Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11499

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
10/251472-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag, zware mishandeling; geen zwaar lichamelijk letsel; veroordeling voor poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 60 dagen waarvan 58 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 180 uur; gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/251472-19

Datum uitspraak: 10 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , raadsman mr. M.G. Cantarella, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Blanken heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde (poging doodslag);

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (zware mishandeling);

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 58 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod vanwege het slachtoffer, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, met toepassing van 90 dagen vervangende hechtenis voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Primair: poging doodslag

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde (poging doodslag) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2. (

(Meer) subsidiair: (poging tot) zware mishandeling

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Bewezen kan worden dat de verdachte aangever [naam slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. Uit de aangifte van [naam slachtoffer] en de bekennende verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte [naam slachtoffer] heeft geduwd of geslagen, waardoor hij op de grond is gevallen, waarna de verdachte hem minimaal vijf keer met de vuist tegen zijn hoofd/gezicht heeft geslagen en hem daarna heeft getrapt. Als gevolg van deze mishandeling heeft [naam slachtoffer] een breuk in zijn schedel en zijn jukbeen opgelopen. Dit kan aangemerkt worden als zwaar lichamelijk letsel.

4.2.2.

Beoordeling

Niet ter discussie staat dat de verdachte de aangever op 19 oktober 2019 heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen tegen het hoofd te geven en hem te schoppen. Het dossier bevat onvoldoende overtuigend bewijs dat de verdachte de aangever ook tegen het hoofd heeft geschopt. Van dat onderdeel zal de verdachte dus worden vrijgesproken.

Als gevolg van deze mishandeling heeft [naam slachtoffer] – naast aanzienlijke bloeduitstortingen en (scheur)wonden – een schedelbreuk en een gebroken jukbeen opgelopen. Hij heeft twee nachten ter observatie in het ziekenhuis moeten doorbrengen. Operatief ingrijpen bleek niet nodig en uit het dossier volgt niet dat de genezingsduur van het lichamelijk herstel langer heeft geduurd dan de in de geneeskundige verklaring van 20 oktober 2019 opgenomen geschatte duur van vier tot zes weken.

Naar het oordeel van de rechtbank is genoemd letsel vanwege een ontbrekende noodzaak voor operatief ingrijpen en de relatief kort durende periode van volledig lichamelijk herstel niet als zwaar lichamelijk letsel te kwalificeren. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Met zijn handelen heeft de verdachte wel opzettelijk een poging gedaan om de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte een poging heeft gedaan om aangever [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 19 oktober 2019 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door voornoemde [naam slachtoffer] meermalen te stompen in/tegen het gezicht/hoofd en (terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag) eenmaal te schoppen tegen het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een poging gedaan om aangever [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe brengen door hem meerdere harde vuistslagen in het gezicht te geven en hem tegen het lichaam te trappen, als gevolg waarvan het slachtoffer een schedel- en jukbeenbreuk heeft opgelopen en twee nachten ter observatie in het ziekenhuis heeft moeten blijven. De aanleiding hiervoor was gelegen in het feit dat, in de ogen van de verdachte, zijn hondjes werden aangevallen door de hond van het slachtoffer.

Met zijn buitensporige reactie op een geringe of mogelijk zelfs enkel in zijn eigen hoofd bestane aanleiding heeft de verdachte ernstig leed toegebracht aan het slachtoffer. [naam slachtoffer] heeft immers, zo volgt uit de namens hem op de zitting voorgedragen verklaring, ervaren dat hij zomaar zonder enige aanleiding bijna dood is geslagen. Naast het genoemde fysieke letsel heeft hij daardoor ook psychische schade opgelopen: bij hem heerst nog altijd boosheid, onbegrip en angst. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte geen relevante eerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft in oktober 2020 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft zijn leven aardig op de rails: hij heeft een stabiele relatie, woont samen, heeft een baan en geen schulden. Vanaf 7 november 2019 heeft de verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis onder toezicht gestaan van de reclassering. Daarbij is hij ook aangemeld voor behandeling bij De Waag. De behandelaar zag na enkele gesprekken echter geen toegevoegde waarde in een behandeling. De reclassering schat het recidiverisico laag in. Zij adviseert een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden.

7.3.3.

Overig

De verdachte heeft direct vanaf het begin openheid van zaken gegeven. Ook op de zitting heeft hij blijk gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen en heeft hij spijt betuigd, die op de rechtbank oprecht over kwam.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter, vanwege de houding van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest overschrijdt. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een contact- en locatieverbod vanwege het slachtoffer op te leggen. De rechtbank heeft namelijk geen reden te veronderstellen dat de verdachte het slachtoffer (opnieuw) zou gaan opzoeken en ook niet is gebleken dat hij deze verboden gesteld in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden heeft overtreden.

