsvinden. Het bedrag van € 406,65 strekt daarom in mindering op de huurachterstand van € 2.323,53. Een bedrag van € 1.916,88 aan huurachterstand berekend tot en met juli 2020 wordt toegewezen.

4.4.

Daar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke zijn gebleven met betaling van de huur, zijn zij op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente verschuldigd geworden. Bij het berekenen van de verschenen rente is ten aanzien van [gedaagde 1] geen rekening gehouden met het feit dat zij slechts tot en met mei 2020 gehouden is huur te betalen. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen als hierna vermeld.

4.5.

De verschuldigdheid van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten dient te worden beoordeeld aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De door [eiseres] op 19 december 2019 verstuurde aanmaning voor de toenmalige huurachterstand van € 1.744,71 voldoet aan de eisen die artikel 6:96 BW daaraan stelt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de in die aanmaning aangezegde vergoeding van € 316,67 echter niet volledig verschuldigd, nu op 23 december 2019, aldus binnen de in de aanmaning gestelde termijn van veertien dagen, een betaling van € 581,57 is gedaan. Zij zijn daarom gehouden tot betaling van het in rekening gebrachte bedrag van € 211,11. Bedoeld bedrag wordt toegewezen.

4.6.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de tekortkoming van [gedaagde 2] voldoende ernstig is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij immers de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Bij de beoordeling hiervan dient rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het (op tijd) betalen van de huur, dat wil zeggen maandelijks en bij vooruitbetaling, is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. In het onderhavige geval is sprake van een ernstige tekortkoming, nu sprake is van een huurachterstand van meer dan drie maanden. De hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. Hoewel het woonbelang van [gedaagde 2] evident is, heeft hij verder geen zwaarwegende argumenten aangevoerd om de gevorderde ontbinding en ontruiming niet toe te wijzen. Echter, gezien de omstandigheden maakt de kantonrechter gebruik van zijn wettelijke bevoegdheid [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een termijn van één maand toe te staan om de schuld aan [eiseres] met rente en kosten (naast de lopende huur) alsnog te betalen.

4.7.

Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het ongelijk zijn gesteld, worden zij veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.916,88 aan huurachterstand berekend tot en met juli 2020 en € 211,11 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo dat aan huurachterstand, exclusief kosten, vanaf augustus 2019 tot en met mei 2020 na iedere credit- en debetmutatie heeft uitgestaan, tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo dat aan huurachterstand, exclusief kosten, vanaf juni 2019 na iedere credit- en debetmutatie heeft uitgestaan, tot de dag van algehele voldoening;

staat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toe om het totaal van de aan [eiseres] verschuldigde bedragen, inclusief rente en kosten zoals hierboven genoemd, naast de lopende huur, aan haar te betalen binnen één maand na de uitspraak van dit vonnis;

en bovendien, maar alléén voor het geval niet binnen de gestelde termijn geheel aan die betalingsverplichtingen is voldaan:

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 2] met ingang van de dag na afloop van vorenbedoelde termijn van één maand en veroordeelt [gedaagde 2] om het gehuurde met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen;

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 592,67 (of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten) per maand (of gedeelte daarvan), met ingang van augustus 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 205,94 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht en € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde, in die zin dat:

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, worden veroordeeld tot betaling van € 499,00 aan griffierecht en

- € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde;

- [gedaagde 1] daarenboven wordt veroordeeld tot betaling van € 102,97 aan dagvaardingskosten;

- [gedaagde 2] daarenboven wordt veroordeeld tot betaling van € 102,97 aan dagvaardingskosten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

32109