Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
C/10/595669 / HA ZA 20-426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering in conventie. Loon uit arbeid. Einde van de arbeidsovereenkomsten. Verweer dat geen arbeid is verricht faalt. Loon uit opdracht. Tweede opdrachtbevestiging. Omvang werkzaamheden, bewijsopdracht. Vordering in reconventie. Onbehoorlijk bestuur vanwege aangaan koopovereenkomst, feitelijk einde van onderneming, aandeelhouder niet op behoorlijke wijze betrokken bij besluitvorming, schade. Schadestaatprocedure. Inzage btw-aangifte artikel 843a Rv afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/595669 / HA ZA 20-426

Vonnis van 25 november 2020

in de zaak van

[persoon A] eertijds h.o.d.n. ‘ [naam advocatenkantoor] ’,

wonende te [woonplaats A] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E. Walinga te Amsterdam,

tegen

1. [persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BARKARIS B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOEGBEELD B.V.,

gevestigd te Rhoon,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [persoon A] , [persoon B] , Barkaris en Boegbeeld genoemd worden. [persoon B] , Barkaris en Boegbeeld zullen hierna gezamenlijk [persoon B] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 april 2020, met producties 1 tot en met 22;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 23 tot en met 33;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 5 oktober 2020, met de stukken waarvan is vermeld dat zij in deze zaak nog zijn ingediend.

1.2.

De zaak is ter rolle gevoegd met de zaak tussen [persoon B] en [persoon A] (C/10/588178 / HA ZA 19‑1188), waarin heden ook uitspraak wordt gedaan.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[persoon B] houdt, op één na, alle aandelen in Boegbeeld. Boegbeeld is enig aandeelhouder van Barkaris. Barkaris exploiteert een jachthaven in Loosdrecht. Boegbeeld hield voorts alle aandelen in Kors B.V. (hierna: Kors), die op haar beurt aandelen hield de Pervascogroep, een samenstel van rechtspersonen die snoepgoed produceren en verhandelen.

2.2.

Bij beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 4 mei 2017 is [persoon B] geschorst als bestuurder van de vennootschappen binnen de Pervascogroep. Het gerechtshof heeft [persoon C] benoemd tot bestuurder met doorslaggevende stem en de aandelen die Boegbeeld hield in Kors aan een onafhankelijke derde in beheer gegeven.

2.3.

Op 5 mei 2017 heeft [persoon A] een opdrachtbevestiging op schrift gesteld, welke is ondertekend door [persoon A] (“hoogachtend”), [persoon B] (“voor akkoord”) en [persoon D] (“voor akkoord”). In de opdrachtbevestiging (hierna: de eerste opdrachtbevestiging) staat, voor zover van belang:

“(…)

Geachte heer [persoon B] ,

Met referte aan onze bespreking van 4 mei 2017, bevestig ik u hierbij dat u aan mij heeft opgedragen onderzoek te doen naar de verschillende strafbare feiten, waarvan u het slachtoffer bent geworden, die zijn gepleegd in de afgelopen jaren, waaronder valsheid in geschrift, oplichting, diefstal en verduistering. Dit om aangifte ervan mogelijk te maken, dan wel er op andere wijze (minnelijk) ervoor te zorgen dat u gecompenseerd wordt, door diegene die verantwoordelijk zijn voor de betreffende misdrijven, voor de daarmee verband houdende materiele en immateriële schade. Tevens vroeg u mij het ertoe te geleiden de betreffende misdrijven en de bedreigingen aan uw adres te stoppen.

Vanwege het feit dat mijn persoonlijke veiligheid door deze opdracht mogelijk gevaar loopt, het feit dat mijn onmiddellijke en onverdeelde aandacht noodzakelijk is om uw belangen naar behoren te behartigen, en het feit dat de verwachte tijdsbesteding in uren (zeker in het begin) naar verwachting (meer dan) dagvullend zal zijn, alsmede de spoedeisendheid van de opdracht (met onmiddellijke ingang), kwamen wij overeen dat ik in ieder geval de eerste drie maanden mijn spoedtarief in rekening zal brengen. De behandeling van uw zaak vindt derhalve plaats op basis van een betaling van € 350,- per uur exclusief 21% BTW en verschotten. (…)

(…)

Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk maandelijks te declareren.

