Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11404

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
C/10/585482 / HA ZA 19-1035
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appartementsrecht, geschil over de kapverdieping. Conventie: zelfstandig vorderingsrecht van een appartementseigenaar tegen een mede-appartementseigenaar? Waar hoort de kapverdieping bij? Verkrijging te goeder trouw/bevrijdende verjaring: eigenaar kapverdieping? Reconventie: onrechtmatige daad + schade; inbreuk op het gezamenlijke eigendomsrecht van de appartementseigenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Vonnis van 2 december 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/585482 / HA ZA 19-1035 van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.F.M. den Hollander te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.M. Malipaard te Den Haag,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/586129 / HA ZA 19-1084 van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.F.M. den Hollander te Rotterdam,

tegen

1. [naam gedaagde 2] ,

2. [naam gedaagde 3],

beiden wonende te [woonplaats gedaagden] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. C.M. Malipaard te Den Haag.

Partijen zullen hierna [naam eiser] , [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] genoemd worden. [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] worden samen [gedaagden] genoemd.

1. De procedures

1.1.

Het verloop van de procedures blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 mei 2019 in zaak 19-1035, met producties;

  • -

    de dagvaarding van 17 juni 2019 in zaak 19-1084, met producties;

in beide zaken gevolgd door

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 18 oktober 2019 naar de handelskamer van deze rechtbank;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de brief van mr. Den Hollander van 4 maart 2020, met producties;

  • -

    de brief van mr. Malipaard van 6 maart 2020, met productie;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, met productie;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Het pand aan het [adres 1] , kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie V, nummer [nummer 1] (hierna: het pand), is gesplitst in appartementsrechten als bedoeld in artikel 5:106 BW.

2.2.

Op grond van de splitsingsakte van 29 december 1977 (hierna: de splitsingsakte) is het pand gesplitst in de volgende appartementsrechten:

  1. De woning met tuin op de begane grond en kelder onder de woning en verder toebehoren aan het [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie V, complexaanduiding [nummer 2] (hierna: appartement 1);

  2. De woning op de eerste verdieping en een gedeelte van de zolderverdieping en verder toebehoren aan het [adres 3] , kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie V, complexaanduiding [nummer 3] (hierna: appartement 2);

  3. De woning op de tweede verdieping en een gedeelte van de zolderverdieping met verder toebehoren aan het [adres 4] , kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie V, complexaanduiding [nummer 4] (hierna: appartement 3).

Aan de splitsingsakte is een splitsingstekening van 9 december 1997 gehecht met een plattegrond van de kelder, de begane grond, de eerste verdieping, de tweede verdieping en de zolderverdieping (hierna: de splitsingstekening).

De splitsingsakte met de daaraan gehechte splitsingstekening is op 29 december 1977 ingeschreven in de openbare registers van het kadaster te Rotterdam.

2.3.

Blijkens de leveringsakte van 2 juni 2006 hebben [naam gedaagde 1] (voor veertig/honderdste deel), [naam gedaagde 2] (voor twintig/honderdste deel) en [naam gedaagde 3] (voor veertig/honderdste deel) appartement 3 gekocht. Het betreffende appartementsrecht geeft blijkens de leveringsakte recht op “het uitsluitend gebruik van de woning op de tweede verdieping en een gedeelte van de zolderverdieping en verder toebehoren” en op een onverdeeld drie/negende aandeel in de gemeenschap, bestaande uit het pand met erf te [adres 1] , ten tijde van de splitsing kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie V, nummer [nummer 1] , groot één are en tweeëndertig centiaren. [gedaagden] hebben bij aankoop van appartement 3 de splitsingsakte ontvangen. Zij bewonen appartement 3 niet zelf.

2.4.

[naam eiser] is sinds 31 oktober 2013 eigenaar van appartement 2. Ook hij heeft een onverdeeld drie/negende aandeel in de gemeenschap, bestaande uit het pand met erf te [adres 1] , ten tijde van de splitsing kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie V, nummer [nummer 1] , groot één are en tweeëndertig centiaren. [naam eiser] heeft bij aanknoop van appartement 2 de splitsingsakte ontvangen. Hij bewoont appartement 2 zelf.

2.5.

De Vereniging van Eigenaren [adres 1] (hierna: de VvE) is niet actief.

2.6.

Boven de gesplitste zolder van het pand bevindt zich een kapverdieping. [gedaagden] hebben daar een wasmachine, wastafel en douchecabine geplaatst of laten plaatsen en een slaapkamer gemaakt of laten maken. [gedaagden] hebben de kapverdieping verhuurd.

