Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11430

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
10-125706-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Uit handelen van de verdachte blijkt niet van het op de koop toe nemen van de aanmerkelijke kans op de dood. Veroordeling voor subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Wél voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte had geen zicht op het slachtoffer en hij zwaaide meerdere malen met het mes. Zwaar lichamelijk letsel: blijvend ontsierend litteken in het gezicht. Beroep op noodweer(exces) verworpen: de verdachte had zich onttrokken aan de (mogelijke) noodweersituatie, maar zocht daarna zelf de confrontatie op. Op dat moment geen sprake van een noodweersituatie. Straf: gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-125706-20

Datum uitspraak: 13 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. M. Shaaban, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag)

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte willens en wetens de aangever, [naam slachtoffer] , in zijn bovenlichaam heeft gestoken met een mes. Hij heeft de confrontatie opgezocht in plaats van die uit de weg te gaan, zonder dat er op dat moment fysiek geweld tegen hem gebruikt werd. Het meermalen steken met een mes in het bovenlijf (bij vitale lichaamsdelen) en het hoofd van aangever is naar uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband en samenhang bezien dusdanig gericht op het teweegbrengen van de dood van die persoon dat daaruit verdachtes opzet op een dodelijke afloop kan worden afgeleid. De poging tot doodslag kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de verdachte en aangever op 8 mei 2020 een conflict hadden in hun woning. Daarbij waren ook twee andere huisgenoten aanwezig ( [naam persoon 1] en [naam persoon 2] ). Tijdens deze ruzie werd over en weer gescholden. De aangever nam het initiatief tot geweld door – onder andere – een stoelpoot te pakken en daarmee op de verdachte af te komen. Zij werden steeds uit elkaar gehaald door de twee huisgenoten. Op enig moment is de verdachte de kamer uitgelopen, en naar boven toegegaan, waarop hij terugkwam met een klein mes. Hierna laaide de ruzie weer op, maar nu was het de verdachte die op de aangever af kwam. Zij belandden op de bank, de aangever op zijn rug onderop en met [naam persoon 2] tussen hen in, en de verdachte sloeg met het handvat van het mes in de richting van de aangever. Hierbij heeft de aangever snijwonden opgelopen in zijn wang, hals en arm.

Voorop staat dat voor een poging tot doodslag vereist is dat de verdachte opzet had op de dood van de aangever. Ten aanzien van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is daarvan sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.


De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. De verdachte hield het mesje in zijn handpalm, met het lemmet afgewend van de aangever, en hij sloeg hem met het handvat. Uit dit handelen kan zijn opzet op de dood van de aangever niet worden afgeleid. Hij heeft hiermee ook niet de aanmerkelijke kans daarop op de koop toe genomen. Immers, het op deze manier vasthouden van het mes ziet de rechtbank juist als een contra-indicatie.

4.1.3.

Conclusie

De primair ten laste gelegde poging tot doodslag is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering subsidiair ten laste gelegde (zware mishandeling)

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast kan niet gesproken van zwaar lichamelijk letsel. Er ontbreekt medische informatie omtrent het letsel van de aangever, maar in elk geval is bekend dat er geen sprake is geweest van complicaties of een lange hersteltermijn. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

4.2.2.

Beoordeling

Het verweer van de verdediging valt uiteen in twee delen. Betoogd wordt, ten eerste, dat opzet ontbreekt op zwaar lichamelijk letsel, en ten tweede dat geen sprake is van zulk letsel.

Ten aanzien van het eerste verweer, oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor onder 4.1.2 weergegeven, staat vast dat de verdachte de aangever onder andere in zijn gezicht heeft geraakt met het mes. Ook voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel geldt dat de verdachte geen vol opzet had op dit gevolg: in de kern bezien was dit handelen juist niet gericht op het teweegbrengen van het gevolg.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de verdachte wel voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hieraan ligt het volgende ten grondslag.

Het handelen van de verdachte zoals hierboven beschreven, namelijk het slaan van de aangever met het mes in de hand, met het lemmet naar buiten gericht, levert ten eerste een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het gebied waar de aangever gesneden is organen, spieren, bloedvaten en zenuwbanen bevinden die door het snijden met een mes zodanig beschadigd kunnen worden, dat dit op zijn minst genomen zwaar lichamelijk letsel kan opleveren.

Ten tweede is voldaan aan het vereiste dat de verdachte deze kans ten tijde van de gedraging willens en wetens op de koop heeft toegenomen. Weliswaar hield hij het lemmet afgewend van de aangever, maar gelet op de omstandigheden – de verdachte had geen zicht op de aangever omdat hun huisgenoot ertussen lag en hij zwaaide meerdere malen met het mes – moet de verdachte zich bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat hij de aangever zou raken met het lemmet en zodoende hem ernstig letsel zou toebrengen, en heeft hij, door zo te handelen, deze kans aanvaard.