(…)

Omdat uw financiële situatie het thans niet toestaat, zie ik af van het gebruikelijke voorschot om de kosten te dekken van uitgaven en te verrichten werkzaamheden. Ik zal mijn werkzaamheden onmiddellijk aanvangen. U zal evenwel, zoals toegezegd, zo spoedig mogelijk voor betaling van een voorschot en/of de dan openstaande facturen zorg dragen zodra dat mogelijk is.

(…)”

(productie 2 van [persoon A] )

2.4.

Er is een brief, gedateerd op 6 juli 2017 (hierna: de tweede opdrachtbevestiging), die het volgende vermeldt:

“TER HAND GESTELD

aan de heer [persoon B]

(…)

In de afgelopen periode heb ik wekelijks gemiddeld ruim 60 uur gedeclareerd. Daar het er naar uit ziet dat dit op korte termijn niet zal veranderen, zocht u naar een andere modaliteit van vergoeding die voor u de kosten zou drukken en die recht deed aan mijn inzet.

Overwegende dat er een grote overlap is tussen mijn huidige werkzaamheden voor u privé, Boegbeeld, Barkaris en, zij het in mindere mate, Bural, en het feit dat ik als bestuurder van Boegbeeld een sterkere positie zou hebben tegenover [persoon C] en [persoon E] dan als uw advocaat, deed u mij het hiernavolgende voorstel.

Per 7 juli 2017 (treed) ik in dienst als statutair directeur van Boegbeeld en Barkaris. Beide posities zijn voor 12 uur per week. Het salaris bedraagt in beide gevallen EUR 5.000 per maand.

Voorts declareer ik vanaf 7 juli 2017 vast 30 uur per week voor mijn advieswerkzaamheden. Deze uren declareer ik op basis van onze overeenkomst d.d. 5 mei jongstleden (bijlage).

(…)

[persoon A] ”

(productie 3 van [persoon A] )

2.5.

Op 7 juli 2017 is een onderhandse akte van arbeidsovereenkomst ondertekend door [persoon A] en, namens Boegbeeld, [persoon B] . Deze akte behelst, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Overwegende:

 dat de algemene vergadering van Werkgever (Boegbeeld, rechtbank) Werknemer ([persoon A] , rechtbank) per 7 juli 2017 voor onbepaalde tijd heeft benoemd in de functie van directeur en de bezoldiging heeft vastgesteld (…)

Artikel 1: indiensttreding

Werknemer treedt bij Werkgever in dienst met ingang van 7 juli 2017 (…)

Artikel 2: werkzaamheden

De functie van Werknemer is directeur, belast met het bestuur van Boegbeeld B.V. (…) Werknemer werkt gemiddeld 12 uur per week.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 3: loon

Lid 1

Het loon bedraagt bruto € 5.000,- (…) per maand. (…) Naast het loon heeft Werknemer recht op 24 vakantie dagen, een onkosten vergoeding voor (woon-werkverkeer) (…).

Lid 2

Werknemer ontvangt jaarlijks in de maand mei een vakantie-uitkering. De vakantie-uitkering wordt per maand opgebouwd door reservering van 8% over het ontvangen maandinkomen. (…)

Artikel 7: opzegtermijn

Zowel Werkgever als Werknemer zijn gerechtigd deze arbeidsovereenkomst te allen (tijde) te beëindigen. Opzegging dient schriftelijk te geschieden, tegen het einde van de maand. Partijen nemen een opzegtermijn in acht van 1 (maand).

Artikel 8: einde dienstverband vergoeding

Werkgever en Werknemer komen overeen dat bij einde dienstverband een vergoeding van 3 maandsalarissen wordt betaald door Werkgever aan Werknemer waarbij bruto is netto. Deze vergoeding is op datum uit dienst verschuldigd.

Artikel 9: bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering

Werkgever zal op naam van Werknemer een uitgebreide verzekering met betrekking tot wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid afsluiten. De kosten van deze verzekering komen volledig voor rekening van Werkgever.

(…)”

(productie 3 van [persoon A] , vet in origineel)

2.6.

Op 7 juli 2017 is een nagenoeg woordelijk gelijke akte van arbeidsovereenkomst ondertekend door [persoon A] en, namens Barkaris, [persoon B] . In deze akte zijn alleen de identiteit van de werkgever en de standplaats van de werknemer anders dan in de akte tussen [persoon A] en Boegbeeld.

2.7.

De jachthaven te Loosdrecht, kadastraal object Loosdrecht [kadastraal objectnummer 1] , [kadastraal objectnummer 2] en [kadastraal objectnummer 3] , was ten tijde van de bestuursperiode van [persoon A] bij Barkaris bezwaard met een recht van hypotheek en verschillende conservatoire en executoriale beslagen.