2.7.

Zowel in augustus 2016 als in februari 2017 heeft [naam eiser] een gat gemaakt in het plafond van het tot zijn appartement behorende gedeelte van de zolderverdieping en de vloer van de kapverdieping. De eerste keer heeft [naam gedaagde 1] het gat zelf dichtgemaakt, de tweede keer heeft hij dat laten doen door derden.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[naam eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. primair [gedaagden] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de onrechtmatige situatie ongedaan te maken door het ontruimen en ontruimd houden van de kapverdieping, alsmede door de toegang naar deze verdieping vanuit hun appartement af te sluiten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,00;

subsidiair [gedaagden] veroordeelt tot een in goede justitie te bepalen financiële compensatie nu [naam eiser] door de onrechtmatige ingebruikname van de kapverdieping geen gebruik kan maken van het gedeelte van de kapverdieping dat aan hem toekomt op grond van de splitsingsakte, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

[gedaagden] veroordeelt tot het betalen van de buitengerechtelijke kosten van € 500,00;

met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten van € 90,00 voor [naam gedaagde 1] en € 90,00 voor [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] samen.

3.2.

Het verweer van [gedaagden] strekt ertoe de vorderingen van [naam eiser] af te wijzen, althans [naam eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, met veroordeling van [naam eiser] in de proceskosten, met inbegrip van de kosten in de kantonprocedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [naam verweerder] jegens [eisers] op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld;

  2. [naam verweerder] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 3.146,00 (inclusief 21% BTW) als herstelkosten voor het gat in de vloer van de kapverdieping;

met veroordeling van [naam verweerder] in de proceskosten, met inbegrip van de kosten in de kantonprocedure.

3.5.

Het verweer van [naam verweerder] strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eisers] in hun vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het geschil over de eigendom van de kapverdieping

4.1.

[naam eiser] stelt zich met verwijzing naar de splitsingsakte met de bijbehorende splitsingstekening alsmede de leveringsakten van [gedaagden] en hemzelf op het standpunt dat de kapverdieping tot de gemeenschappelijke gedeelten van het pand behoort. Dit betekent dat het [gedaagden] niet is toegestaan om de kapverdieping te gebruiken alsof die tot appartement 3 hoort. Als lid van de VvE kunnen [gedaagden] de kapverdieping niet voor zichzelf houden, maar alleen met de andere leden van de VvE. Dat [gedaagden] naar gesteld van hun rechtsvoorganger appartement 3 met kapverdieping hebben gekocht, maakt dat niet anders, nu hun aanspraak op de kapverdieping geen steun vindt in de splitsingsakte met bijbehorende splitsingstekening en evenmin in de leveringsakte.

[naam eiser] betwist dat [gedaagden] op grond van verjaring eigenaar zijn geworden van de kapverdieping.

4.2.

Volgens [gedaagden] komt niet [naam eiser] , maar uitsluitend de VvE een zelfstandig vorderingsrecht toe, zodat [naam eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Verder stellen zij zich op het standpunt dat de kapverdieping wel degelijk tot appartement 3 behoort. Daartoe beroepen zij zich op de verklaring van hun rechtsvoorganger [naam] (hierna: [naam] ), die aan hen het appartement met de kapverdieping heeft verkocht en geleverd. Voor [adres 5] , waarvan de indeling identiek is en waarbij in het verleden eenzelfde splitsing in appartementsrechten heeft plaatsgevonden als bij [adres 1] , geldt dat de notaris de splitsingsakte in 2017 heeft gewijzigd. Daarmee is bevestigd dat de kapverdieping van [adres 5] bij appartement 3 van dat pand hoort. Hieruit kan worden afgeleid dat de notaris heeft verzuimd de oorspronkelijke splitsingsakten, ook die voor het onderhavige pand, correct op te stellen. [naam eiser] noch de VvE kan aanspraak maken op de kapverdieping, omdat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar van de kapverdieping zijn geworden. Onder verwijzing naar de verklaring van [naam] , de vaste trap vanuit appartement 3 naar de kapverdieping, de inrichting van de kapverdieping en de daar aanwezige installaties hoort volgens hen de kapverdieping al veertig jaar bij appartement 3.

Vorderingsrecht [naam eiser]

4.3.

Volgens [gedaagden] is de VvE, een rechtspersoon met zelfstandige rechten en plichten, de enige partij die een vordering kan instellen met betrekking tot de gemeenschap van appartementsrechten. Nu de (inactieve) VvE geen besluit heeft genomen tot het instellen van een vordering ter zake de kapverdieping, komt [naam eiser] geen zelfstandig vorderingsrecht toe.

