Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11451

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
8313428
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opheffing erfdienstbaarheid van uitpad op grond van artikel 5:79 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8313428 \ CV EXPL 20-4820

uitspraak: 11 december 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[naam persoon A] ,

woonplaats: [woonplaats A] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. A.M.M. Greijdanus van AGIN,

tegen

[persoon B] en [persoon C] ,

woonplaats: [woonplaats persoon B en C] ,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Partijen worden hierna aangeduid als “ [naam persoon A] ” en “ [persoon B] en [persoon C] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 2 oktober 2020 is een mondelinge behandeling bepaald.

1.2

Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2020. Ten behoeve van de zitting heeft [naam persoon A] een akte met aanvullende producties opgestuurd.

1.3

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is bepaald op vandaag.

2. De verdere beoordeling

in reconventie

2.1

Zoals in het tussenvonnis is aangekondigd wordt eerst de vordering van [persoon B] en [persoon C] tot opheffing van de erfdienstbaarheid beoordeeld.

2.2

[persoon B] en [persoon C] vorderen opheffing van de erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:78 aanhef en onder sub a BW dan wel artikel 5:79 BW. Daartoe voeren zij kort gezegd aan dat [naam persoon A] door veranderde omstandigheden geen belang meer heeft bij de erfdienstbaarheid (zie onder 3.5 van het tussenvonnis).

2.3

Met betrekking tot een erfdienstbaarheid geldt het Burgerlijk Wetboek zoals dat luidt vanaf 1 januari 1992. Een erfdienstbaarheid die op het tijdstip van inwerkingtreding van die nieuwe wet reeds bestond, kan niet uit hoofde van artikel 5:78 BW worden opgeheven.

2.4

[persoon B] en [persoon C] hebben, zoals overwogen, de opheffing ook gevorderd op grond van artikel 5:79 BW:

‘De rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren.’

2.5

Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de beoordelingsmaatstaf uitgaat van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen. De door [persoon B] en [persoon C] aangevoerde eigen belangen die naar hun mening tot opheffing nopen kunnen om die reden hier onbesproken blijven. Opheffing kan alleen toepassing vinden in de gevallen waarin voortzetting van de erfdienstbaarheid niet van betekenis moet worden geacht.1

2.6

Partijen verschillen van mening over de uitleg van de erfdienstbaarheid in de akte van levering. Bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.2

2.7

In de akte van vestiging is opgenomen dat het gaat om een ‘uitpad’ om te komen en gaan van- en naar den Bovendijk . De toets van artikel 5:79 BW is beperkt tot de belangen die oorspronkelijk aanleiding gaven tot de vestiging van erfdienstbaarheid.3

2.8

Ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid was het niet mogelijk om vanaf het erf van [naam persoon A] de Bovendijk (de openbare weg) te bereiken omdat aan de achterkant van de erven een vaart liep. Daarom mochten de bewoners van dat erf over de oostelijk naastgelegen erven naar de openbare weg.

2.9

De Bovendijk heet nu de Overschiese Kleiweg . De bedoelde vaart is in het kader van herinrichting van de wijk omstreeks 1970 gedempt en onderdeel gaan uitmaken van de Overschiese Kleiweg . Partijen zijn het erover eens dat daardoor [naam persoon A] vanaf zijn eigen erf de openbare weg kan bereiken, zodat de kantonrechter daar ook van uit gaat.

2.10

De route naar de openbare weg over zijn eigen erf is korter dan de route die werd beoogd ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid, via de naastgelegen erven.

2.11

De route naar de openbare weg via de naastgelegen erven is op dit moment niet zonder meer begaanbaar. De route is afgesloten met een hek. Dat is te zien op foto’s die in het geding zijn gebracht.

2.12

[naam persoon A] gebruikt de erfdienstbaarheid niet om op de openbare weg te komen. Ter zitting heeft hij immers aangevoerd dat als hij naar de Overschiese Kleiweg gaat, hij gewoon rechtuit, over zijn eigen erf loopt. Hij gebruikt de erfdienstbaarheid alleen om van en naar zijn buren, aan de andere kant van de woning van [persoon B] en [persoon C] , te gaan. [naam persoon A] heeft immers verklaard dat het erom gaat om via het pad bij de voortuin naar de buren te kunnen lopen, dat als je de buren ziet, je even zwaait en dan naar ze kan toelopen voor een kop koffie. Door dat gebruik is niet het doel van de erfdienstbaarheid gewijzigd.