2.8.

Op of omstreeks 5 oktober 2017 heeft TMH Trucks Machines Holland Holding B.V. (hierna: TMH) als eerste hypotheekhouder een executieveiling van de jachthaven aangekondigd en een beroep gedaan op het huurbeding in de hypotheekakte jegens de huurder van de Jachthaven, [persoon F] h.o.d.n. [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ).

2.9.

Op 18 november 2017 hebben [persoon A] en [persoon D] een “voorstel” (hierna: het Voorstel) ondertekend waarin onder meer staat:

“(…)

 Verkoper: Barkaris B.V.

 Koper: [naam bedrijf] of nader te noemen meester (…)

 Het registergoed. [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] te Loosdrecht Kadastraal bekend onder gemeente Loosdrecht sectie [sectie] , nr [kadastraal objectnummer 1] , nr [kadastraal objectnummer 2] en nr [kadastraal objectnummer 3] .

 Prijs € 1.700.000,- (kosten koper) te vermeerderen met een ontwikkelingspremie als hierna uitgewerkt.

 Koop en levering: voor 6 december 2017 i.v.m. de aangezegde veiling.

 Levering vrij van beslagen. Zo nodig wordt meegewerkt aan een onderhandse levering vooruitlopend aan de veiling door inschakeling van Voorzieningenrechter.

(…)

 Verkoper continueert de exploitatie van het registergoed zoals heden wordt uitgevoerd. Als zodanig wordt verkoper huurder van het registergoed. De bestaande huurovereenkomsten tussen Verkoper en huurders blijven in stand. Verkoper zal een huur aan Koper betalen van € 150.000 per jaar. Huur maandelijks te voldoen.

 Ontwikkelingspremie. Koper is voornemens het registergoed te gaan ontwikkelen. Deze ontwikkeling betreft perceel 224. Partijen voorzien een ontwikkelingspotentie van ca € 4.000.000,-. (…) Naast boven vermeldde koopprijs zal Koper aan Verkoper ook een premie betalen gelijk aan 17,5 % van de door haar behaalde netto ontwikkelingswinst op het registergoed. Deze ontwikkelingswinst wordt alleen dan uitgekeerd aan Verkoper zolang [persoon B] , direct of indirect nog 100% aandeelhouder is van Barkaris B.V.

 Verkoper heeft een recht van terugkoop van het gehele registergoed binnen 9 maanden na aankoop door Koper tegen een prijs van 10% boven de aankoopprijs van koper plus kosten die zijn gemaakt door koper voor die aankoop en eventuele kosten die door koper zijn gemaakt tot behoud en/of onderhoud en eventuele kosten die door koper zijn gemaakt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het registergoed. Koper heeft de optie om het perceel 224 van deze terugkoopgarantie uit te sluiten In verband met de ontwikkeling ervan. Indien koper deze optie uitoefent (terugkoop zonder perceel 224)) zal bij een terugkoop door Verkoper, voor het restant, een bedrag betalen van € 1.400.000, verhoogd met 10%, plus kosten die zijn gemaakt voor die aankoop en eventuele kosten die door koper zijn gemaakt tot behoud en/of onderhoud van het registergoed.

(…)

 Verdere details uit te werken in de koopovereenkomst. (…)”

(productie 2 van [persoon B] )

2.10.

Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Barkaris is [persoon A] op 13 december 2017 vennootschapsrechtelijk ontslagen als bestuurder van Barkaris.

2.11.

Op 14 december 2017 heeft [naam bedrijf] Barkaris per brief aansprakelijk gesteld wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van het Voorstel. In de brief staat, voor zover relevant:

“(…)

Geachte heer [persoon A] ,

Geachte heer [persoon D] ,

(…)

Op 18 november 2017 bent u als bestuurder van de besloten vennootschap Barkaris B.V. een overeenkomst aangegaan met cliënte inzake de verkoop en levering van een aantal register goederen te Loosdrecht. (…) Partijen zijn daarbij de voorwaarden overeengekomen waaronder de register goederen voor een bedrag van € 1.700.000,- werden verkocht aan cliënte. (…)

Na ondertekening van voornoemde overeenkomst heeft u herhaaldelijk geweigerd uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken. (…) Uw weigering deze overeenkomst na te komen, leidt bij cliënte tot ernstige schade. (…)