[naam eiser] betwist dat hem geen zelfstandig vorderingsrecht toekomt. Gelet op de overlast die [naam eiser] ondervindt door de ingebruikname van de kapverdieping door [gedaagden] kan hij hen als buren/appartementseigenaren in rechte aanspreken uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.4.

De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagden] . Zij stelt voorop dat de VvE geen eigenaar is van het pand, dat zijn de gezamenlijke appartementseigenaren. Artikel 5:108 BW bepaalt dat de appartementseigenaren tegenover elkaar verplicht zijn de inrichting van het gesplitste gebouw in stand te houden in overeenstemming met wat daarover in de splitsingsakte is bepaald. Van deze verplichting kunnen de individuele appartementseigenaren nakoming vorderen (artikel 3:296 BW). De omstandigheid dat de (al dan niet actieve) VvE binnen de grenzen van haar bevoegdheden de gezamenlijke appartementseigenaren kan vertegenwoordigen en kan optreden tegen appartementseigenaren die niet voldoen aan hun verplichtingen, brengt niet met zich dat die appartementseigenaren hun eigen vorderingsrecht verliezen.

Waar hoort de kapverdieping bij?

4.5.

Ter bepaling wat in de splitsing is betrokken is bepalend wat daarover is vastgelegd in de op die splitsing betrekking hebbende stukken, de notariële akte en de aan die minuut gehechte tekening. Bij de uitleg daarvan komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot de splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de onderscheiden delen van het pand en uit de daaraan gehechte tekening, bezien in het licht van de algehele inhoud van de akte en de tekening. Gelet op de rechtszekerheid mag slechts acht worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven registers kenbaar zijn. Indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is (ECLI:NL:HR:2014:337).

4.6.

Vaststaat dat in de splitsingsakte over de kapverdieping niets is vastgelegd en in de bijbehorende splitsingstekening evenmin. De hoogste verdieping van het pand die in deze akte en tekening is vermeld (en gesplitst), is de zolderverdieping. Alle partijen hebben blijkens de betreffende akte van levering verklaard een kopie van de splitsingsstukken te hebben ontvangen. De akte van de levering van appartement 3 aan [gedaagden] , hierboven aangehaald in 2.3, maakt overigens ook geen melding van levering van de kapverdieping aan [gedaagden] .

Anders dan [gedaagden] stellen, zijn de splitsingsstukken, gelet op hiervoor weergegeven beoordelingsmaatstaf, duidelijk over de omvang van de rechten en verplichtingen van de appartementseigenaren en volgt daaruit dat de kapverdieping niet hoort bij appartement 3, maar behoort tot het gemeenschappelijke gedeelte van het pand, waarin iedere appartementseigenaar een drie/negende aandeel heeft.
Bij dit oordeel betrekt de rechtbank niet de argumenten die partijen ontlenen aan de in verschillende stukken opgenomen oppervlakte van een are en tweeëndertig centiaren. Anders dan partijen menen, is dat niet de (mogelijke) woonoppervlakte van hun eigen appartement, maar de grondoppervlakte van het pand met erf. Dit blijkt onder meer uit bladzijde 1 van de splitsingsakte, waar – voordat de splitsing aan de orde komt – is vermeld “het pand en erf te Rotterdam, plaatselijk bekend [adres 1] , (…) groot een are twee-endertig centiaren”.

Zijn [gedaagden] verkrijgers te goeder trouw van de kapverdieping?

4.7.

Dat [gedaagden] naar eigen zeggen niet bekend waren met de inhoud van de splitsingsstukken, komt gelet op hun verklaring ten tijde van de levering van appartement 3 voor hun eigen rekening en risico. De verklaringen van hun rechtsvoorgangers over het gebruik/bezit van de kapverdieping doen daar niet aan af. Hun betoog dat de notaris, die de splitsingsakte heeft gepasseerd, heeft verzuimd de kapverdieping op te nemen in de splitsingsakte en splitsingstekening, terwijl dat verzuim door de notaris bij [adres 5] inmiddels is hersteld door de splitsingsakte te wijzigen, gaat niet op. Gesteld noch gebleken is dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] met succes om wijziging van de splitsingsakte hebben verzocht, zodat de splitsingsakte uit 1977 nog onverkort geldt. Het beroep van [gedaagden] op de artikelen 3:24, 3:25 en 3:26 BW slaagt niet. [gedaagden] zijn gelet op de inhoud van de in de openbare registers van het kadaster geregistreerde stukken niet als verkrijgers te goeder trouw van de kapverdieping aan te merken, waaruit tevens volgt dat zij geen geslaagd beroep kunnen doen op verkrijgende verjaring.

