Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11432

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
10/960210-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van opzetwitwassen van een geldbedrag. Redelijke termijn overschreden. Straf: een gevangenisstraf van 41 dagen met aftrek van voorarrest en een geldboete van 5000 euro (60 dagen vervangende hechtenis). In beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard. Bevel voorlopige hechtenis opgeheven (eerder geschorst).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/960210-16

Datum uitspraak: 2 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. I.M. Müller heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 5.000,-, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van de in beslag genomen Blackberry telefoon, iPhone, brief en zegel (aangeduid op de beslaglijst met nummers 1, 2, 4 en 5).

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Er is ten eerste onvoldoende wettig bewijs voor medeplegen. Ten tweede heeft de verdachte geen bemoeienis gehad met de bestelling van het hout waar de cocaïne in werd aangetroffen en heeft hij geen witwashandelingen verricht met betrekking tot het ten laste gelegde geldbedrag. De verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] , inhoudende dat de verdachte de geldbedragen aan hem heeft overgedragen, wordt niet ondersteund door ander bewijs. Bovendien zijn diens verklaringen tegenstrijdig en ongeloofwaardig. Ten derde kan de verdachte onmogelijk wetenschap hebben gehad van de herkomst van geldbedragen, aangezien hij geen wetenschap had van de betaling van deze bedragen.

4.1.2.

Beoordeling

Inleiding

De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld het volgende vast. Eind mei 2016 kwam een partij hout aan in Antwerpen, waarin door de Belgische autoriteiten ruim 600 kilo cocaïne werd aangetroffen. De vrachtwagen die de partij vervolgens vervoerde, is gevolgd naar een adres in Roosendaal, alwaar de verdachte het hout in ontvangst nam en met een andere persoon het hout begon uit te laden.

De bestelling van de partij hout was gedaan bij het bedrijf [naam bedrijf 1] te Suriname en stond op naam van [naam bedrijf 2] , het bedrijf van medeverdachte [naam medeverdachte] . Hij onderhield het contact met [naam bedrijf 1] en heeft in totaal USD 73.770,- (omgerekend ongeveer € 66.157,-) voor het hout overgemaakt naar [naam bedrijf 1] . Onder [naam medeverdachte] zijn onder andere facturen en nota’s in beslag genomen, betreffende betalingen aan [naam bedrijf 2] door [naam bedrijf 3] , een bedrijf dat tot eind 2015 op naam van de verdachte stond. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt voorts dat de verdachte de benodigde papieren voor de import van het hout in orde heeft gemaakt, dat hij regelmatig contact onderhield met medeverdachte [naam medeverdachte] over de houtbestelling, dat hij samen met medeverdachte [naam medeverdachte] toegang had tot een speciaal voor deze bestelling aangemaakt e-mailadres en dat hij met een Blackberry-telefoon met derden contact onderhield over de voortgang van de bestelling. Ten aanzien van dit laatste punt is ook duidelijk dat de verdachte contact had met een naar eigen zeggen voor hem onbekende persoon die onder de letters VSRD in de Blackberry stond en waarvan verdachte niet kan aangeven waarom hij met deze persoon contact onderhield over de bestelling.

Betrokkenheid van de verdachte

De rechtbank stelt vast dat [naam medeverdachte] steevast de verdachte aanwijst als degene die hem verzocht het hout te bestellen en die de te betalen bedragen aanleverde. De verdachte zou dat gedaan hebben in contanten. De raadsman van de verdachte stelt terecht dat de betrokkenheid van de verdachte niet enkel kan volgen uit de verklaring van de medeverdachte. Anders dan de raadsman heeft betoogd vindt deze betrokkenheid echter voldoende ondersteuning in andere bewijsmiddelen.

In tegenstelling tot hetgeen de verdachte heeft verklaard volgt uit het dossier in overtuigende mate dat hij betrokken is geweest bij de bestelling van het hout. Naast de verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte] hieromtrent, ent de rechtbank deze conclusie op de volgende bewijsmiddelen.

Allereerst is de rol van de verdachte meer geweest dan zijn naar eigen zeggen enkele betrokkenheid bij het in orde maken van de papieren. Als zijn rol daartoe beperkt zou zijn geweest, dan zou zijn betrokkenheid bij de bestelling ook moeten zijn geëindigd bij het opmaken en indienen van deze papieren. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt evenwel dat verdachte meer heeft gedaan dan zich enkel bezig houden met het papierwerk. Zo blijkt uit het dossier dat de verdachte, samen met medeverdachte [naam medeverdachte] , toegang had tot een e-mailadres dat enkel en alleen was aangemaakt voor deze bestelling. Via dit e-mailaccount hield de verdachte het gehele bestel- en leveringsproces mee in de gaten. Zijn actieve rol komt ook tot uitdrukking in zijn actieve communicatie over het hoe en wanneer van de levering en het gegeven dat hij zelf mede de levering hout aan het lossen is op het moment dat de politie besluit om tot actie over te gaan.