Partijen hebben er altijd de voorkeur aan gegeven om met u tot een minnelijke oplossing te komen. Tot op heden is zulks echter niet mogelijk gebleken. Als allerlaatste voorstel heb ik namens cliënte afgelopen vrijdag 8 december 2017 bij uw advocaat een voorstel neergelegd waarbij u de (sterk beperkte) schade aan de zijde van cliënte tot een bedrag van € 37.500,- zou vergoeden waarbij deze betaling binnen 2 weken dient plaats te vinden. Cliënte zou daarna bereid zijn af te zien van verdere rechtsmaatregelen, waaronder een vordering tot nakoming dan wel het verhalen van haar daadwerkelijke schade en het leggen van beslag op voornoemde register goederen. Er werd geen reactie van u ontvangen. Wellicht ten overvloede, wijs ik u er nogmaals op dat dit schadebedrag de gemaakte kosten van cliënte niet dekt.

Namens cliënte stel ik u hierbij ten laatste male in de gelegenheid om het schikkingsvoorstel te accepteren. Indien ik niet voor uiterlijk vrijdag 15 december 17:00 uur de onvoorwaardelijke toezegging heb dat u binnen twee weken vanaf heden het (beperkte) schadebedrag van € 37.500,- aan cliënte vergoedt, ziet cliënte zich genoodzaakt verdere rechtsmaatregelen te treffen. (…)”

(productie 4 van [persoon B] )

2.12.

Er is een brief van 4 februari 2018, die luidt als volgt:

“(…)

Geachte heer [persoon A] , beste [voornaam persoon A] ,

Op 13 december 2017 is door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders besloten dat u niet langer als (statutair) directeur zult aanblijven. Wel is u gevraagd om als titulair directeur aan te blijven. De arbeidsovereenkomst d.d. 7 juli 2017 (…) blijft derhalve in stand. (…)

Met vriendelijke groet,

[persoon B] ”

(productie 4 van [persoon A] )

Deze brief is voorzien van een handtekening.

2.13.

Op 14 februari 2018 is het perceel, kadastraal bekend gemeente Loosdrecht, sectie [sectie] , nummer [kadastraal objectnummer 1] , op basis van een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland goedgekeurde overeenkomst verkocht en geleverd aan Del Prado voor een koopsom van € 1.400.000,00.

2.14.

Silica Investments B.V. (hierna: Silica) heeft de vordering op Barkaris van [naam bedrijf] overgenomen en op 9 april 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland Barkaris bij verstek veroordeeld tot betaling van € 1.100.000,00 aan Silica.

2.15.

Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Boegbeeld is [persoon A] op 8 augustus 2018 vennootschapsrechtelijk ontslagen als bestuurder van Boegbeeld.

2.16.

Bij vonnissen in kort geding van 21 juni 2019 (C/10/573684 / KG ZA 19-117 en C/10/573427 / KG ZA 19-400) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vorderingen tot betaling van achterstallig loon afgewezen. De voorzieningenrechter is ingegaan op de omvang van de loonvorderingen en heeft in beide zaken (vrijwel) gelijkluidend als volgt geoordeeld:

“(…)

4.4

Vast staat dat [persoon A] op geen enkel moment tijdens zijn dienstverband (…) loon heeft ontvangen. Hij stelt niet dat hij hierdoor in een financiële noodtoestand is komen te verkeren. Hij heeft ter zitting ook geen antwoord gegeven op de vraag naar zijn persoonlijke (financiële) omstandigheden op dit punt. Waarom [persoon A] met het instellen van zijn loonbetalingsvordering niet kan wachten op een uitspraak in een bodemprocedure, is dan ook niet duidelijk. (…)

4.7 (…)

Zijn spoedeisend belang heeft [persoon A] onvoldoende aannemelijk gemaakt. (…) Dat betekent dat de vorderingen worden afgewezen. (…)”

[persoon A] is veroordeeld in de proceskosten van € 5.010,00 per geding, welke kosten inmiddels zijn voldaan.

3. Het geschil

In conventie

Vorderingen

3.1.