Alles afwegend acht de rechtbank de straf zoals door de officier van justitie geëist - met uitzondering van voornoemd contact- en locatieverbod - passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.366,14 aan materiële schade, te verhogen met een schatting voor de defecte bril en een vergoeding van € 8.750,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade geheel voor toewijzing vatbaar is. Ten aanzien van de immateriële schade refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de posten ‘materiële schade’ en het opvragen van medische informatie. De gevorderde kosten van huishoudelijke hulp dienen te worden afgewezen omdat niet blijkt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, noch blijkt van een rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit. Subsidiair dienen deze kosten te worden gematigd. Ook de post verlies van arbeidsvermogen dient te worden afgewezen omdat van een causaal verband met het ten laste gelegde feit onvoldoende is gebleken. Subsdiair dient ook deze post te worden gematigd. Ten slotte dient ook de gevorderde immateriële schade (fors) te worden gematigd vanwege de relatief geringe ernst van het letsel en het feit dat door de benadeelde partij aangehaalde uitspraken niet vergelijkbaar zijn.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank zal hierna per in de vordering genoemde schadepost beoordelen of deze al dan niet voor toewijzing vatbaar is.

Materiële schade

De gevorderde kosten onder de post materiële schade betreft schade die rechtstreeks door het bewezen verklaarde strafbare feit aan de benadeelde partij is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding onder deze post komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en deze is bovendien door de verdachte niet weersproken. Deze schadepost van in totaal € 854,71 zal worden toegewezen.

Daarbij schat de rechtbank de omvang van de schade aan de drie jaar oude bril op de helft van het aankoopbedrag, te weten: € 294,-.

De totale toe te wijzen schade onder de post materiële schade bedraagt daarmee € 1.148,71.

Verlies van arbeidsvermogen

Voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit arbeidsvermogen heeft verloren. Uit de bij de vordering gevoegde e-mail van de voormalig werkgever van de benadeelde partij blijkt immers dat het onderhavige incident (mede) aanleiding is geweest om zijn contract niet te verlengen per 8 november 2019. Per 20 januari 2020 heeft de benadeelde partij een nieuwe baan gevonden. De rechtbank stelt de omvang van deze schade naar redelijkheid vast op € 761,45 (één netto maandsalaris). Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

Huishoudelijke hulp

De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van de schade als gevolg van het feit dat de vrouw van de benadeelde partij gedurende de eerste drie maanden na het bewezen verklaarde feit de huishoudelijke werkzaamheden volledig op zich heeft moeten nemen, waar die werkzaamheden normaal gesproken evenredig waren verdeeld. Hierbij is verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, waaruit volgt dat dergelijke kosten ook voor vergoeding in aanmerking komen indien die werkzaamheden in feite zijn verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening brengen of hebben gebracht.

In het genoemde arrest overweegt de Hoge Raad dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde partij moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners.

Nu in de vordering de huishoudelijke werkzaamheden niet zijn gespecificeerd, is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de gevorderde schadevergoeding betrekking heeft op werkzaamheden als hierboven genoemd. Om die reden zal de benadeelde partij ten aanzien van de post huishoudelijke hulp niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Immateriële schade

Met verwijzing naar vergelijkbare zaken heeft de benadeelde partij een bedrag van € 8.750,- aan immateriële schade gevorderd.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 4.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

Kosten opvragen medische informatie

De gevorderde kosten onder deze post betreft schade die rechtstreeks door het bewezen verklaarde strafbare feit aan de benadeelde partij is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding onder deze post komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en deze is bovendien door de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. Deze schadepost van in totaal € 50,58 zal worden toegewezen.

Wettelijke rente en kosten

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.960,74, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 58 (achtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen een bedrag van € 5.960,74 (zegge: vijfduizendnegenhonderdzestig euro en vierenzeventig eurocent), bestaande uit
€ 1.960,74 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering ter hoogte van € 1.176,50 voor de kosten van huishoudelijke hulp;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.960,74 (hoofdsom, zegge: vijfduizendnegenhonderdzestig euro en vierenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.960,74 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 64 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van Dort, voorzitter,

en mrs. A.A. Kalk en K. Versteeg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 december 2020.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, door voornoemde [naam slachtoffer] eenmaal of meermalen te slaan en/of stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam en/of (vervolgens) (terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag) eenmaal of meermalen te trappen en/of te schoppen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Delft aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door voornoemde [naam slachtoffer] eenmaal of meermalen te stompen en/of te slaan in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam en/of (vervolgens) (terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag) eenmaal of meermalen te trappen en/of te schoppen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door voornoemde [naam slachtoffer] eenmaal of meermalen te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam en/of (vervolgens) (terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag) eenmaal of meermalen te schoppen en/of te trappen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.