Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
10-001500-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor drie overvallen op hetzelfde benzinestation, waarvan één poging. Tweemaal gebruikte de verdachte een (nep) vuurwapen en eenmaal een mes. Beroep op psychische overmacht verworpen: blijkens het dossier was de verdachte wel in staat om weerstand te bieden tegen eventuele druk van zijn medeverdachte. Vordering benadeelde partij gematigd toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Straf: 3 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Geen bijzondere voorwaarden, maar advies in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Opheffing schorsing voorlopige hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-001500-19

Datum uitspraak: 13 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

raadsman mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2020.

De verdenking komt er – samengevat – op neer dat de verdachte op drie verschillende momenten een benzinestation heeft overvallen, waarbij het éénmaal bij een poging is gebleven.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. van der Meij heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten (te weten: (poging tot) diefstal met bedreiging met geweld (in vereniging));

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering, zich zal laten opnemen in een zorginstelling, zich ambulant zal laten behandelen door een zorginstelling, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zal meewerken aan middelencontrole. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan de reclassering de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering van feiten 2 en 3

De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring van feit 1

De verdachte heeft het onder feit 1 tenlastegelegde, de poging diefstal met geweld op een tankstation, bekend maar heeft ontkend dat hij daarbij dreigend heeft gezegd: “ik vermoord je”. Op grond van de wettige bewijsmiddelen zoals deze in bijlage II zijn opgenomen, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank acht de bedreiging ook wettig en overtuigend bewezen op grond van deze bewijsmiddelen.

Feiten 1, 2 en 3

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1. hij op ­­­­­­­­­­­­­28 december 2018 te Rozenburg, gemeente Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­een geldbedrag, dat geheel ­­­­­­­­­­­­aan een ander toebehoorde, te weten aan het benzinestation Tanqplus Argos Rozenburg, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­vergezellen ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­van geweld en­­­ bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­gemakkelijk te maken­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­, - een mes in de richting van die [naam slachtoffer 1] heeft gehouden en­­­ - die [naam slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld" en­­­­­ aan die [naam slachtoffer 1] heeft geduwd en/of getrokken en­­­ - die [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik vermoord je"­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op ­­­­­­­­­­­­­9 november 2018 te Rozenburg, gemeente Rotterdam ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ een geldbedrag van ongeveer 300 euro­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­, dat geheel ­­­­­­­­­­­­aan een ander toebehoorde, te weten aan het benzinestation Tanqplus Argos Rozenburg, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd ­­­­­­­­­­­­­­vergezeld ­­­­­­­­­­­­­­van­­­­­­­­­­­­­ bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­gemakkelijk te maken­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ welke ­­­­­­­­­­­­­bedreiging met geweld bestond­­­­ uit - het richten van ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 2] en­­­ - het aan die [naam slachtoffer 2] toevoegen van de woorden: "Ik doe je niks, maar maak de kassalade open"­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­

­­­­­­­­­­3. hij op ­­­­­­­­­­­­­3 augustus 2018 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met ­een­ ander­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­, een geldbedrag van ongeveer 300 euro­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­, dat geheel ­­­­­­­­­­­­aan een ander toebehoorde, te weten aan het benzinestation Tanqplus Argos Rozenburg, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd ­­­­­­­­­­­­­­vergezeld ­­­­­­­­­­­­­ van ­­­­­­­­­­­­­bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­gemakkelijk te maken­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­, welke ­­­­­­­­­­­­­bedreiging met geweld bestond­­­­ uit - het richten van ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 3] en­­­ - het aan die [naam slachtoffer 3] toevoegen van de woorden: "Draai je om en doe je armen in de lucht"­ ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen cursief verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

2. diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en

3. diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

Betoogd is dat de verdachte een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt. Hij zag geen uitweg en moest terecht vrezen voor zijn leven of voor zwaar lichamelijk letsel, indien hij de overvallen niet zou plegen. De verdachte had veel psychische problemen op dat moment, waaronder onverwerkte rouw en klinische depressiviteit en werd daarbij immers ernstig bedreigd door de medeverdachte. Hij verkeerde bovendien in een toestand waarin hij niet in staat was om juiste keuzes te maken, als gevolg van, onder meer, zijn leukemie en het overlijden van zijn moeder. Gelet op deze omstandigheden is sprake geweest van een van buiten komende drang waar de verdachte geen weerstand aan kon noch behoefde te bieden. Dit moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

6.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat van psychische overmacht sprake is bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden.

De verdachte voelde zich onder druk gezet door zijn drugsleverancier, medeverdachte [naam medeverdachte] . Hij heeft verklaard dat hij een schuld had bij [naam medeverdachte] die hij niet kon aflossen, en hij daarom door hem werd bedreigd en gedwongen om de overvallen te plegen. In de periode van 1 augustus tot en met 3 augustus 2018 zijn over en weer spraakberichten verzonden waarin wordt gesproken over het overvallen van benzinestation Argos. Uit het dossier volgt echter ook dat de verdachte op 1 augustus 2018 zelf besloot om niet over te gaan tot de overval. Hij stuurde een bericht naar de medeverdachte dat hij het wel zou doen, maar dat het die avond te druk was in het benzinestation en dat ze iets moesten verzinnen waardoor hij niet herkend kon worden.