[persoon A] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen in de proceskosten inclusief de nakosten, alsmede:

gedaagde onder 1 [persoon B]

I. te veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 331.494,63, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, onder verhoging van de wettelijke rente vanaf 8 februari 2018 dan wel ieder andere datum als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. (te) veroordelen tot een betaling aan eiser van een bedrag van € 364.904,- althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, onder verhoging van de wettelijke rente vanaf 8 februari 2018, dan wel (iedere) andere datum als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;

gedaagde onder 2 Barkaris

III. te veroordelen tot betaling aan eiser van de volgende bedragen voor de periode 7 juli 2017 - december 2017, respectievelijk januari 2018 - maart 2020

a. € 29.047 + € 135.000 (brutoloon)

b. € 2.324 + € 10.500 (bruto vakantiegeld)

c. € 15.685,50 + € 64.800 (wettelijke verhoging)

althans (telkens) een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, onder verhoging van de wettelijke rente, vanaf 6 augustus 2018 voor de bedragen verschuldigd over 2017 (€ 29.047 + € 2.324 + € 15.685,50), en voor de overige bedragen 7 dagen na de verschuldigdheid van elk bedrag, dan wel ieder andere datum als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;

gedaagde onder 3 Boegbeeld

IV. te veroordelen tot betaling aan eiser van de volgende bedragen voor de periode 7 juli 2017 - 7 augustus 2018

a. € 79.740 (brutoloon en vakantiegeld);

b. € 15.000 (netto ontslagvergoeding);

c. € 39.870 (wettelijke verhoging, bruto);

d. € 7.500 (wettelijke verhoging niet betaalde ontslagvergoeding, netto);

althans (telkens) een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, onder verhoging van de wettelijke rente, vanaf 6 augustus 2018 voor de bedragen verschuldigd over 2017 tot en met 7 augustus 2018 (€ 79.740 + € 15.000), en voor de overige bedragen vanaf 15 augustus 2018, dan wel ieder andere datum als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;

Alle gedaagden hoofdelijk

V. (te verklaren) voor recht dat gedaagden 1, 2, en 3 ( [persoon B] c.s.) aansprakelijk zijn uit hoofde van toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad als hiervoor uiteengezet, voor schade ontstaan als gevolg van het niet betalen van verschuldigd loon en vergoeding voor werkzaamheden en het blijvend ontkennen van de verschuldigdheid van een of meer van deze bedragen in en buiten rechte, nader op te maken in een schadestaatprocedure;

VI. (onder) verwijzing naar randnummers 41 en 42 gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 10.903,84 dan wel Barkaris en Boegbeeld ieder tot € 5.451,92 elk, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen;

VII. (in) de kosten van deze procedure (te veroordelen), inclusief de kosten voor het verzoeken en leggen van conservatoire beslagen, te voldoen binnen 14 dagen na de dag althans betekening van het in deze te wijzen vonnis en voor zover niet binnen die termijn voldaan te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van die termijn tot de dag der algehele voldoening;

VIII. (in) de nakosten (te veroordelen) van € 157 aan salaris advocaat indien binnen 14 dagen vrijwillig aan de veroordeling is voldaan alsmede de kosten van het exploit van betekening van het vonnis van € 82 indien betekening heeft plaatsgevonden, alsmede de wettelijke handelsrente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot aan de dag der voldoening.”

Vorderingen I en II: loon uit opdracht van [persoon B]

3.1.1.

[persoon A] stelt dat hij in opdracht van [persoon B] in de periode van 4 mei 2017 tot 7 juli 2017 totaal 782,75 uren heeft gewerkt voor een uurtarief van 350 euro per uur, exclusief 21% BTW. [persoon B] is derhalve een bedrag van € 331.494,63 verschuldigd. [persoon A] onderbouwt zijn vordering met een beschrijving van verrichte werkzaamheden, bezoekregistratie en registratie van telefoongesprekken.

3.1.2.

[persoon A] stelt verder dat op 7 juli 2017 de afspraak is gemaakt dat [persoon A] naast zijn bezoldiging als parttime bestuurder van Boegbeeld en Barkaris voor 12 uur per week elk, ook voor 30 uur per week conform de eerdere afspraak zou worden betaald door [persoon B] . [persoon A] stelt dat hij van 7 juli 2017 tot 31 januari 2018 conform deze afspraak werkzaamheden heeft gefactureerd en dat [persoon B] in totaal een bedrag van € 364.904,00 is verschuldigd.

Vordering III: loon uit arbeid voor Barkaris

3.1.3.

[persoon A] stelt dat hij op 7 juli 2017 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan met Barkaris. Daaruit vloeit het recht op loon voort, vermeerderd met vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente. Het dienstverband is voort blijven bestaan na het vennootschapsrechtelijke ontslag als bestuurder van Barkaris en loopt nog steeds. Mocht de rechtbank oordelen dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd, dan maakt [persoon A] aanspraak op doorbetaling van loon gedurende de opzegtermijn van een maand en de overeengekomen vergoeding voor het einde van het dienstverband.