Voorts blijkt uit het dossier dat de verdachte met een derde persoon, [naam 1] , gedurende de periode van bestelling tot levering communiceerde over de bestelling en over medeverdachte [naam medeverdachte] . [naam 1] vertelt de verdachte: “houd goed contact met [bijnaam] ” en “ [bijnaam] was hier” – met ‘ [bijnaam] ’ wordt [naam medeverdachte] bedoeld. Zij spreken daarnaast over “de papieren voor het hout” en de verdachte vraagt aan [naam 1] hoe ze dat kunnen regelen. De verdachte heeft verklaard dat hij [naam medeverdachte] hielp bij het papierwerk, omdat hij daar veel ervaring mee heeft, en dat het alleen over [naam medeverdachte] kan gaan als hij over hout spreekt. Deze chatberichten stroken niet met zijn verklaring – als hij goed is in papierwerk, zou hij niet aan [naam 1] hoeven vragen hoe ze “de papieren” moeten regelen. Bovendien blijft het de rechtbank onduidelijk waarom de verdachte over deze bestelling zou overleggen met [naam 1] . Naar eigen zeggen van de verdachte heeft [naam 1] niets met deze bestelling van doen.

Naast het contact met [naam 1] onderhoudt de verdachte ook contact met een naar eigen zeggen voor hem geheel onbekend gebleven persoon, die in zijn telefoon enkel onder de letters VSRD staat. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor waarom hij dit contact onderhield en tot welk doel. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, dat hij het contact met een onbekende persoon die geen kennelijke betrokkenheid had bij de bestelling geen abnormale gang van zaken vond, op basis van de bewijsmiddelen te weerleggen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dit onderwerp niet de waarheid vertelt over het waarom van het contact met deze persoon.

Verder duiden de facturen en nota’s in de administratie van [naam medeverdachte] ook op betrokkenheid van de verdachte bij het betalen van de geldbedragen. Hoewel de facturen een aantal inconsequenties bevatten, is het zeer onaannemelijk dat [naam medeverdachte] zelf heeft besloten om deze facturen op naam van een (voormalig) bedrijf van de verdachte te zetten. Het ligt dan ook voor de hand dat de verdachte de betalingen heeft verricht en hij [naam medeverdachte] heeft verteld dat de facturen op naam van [naam bedrijf 3] geplaatst konden worden.

Tenslotte wordt de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] over de betrokkenheid van de verdachte bevestigd door de vrouw van medeverdachte [naam medeverdachte] . Zij verklaart dat ze op verschillende momenten van haar man hoorde dat hij contant geld had ontvangen van de verdachte, wat zij vervolgens naar de bank bracht om te storten. Zij heeft niet gezien dat de contante betalingen gedaan werden, maar wel direct daarna het geld in handen gehad. Hoewel haar wetenschap deels valt terug te voeren op medeverdachte [naam medeverdachte] , draagt haar verklaring bij aan de conclusie dat de verdachte wel degelijk een significante betrokkenheid heeft gehad bij de bestelling van het hout.Zij bevestigt immers dat er contante betalingen zijn ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren voor de conclusie dat de verdachte actief betrokken is geweest bij de bestelling en levering van de partij hout. In het verlengde van deze conclusie acht de rechtbank het bewezen dat, ondanks zijn ontkenning, het de verdachte is geweest die de ten laste gelegde geldbedragen heeft overgedragen aan [naam medeverdachte] . Daarmee kan ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen worden. Immers, de verdachte heeft nauw met [naam medeverdachte] moeten samenwerken om de bestelling van het hout en de betaling daarvan in goede banen te leiden; zij hebben beiden uitvoeringshandelingen verricht, en uit al hun handelingen blijkt voorts hun opzet op het medeplegen.

Witwassen

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit handelen witwassen oplevert.

Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat het geldbedrag waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft afkomstig is van enig misdrijf. Als echter op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf (het gronddelict), kan niettemin worden bewezen verklaard dat het geldbedrag een criminele herkomst heeft, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn, dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

In het onderhavige politieonderzoek is geen direct bewijs voorhanden voor een criminele herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag. Daarom moet de vraag worden beantwoord of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het politieonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij concreet en min of meer verifieerbaar verklaart over een legale herkomst van het geld, welke verklaring niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk moet zijn aan te merken.

Wanneer het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geldbedrag. Voor een bewezenverklaring van witwassen zal uit dat onderzoek moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft.

Vermoeden van witwassen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het ten laste gelegde geldbedrag is aangewend voor de transport van een grote hoeveelheid harddrugs. Het betrof geld dat de verdachte aan medeverdachte betaalde in contante hoeveelheden van ongeveer € 10.000,- per keer.