Uit voorgaande volgt dat de verdachte op dat moment wel weerstand kon bieden tegen de druk die hij voelde, nu hij dat op 1 augustus ook heeft gedaan. Ten aanzien van de feiten gepleegd op 9 november en 28 december 2018, blijkt uit het dossier niet van enige druk of dwang van de zijde van de medevedachte. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte telkens zelf de beslissing heeft genomen om de bewezenverklaarde feiten te plegen. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom verworpen.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft in een tijdsbestek van 5 maanden driemaal hetzelfde benzinestation overvallen. De eerste twee keer gebruikte hij een (nep) vuurwapen en stal hij onder bedreiging daarmee geld uit de kassa. De derde keer had hij een mes meegenomen en was hij voornemens om onder bedreiging wederom geld uit de kassa te stelen. De aanwezige medewerkster verdedigde zich echter, waardoor de verdachte met lege handen vertrok. Wel raakte de medewerkster gewond aan haar handen.

Dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd nadelige (psychische) gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is overkomen, is ook ter terechtzitting gebleken. Het slachtoffer van de laatste overval heeft als gevolg daarvan nog steeds last van nachtmerries en angstgevoelens. Ook de andere betrokken medewerkers voelen zich niet veilig als zij ’s avonds, in het donker, alleen in de winkel staan. Naast de gevolgen die directe slachtoffers kunnen ondervinden, versterken dergelijke feiten ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

De verdachte heeft de feiten bekend en ter zitting zijn spijt betuigd, ook persoonlijk naar de aanwezige slachtoffers toe. Dat weegt de rechtbank in zijn voordeel mee.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 september 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Stichting Verslavingsreclassering GGZ heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 oktober 2020. Dit rapport houdt – kort weergegeven – het volgende in.

De verdachte is in het kader van een schorsingstoezicht geplaatst bij de forensische verslavingskliniek Piet Roorda in september 2019. Hij heeft van september 2019 tot april 2020 een behandeling gevolgd in de besloten afdeling, welke hij positief heeft afgerond, waarna hij is doorgestoomd naar de open fase van de kliniek.

De verdachte heeft tijdens zijn gehele opname bij de Piet Roordakliniek een gemotiveerde houding aangenomen. Er zijn geen overtredingen of waarschuwingen geweest vanuit de kliniek of de reclassering.

Psycholoog I.I. Schultze heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 3 april 2019. Dit rapport houdt – samengevat – het volgende in.

De verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van een stoornis in het gebruik van een stimulantium (cocaïne), ernstig, een stoornis in het gebruik van alcohol, matig en een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en/of een persisterende, complexe rouwstoornis en aan een gebrekkige ontwikkeling van de

geestvermogens in de zin van een verstandelijke beperking, licht en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met kenmerken van de afhankelijke en de dwangmatige persoonlijkheidsstoornis). Dit was zo ten tijde van het tenlastegelegde. De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van onderzochte ten tijde van het tenlastegelegde. Dit leidt tot het advies om onderzochte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Dit leidt tot een lagere straf.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een lange gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding omdat daarmee geen recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten.

Zoals hiervoor besproken, heeft de verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een behandeling gevolgd bij GGZ Tactus, die hij in april 2020 succesvol heeft afgerond. Hij bevindt zich momenteel in de open fase. De volgende stap is forensisch begeleid wonen, waar de verdachte reeds voor aangemeld is. Het advies van de reclassering, gegeven op 4 april 2019, zag op bijzondere voorwaarden bij voornoemde schorsing. Voor het onderzoek ter terechtzitting is geen nieuw advies uitgebracht.

Nu de verdachte de geadviseerde voorwaarden reeds heeft voldaan, en zijn behandeling is afgerond, ziet de rechtbank geen aanleiding meer om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met de door de officier van justitie geëiste bijzondere voorwaarden. Dit geldt temeer nu de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt en zijn traject onderbroken wordt.

Het is op dit moment niet te zeggen welke hulp de verdachte nodig zal hebben wanneer zijn gevangenisstraf ten einde loopt. Reden waarom de rechtbank geen bijzondere voorwaarden zal opleggen maar de Minister voor Rechtsbescherming adviseert in het kader van de detentiefasering en de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte (voorzover dan nog aan de orde en relevant) uitvoering te geven aan het advies van de reclassering.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft [naam benadeelde] zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt partijen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gematigde toewijzing van de vordering, te weten tot een bedrag van € 750,-. Hoewel de vordering alleen voor wat betreft het lichamelijk letsel is onderbouwd, is deze wel ter zitting toegelicht en wordt de schadevergoeding gerechtvaardigd door de ernst van het feit, mede met het oog op de hoogte van toegewezen bedragen in vergelijkbare zaken. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met niet-ontvankelijk verklaring van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd. Het overige deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 december 2018.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 750,00 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 december 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 750,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

adviseert in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling een traject in gang te zetten dat zoveel mogelijk waarborgt dat de veroordeelde in en na zijn detentie een drugsvrij bestaan kan opbouwen, met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen en alcohol, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek;

de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Koster, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en R.J. Verbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te tekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 28 december 2018 te Rozenburg, gemeente Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het benzinestation Tanqplus Argos Rozenburg, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - een mes in de richting van die [naam slachtoffer 1] heeft gehouden en/of - die [naam slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Ik wil geld" en/of - aan die [naam slachtoffer 1] heeft geduwd en/of getrokken en/of - die [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 9 november 2018 te Rozenburg, gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag van ongeveer 300 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het benzinestation Tanqplus Argos Rozenburg, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit - het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend vuurwapen op die [naam slachtoffer 2] en/of - het aan die [naam slachtoffer 2] toevoegen van de woorden: "Ik doe je niks, maar maak de kassalade open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3. hij op of omstreeks 3 augustus 2018 te Rozenburg, gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag van ongeveer 300 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het benzinestation Tanqplus Argos Rozenburg, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit - het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwapen op die [naam slachtoffer 3] en/of - het aan die [naam slachtoffer 3] toevoegen van de woorden: "Draai je om en doe je armen in de lucht", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.