Zijn [gedaagden] door bevrijdende verjaring eigenaar van de kapverdieping geworden?

4.8.

Voor bevrijdende verjaring op grond van artikel 3:105 BW is bezit gedurende twintig jaar vereist. De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van de artikelen 3:107 en 3:108 BW. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in de op in artikel 3:108 BW volgende artikelen worden gegeven, en op grond van uiterlijke feiten. De interne, niet naar buiten kenbaar gemaakte wil om als rechthebbende op te treden is voor het bestaan van bezit niet relevant. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn.

4.9.

De stelling van [gedaagden] dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de kapverdieping gaat niet op, alleen al omdat uit de uiterlijke omstandigheden naar verkeersopvattingen niet de wil van [gedaagden] kan worden afgeleid om als rechthebbenden op te treden. De toegangstrap naar de kapverdieping bevindt zich in het appartement van [gedaagden] en is aan het zicht van derden onttrokken, zodat van openbaar en ondubbelzinnig bezit geen sprake kan zijn. Hun niet nader onderbouwde stelling dat [naam eiser] de trap heeft gezien of had kunnen zien omdat hij wel eens in het appartement van [gedaagden] is geweest, leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit nog niet volgt dat [naam eiser] heeft gezien of had moeten zien dat [gedaagden] de kapverdieping in gebruik hebben genomen. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagden] op een andere manier ondubbelzinnig duidelijk hebben gemaakt dat zij de kapverdieping in bezit hebben genomen en als hun eigendom beschouwen. Op enig moment heeft [naam eiser] ontdekt wat er aan de hand was en daarna heeft hij, voor zover de verjaringstermijn van twintig jaar toen zou zijn gaan lopen, ruimschoots binnen het verstrijken van die termijn de onderhavige vorderingen ingesteld.

Conclusie primaire vordering [naam eiser]

4.10.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de primaire vordering van [naam eiser] in zoverre toewijzen dat [gedaagden] de kapverdieping moeten ontruimen.

4.11.

Omdat het begrip ontruiming nogal onbepaald is, zal de rechtbank concretiseren wat het ontruimen en ontruimd houden van de kapverdieping inhoudt. De kapverdieping mag niet langer bewoond worden en alle roerende zaken op de kapverdieping, waaronder de wasmachine, moeten verwijderd worden en blijven. De op de kapverdieping aangebrachte voorzieningen zoals de wastafel, de douchecabine en de slaapkamer mogen niet meer gebruikt worden. De kapverdieping mag uitsluitend nog worden betreden als dat nodig is voor onderhoudswerkzaamheden.

De rechtbank ziet geen grond om [gedaagden] daarnaast op te dragen de wastafel, de douchecabine en de slaapkamer op de kapverdieping te verwijderen, nu onduidelijk is welk belang [naam eiser] daarbij heeft. Ook de aanwezige installaties, waaronder de mechanische ventilatie en de radiator(en), hoeven daarom niet verwijderd te worden. Ten slotte zijn [gedaagden] niet gehouden om de trap vanuit hun appartement naar de kapverdieping te verwijderen en de kapverdieping af te sluiten. In zoverre zal de primaire vordering van [naam eiser] worden afgewezen. Daarbij is van belang dat de kapverdieping het gezamenlijk eigendom is van de eigenaars van de appartementen 1, 2 en 3, zodat zij in beginsel gezamenlijk bepalen wat er met de kapverdieping en de daar door [gedaagden] aangebrachte zaken moet gebeuren. [naam eiser] heeft geen vordering ingesteld tegen de eigenaar van appartement 1. Los daarvan valt niet zonder meer in te zien dat [naam eiser] er een gerechtvaardigd belang bij heeft dat de kapverdieping (ook voor hemzelf) niet langer toegankelijk is via een vaste trap, nu niet valt uit te sluiten dat op enig moment onderhoud nodig is aan de gemeenschappelijke gedeelten, zoals het dak en de kapverdieping of de daar aangebrachte voorzieningen, waaronder de mechanische ventilatie waarvan [naam eiser] naar de rechtbank begrijpt ook zelf gebruik maakt(e).

Het ligt in de rede dat de gezamenlijke eigenaars proberen om in goed overleg afspraken te maken over de kapverdieping. Zij mogen als eigenaars bijvoorbeeld afspreken om de eigendom of het gebruik van de kapverdieping anders te regelen.