Het feit dat contante geldbedragen in kleine coupures worden gebruikt voor betalingen kan reeds duiden op het vermoeden van witwassen, zeker wanneer het geld wordt aangewend voor de deklading van een cocainetransport. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting versterken dit vermoeden enkel. Zo wordt dit vermoeden eerstens versterkt door de - door de rechtbank weerlegde - ontkenning van de verdachte dat hij deze gelden niet heeft betaald aan de medeverdachte. Verdere versterking van dit vermoeden is gelegen in het feit dat de verdachte volgens medeverdachte [naam medeverdachte] de uiteindelijke koper was van het hout, terwijl de verdachte geen kennelijke activiteiten ontplooide in de houthandel en geen kennelijke afnemer(s) had voor deze partij hout.

De mate van ongebruikelijkheid van de gehele transactie maakt dat ten aanzien van het ontvangen geld er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verwacht dat hij een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ontkend enige betrokkenheid of kennis te hebben van deze geldbedragen en betalingen. Hij zou enkel ingehuurd zijn door [naam medeverdachte] om de inklaringsdocumenten te regelen voor de partij hout.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Zoals hiervoor uiteengezet, wordt de verklaring van de verdachte weerlegd door wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft derhalve geen enkele verklaring gegeven voor de herkomst van de geldbedragen.

Gelet op de aard van de geldbedragen (grotere contante geldbedragen in kleine coupures) in combinatie met de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank een legale bron ten aanzien van het geld worden uitgesloten. Er moet dus vanuitgegaan worden dat het geld een criminele herkomst heeft.

De rechtbank merkt nog het volgende op. De verdediging heeft aangevoerd dat uit de in het dossier opgenomen bankrekeningafschriften van [naam bedrijf 2] slechts blijkt van één contante storting (van € 14.000,-). De verdediging betoogt dat dit niet past bij de diverse betaalmomenten waarover [naam medeverdachte] en zijn echtgenote verklaren. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij. De bankrekeninggegevens uit het dossier zijn zeer beperkt en geven geen compleet beeld, zoals de verdediging ook onderkend heeft. In het licht van alle omstandigheden in het dossier die tegen de verdachte pleiten, ziet de rechtbank geen noodzaak voor nader onderzoek op dit punt. Om een dergelijk onderzoek is overigens ook niet gevraagd.

4.1.3.

Conclusie

Het ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Hij op meerdere tijdstippen in de periode van 29 februari 2016 tot en met 10 mei 2016 te Bergen op Zoom en/of Halsteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (telkens) voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 73.770 USD (omgerekend 66.157 euro), voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, hebbende zijn mededader (telkens) contante geldbedragen gestort op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] , ten name van [naam bedrijf 2] en hebbende zijn mededader (telkens) deze contante geldbedragen (in USD) overgemaakt naar bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , ten name van [naam bedrijf 1] , terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Hij heeft contante betalingen gedaan aan zijn medeverdachte en daarmee een dekmanteltransactie bekostigd in de drugshandel. Door witwassen wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Verdachte heeft eraan meegewerkt dat de opbrengst van gepleegde misdrijven aan het zicht werd onttrokken. Door de officier van justitie is in een eerder stadium een transactie van € 5.000,- aangeboden. Dit voorstel heeft verdachte niet geaccepteerd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Schending redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 27 mei 2016 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de overschrijding van de redelijke termijn niet dient te worden meegewogen in de strafoplegging.

Tussen 27 mei 2016 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim 4 jaar en 6 maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 2 jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van 2 jaar en 6 maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden in de modaliteit van de op te leggen straf.

7.5.

Conclusies

De rechtbank komt tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit is in beginsel alleen een gevangenisstraf passend. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan de tijd de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en in plaats daarvan een geldboete opleggen van na te noemen hoogte.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen Blackberry telefoon, iPhone, brief en zegel (nummers 1, 2, 4 en 5 op de beslaglijst) verbeurd te verklaren.

8.2.

Beoordeling

De in beslag genomen Blackberry telefoon, iPhone, brief en zegel (nummers 1, 2, 4 en 5 op de beslaglijst) zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Het bewezen feit is met behulp van deze voorwerpen begaan.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 24c, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 (eenenveertig) dagen, alsmede tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf: Blackberry telefoon, iPhone, brief en zegel (nummers 1, 2, 4 en 5 op de beslaglijst);

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. S. van der Burgh en A.P. Altena, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 10 mei 2016 te Bergen op Zoom en/of Halsteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 73.770 USD (omgerekend 66.157 euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) contante geldbedrag(en) gestort op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] , ten name van [naam bedrijf 2] en/of hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) dit/deze contante geldbedrag(en) (in USD) overgemaakt naar bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , ten name van [naam bedrijf 1] , terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.