Het eerste verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het tweede verweer, oordeelt de rechtbank als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, speelt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel een rol.

Uit de letselbeschrijving van 25 jui 2020 blijkt dat steekwond op de linkerwang ongeveer 8 centimeter groot is en dat de wonden gehecht moesten worden. Verder volgt uit het proces-verbaal van verhoor van de aangever bij de rechter-commissaris dat het litteken op de wang van de aangever blijvend en duidelijk zichtbaar is. Gelet op de aard van het letsel, daarin meegewogen dat sprake is van restschade en het ontsierende karakter van het litteken, is sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Ook het tweede verweer wordt verworpen.

4.2.3.

Conclusie

De subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 8 mei 2020 te Dordrecht aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (ontsierend) litteken in het gezicht (veroorzaakt door een snijwond in de (linker)wang), heeft toegebracht door die [naam slachtoffer] eenmaal, met een mes in de (linker)wang te snijden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en hij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair wordt een beroep gedaan op noodweerexces en meer subsidiair op putatief noodweer(exces).

De verdachte werd door het slachtoffer aangevallen. Toen de verdachte naar zijn kamer was gegaan en weer beneden kwam, wilde het slachtoffer hem opnieuw te lijf gaan, ditmaal met tafelpoten en ijzeren gewichten. De verdachte zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen.

6.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Met de verdediging oordeelt de rechtbank dat het slachtoffer in eerste instantie de agressor is geweest. Het slachtoffer sloeg de verdachte als eerste en daarmee was er op dat moment (mogelijk) sprake van een noodweersituatie. De verdachte heeft zich echter onttrokken aan deze situatie door de woonkamer te verlaten en naar zijn kamer boven te gaan. De (mogelijke) noodweersituatie kwam daarmee ten einde.

Daarna heeft de verdachte zelf de confrontatie opgezocht, door gewapend met een mes de kamer weer in te gaan, hoewel zijn huisgenoot hem juist uit de kamer probeerde te houden. Op dat moment was het de verdachte die de aggressor was. Op dit moment was geen sprake meer van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de dreiging daarvan. Zelfs indien wordt aangenomen dat het slachtoffer een tafelpoot en ijzeren gewicht pakte om de verdachte mee aan te vallen nádat hij boven was geweest, was dit gevaar geweken toen hun huisgenoot deze voorwerpen van het slachtoffer afpakte.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake (meer) was van een noodweersituatie, zodat ook het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verdachte zelf niet heeft verklaard over een hevige gemoedsbeweging en bevat het dossier evenmin aanwijzingen die daarop wijzen. Het beroep op noodweerexces wordt eveneens verworpen.

Tot slot kan ook het beroep op putatief noodweer(exces) niet slagen. De hierboven besproken feiten en omstandigheden leveren niet een situatie op waarin de verdachte abusievelijk maar wel verschoonbaar heeft kunnen menen dat een noodzaak tot verdediging bestond. Immers, het slachtoffer lag op zijn rug op de bank, terwijl een huisgenoot bovenop hem lag en hij daardoor geen kant op kon. Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft in het kader van een ruzie met een huisgenoot, het slachtoffer, gekozen voor het toepassen van grof geweld door met een mes in zijn hand het slachtoffer te slaan in, onder andere, diens gezicht. Het slachtoffer heeft hierdoor een snijwond in zijn wang opgelopen, met een ontsierend en behoorlijk groot litteken tot gevolg.

Feiten als deze hebben een grote impact op slachtoffers die daarvan nog geruime tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Daarnaast zorgen dit soort geweldsfeiten in zijn algemeenheid voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Hoewel het slachtoffer het eerste initiatief heeft genomen tot geweld, doet dit niet af aan de ernst van het handelen van de verdachte, nu er op het moment van dat handelen geen dreiging meer van het slachtoffer uitging.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Hierbij heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) tot uitgangspunt genomen. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, in dit geval zeer zwaar lichamelijk letsel, gelet op het blijvende en ontsierende karakter van het litteken, gaat de rechtbank daarom uit van een gevangenisstraf van twaalf maanden.

De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, omdat dat geen recht zou doen aan de ernst van het feit. De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,

en mrs. W.H.J. Stemker Koster en R.J. Verbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te tekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer]

opzettelijk

van het leven te beroven,

meermalen, althans eenmaal, die [naam slachtoffer] met een mes, althans enig scherp

voorwerp in de (linker)wang en/of hoofd en/of nek en/of arm heeft

gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Dordrecht

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een (ontsierend) litteken in het gezicht

(veroorzaakt door een steek/snijwond in de (linker)wang),

heeft toegebracht door die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes,

althans enig scherp voorwerp in de (linker)wang en/of het gezicht te

steken/snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen, althans eenmaal, die [naam slachtoffer] met een mes, althans enig scherp

voorwerp in de (linker)wang en/of hoofd en/of nek en/of arm heeft

gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.