4.12.

[gedaagden] hebben niet gesteld dat de gevorderde ontruiming op een termijn van veertien dagen onredelijk kort is. De rechtbank ziet desondanks aanleiding om in het belang van de huidige huurder(s) van de kapverdieping te bepalen dat de kapverdieping vóór 1 april 2021 ontruimd moet zijn.

4.13.

De door [naam eiser] gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag die [gedaagden] verbeuren indien zij in gebreke blijven met het ongedaan maken van de onrechtmatige situatie acht de rechtbank redelijk, wat ook geldt voor het gevorderde maximumbedrag van € 10.000,00. [gedaagden] hebben op dit punt geen verweer gevoerd.

Overige vorderingen in conventie
4.14. De gevorderde buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW, begroot op € 500,00, zijn als onweersproken toewijsbaar.

4.15.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten aan de zijde van [naam eiser] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 102,35

- griffierecht € 297,00

- salaris € 1.086,00 (2 punten x tarief € 543,00)

Totaal € 1.485,35

Het komt voor rekening en risico van [naam eiser] dat hij [gedaagden] niet gelijktijdig heeft gedagvaard en dat zijn vordering niet bij de bevoegde rechter is ingesteld. De kosten van het dagvaarden van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] , het in die zaak door [naam eiser] betaalde griffierecht en de extra kosten die [naam eiser] heeft gemaakt doordat zijn vordering bij de kantonrechter is ingesteld, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

De door [naam eiser] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

4.16.

De door [naam eiser] gevorderde nakosten van € 180,00, te weten € 90,00 in de zaak tegen [naam gedaagde 1] en € 90,00 in de zaak tegen [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] , zullen gelet op wat in 4.15 is overwogen worden toegewezen tot een bedrag van € 90,00.

De vorderingen in reconventie

4.17.

Vaststaat dat [naam verweerder] tot twee keer toe een gat heeft gezaagd vanuit zijn appartement naar de kapverdieping. Deze onrechtmatige handelwijze is niet aan te merken als een inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] , maar als een inbreuk op het gezamenlijke eigendomsrecht van de appartementseigenaren. Het verweer van [naam verweerder] dat het door hem beschadigde gedeelte van de vloer van de kapverdieping zijn eigendom is, gaat niet op; de kapverdieping is in haar geheel eigendom van de appartementseigenaren gezamenlijk. [naam verweerder] is aansprakelijk en gehouden de appartementseigenaren schadeloos te stellen. De gevorderde verklaring voor recht dat [naam verweerder] tegenover [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld zal daarom worden toegewezen.

4.18.

Volgens [eisers] kostte de reparatie van de vloer in februari 2017 € 3.146,00 (inclusief BTW). Daartoe hebben zij een door hen geaccepteerde offerte en een betalingsbevestiging van De Stroming overgelegd.

[naam verweerder] betwist tot betaling van dit bedrag gehouden te zijn, omdat de offerte onvoldoende gespecificeerd is. Bovendien ontbreekt iedere uitleg waarom op de gehele kapverdieping de vloerbedekking moest worden verwijderd en vervangen en een nieuwe ondervloer moest worden gelegd.

Naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting van [naam verweerder] had het op de weg van [eisers] gelegen hun vordering nader te onderbouwen, wat zij hebben nagelaten. Gelet op het evident onrechtmatige handelen van [naam verweerder] en nu gelet op de overgelegde foto’s op zichzelf vaststaat dat zijn handelen tot aanzienlijke schade heeft geleid, ziet de rechtbank aanleiding om de schade te begroten op een bedrag van € 2.000,00.

De proceskosten in reconventie

4.19.

[naam verweerder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden tot op heden op:

- salaris € 691,50 (1 punt (3 x 0,5) x tarief € 461,00

Hierin is mede begrepen een vergoeding voor de door [eisers] bij de kantonrechter ingediende incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagden] om vóór 1 april 2021 de kapverdieping op de in 4.10 van dit vonnis nader omschreven wijze te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] aan [naam eiser] te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 500,00;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.485,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van die vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten tot een bedrag van € 90,00;

in reconventie

5.5.

verklaart voor recht dat [naam verweerder] jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld door het beschadigen van de vloer van de kapverdieping in augustus 2016 en februari 2017;

5.6.

veroordeelt [naam verweerder] tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 2.000,00;

5.7.

veroordeelt [naam verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 691,50;

in conventie en in reconventie

5.8.

wijst af het anders of meer gevorderde;

5.9.

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. van der Waal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2020.

1451/3194/2294