2.13

Gelet op het voorgaande gebruikt [naam persoon A] de erfdienstbaarheid niet voor het doel waarvoor die is gevestigd, heeft hij geen belang om de erfdienstbaarheid wel voor dat doel te gebruiken en is het doel waarvoor hij de erfdienstbaarheid nu wel gebruikt (om bij de buren te komen) geen belang waarmee rekening moet worden gehouden. [naam persoon A] heeft niet gesteld dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Dit betekent dat [naam persoon A] geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van die erfdienstbaarheid, terwijl het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren.

2.14

De erfdienstbaarheid wordt opgeheven.

2.15

[naam persoon A] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure op basis van het liquidatietarief, zoals hierna vermeld. Er bestaat geen aanleiding om daadwerkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen.

in conventie

primair

2.16

Gelet op het oordeel in reconventie, wordt de primaire vordering van [naam persoon A] met betrekking tot verwijdering van de plantenbak in verband met de erfdienstbaarheid afgewezen.

subsidiair

plantenbak

2.17

Subsidiair vordert [naam persoon A] dat [persoon B] en [persoon C] hun plantenbak verwijderen van het perceel van [naam persoon A] .

2.18

[persoon B] en [persoon C] betwisten dat de betreffende plantenbak gedeeltelijk op het erf van [naam persoon A] staat.

2.19

[naam persoon A] heeft ter onderbouwing van zijn stelling op dit punt twee foto’s in het geding gebracht als productie 1 bij antwoord in reconventie. Op de foto’s is van zeer dichtbij een paal met een punt te zien die tegen een muur aan staat. Volgens [naam persoon A] blijkt uit een door hem uitgevoerde lasermeting dat de plantenbak van [persoon B] en [persoon C] op zijn erf staat. Dat is echter op de betreffende foto’s niet te zien.

2.20

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam persoon A] geen verduidelijking op dit punt gegeven. Daarom wordt op dit punt niet aan bewijslevering toegekomen. De vordering van [naam persoon A] tot verwijdering van de plantenbak wordt afgewezen.

2.21

Dat laat onverlet dat als de plantenbak van [persoon B] en [persoon C] wel gedeeltelijk op het erf van [naam persoon A] staat, [persoon B] en [persoon C] hun plantenbak zodanig moeten verplaatsen dat de bak alleen op hun eigen erf staat.

snoeien beplanting

2.22

Het is primair de taak van [persoon B] en [persoon C] om ervoor te zorgen dat er geen takken vanuit hun tuin over het perceel van [naam persoon A] heen hangen.

2.23

Als [persoon B] en [persoon C] ondanks aanmaning van [naam persoon A] eventuele overhangende beplanting niet snoeien, dan mag [naam persoon A] zelf het overhangende wegsnijden.4

2.24

Gelet op de toezegging tijdens de mondelinge behandeling van [persoon B] en [persoon C] dat zij hun beplanting vaker zullen snoeien, zodat er geen sprake meer zal zijn van overhangende takken en de bevoegdheid van [naam persoon A] om zelf in actie te komen als [persoon B] en [persoon C] zich niet aan die toezegging houden, heeft [naam persoon A] onvoldoende belang bij toewijzing van zijn vordering op dit punt.

proceskosten

2.25

Ondanks afwijzing van de vorderingen van [naam persoon A] ziet de kantonrechter gelet op alle omstandigheden aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vorderingen af;

compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

heft de erfdienstbaarheid van uitpad van [naam persoon A] op het erf van [persoon B] en [persoon C] zoals bedoeld onder rechtsoverweging 2.3 van het tussenvonnis van 2 oktober 2020 op;

veroordeelt [naam persoon A] in de proceskosten, tot de datum van deze uitspraak vastgesteld op

€ 500,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703

1 ECLI:NL:HR:2014:736

2 ECLI:NL:HR:2010:BO1815

3 ECLI:NL:GHARL:2018:4664

4 Artikel 5:44 lid 1 BW