Vordering IV: loon uit arbeid voor Boegbeeld

3.1.4.

[persoon A] stelt dat hij op 7 juli 2017 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan met Boegbeeld. Daaruit vloeit het recht op loon voort, vermeerderd met vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente. Het dienstverband is voort blijven bestaan tot het aandeelhoudersbesluit van 6 augustus 2018. [persoon A] maakt aanspraak op doorbetaling van loon gedurende de opzegtermijn van een maand en de overeengekomen vergoeding voor het einde van het dienstverband.

Vordering V: verklaring voor recht en schadevergoeding op te maken bij staat

3.1.5.

[persoon B] c.s. zijn toerekenbaar tekortgeschoten, dan wel hebben onrechtmatig gehandeld door niet het verschuldigde loon te betalen en te blijven ontkennen deze bedragen verschuldigd te zijn.

Vordering VI: vergoeding van proceskosten

3.1.6.

In de kortgedingprocedures (rechtsoverweging 2.16) heeft [persoon B] ontkend dat enige werkzaamheden zijn verricht door [persoon A] . Dit is de voornaamste reden dat de vorderingen van [persoon A] zijn afgewezen, waardoor hij werd veroordeeld in de kosten van de gedingen. De ontkenning van [persoon B] was onjuist en leugenachtig en er is zeer agressief gehandeld om de proceskosten te innen. [persoon A] heeft daarom recht op terugbetaling van de geïnde proceskosten en vergoeding van incassokosten.

Verweer

3.2.

[persoon B] c.s. voeren verweer, dat strekt tot afwijzing van alle vorderingen, met veroordeling, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [persoon A] in de kosten van het geding.

In reconventie

Vorderingen

3.3.

De vordering in reconventie luidt dat van de rechtbank wordt verlangd

“(…) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat [persoon A] zijn taak als bestuurder van Barkaris onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW;

b. [persoon A] (te) veroordelen om Barkaris te betalen een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans hem (te) veroordelen tot betaling aan Barkaris van EUR 1.100.000,, dan (wel) een in goede justitie te bepalen ander bedrag wat de rechtbank juist en rechtvaardig acht;

c. [persoon A] (te) veroordelen om [persoon B] inzicht te verschaffen in, en rekening en verantwoording af te leggen over (de locatie van, dan wel bruto en netto opbrengst van) alle zaken die hij onder zijn feitelijke macht (al dan niet middels derden) heeft verkregen, een en ander in de ruimste zin des woords, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere dag dat [persoon A] in gebreke blijft(;)

d. [persoon A] (te) veroordelen een afschrift van zijn BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2018 in het geding te brengen en de daarop betrekking hebbende specificaties, dan wel een verklaring van zijn accountant dienaangaande, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere dag dat [persoon A] in gebreke blijft(;)

[persoon A] (te) veroordelen in de kosten van het geding.”

3.4.

De eis in reconventie blinkt niet uit in duidelijkheid als het gaat om welke partij welke vordering instelt.

3.4.1.

Naar hun aard lijken vorderingen a en b vorderingen van alleen Barkaris te zijn, hoewel de aanhef van onderdeel 92 suggereert dat [persoon B] c.s. zich op een meerpartijenverrekening beroepen. Er wordt overigens voor een meerpartijenverrekening geen grondslag aangewezen, terwijl het Burgerlijk Wetboek geen uitkomst biedt; dat kent alleen een regeling voor een tweepartijenverrekening.

3.4.2.

Naar hun aard lijken vorderingen c en d vorderingen van alleen [persoon B] te zijn. In onderdeel 110 van de conclusie van eis in reconventie wordt gesteld dat op verzoeken van “ [persoon B] en zijn vennootschappen” tot het doen van rekening en verantwoording niet is gereageerd. Echter, er wordt niet duidelijk waarom die vennootschappen enig recht of belang hebben bij rekening en verantwoording over zaken die, volgens de stelling in onderdeel 107 van de conclusie van eis in reconventie, aan [persoon B] (en dus: in privé) toebehoren.

3.4.3.

Het is onduidelijk of Boegbeeld ook een vordering in reconventie instelt, hoewel deze wel als eiseres in reconventie is aangeduid. Geen van de vorderingen a tot en met d raakt duidelijk aan de positie van Boegbeeld. Voor een proceskostenveroordeling kan pas ruimte zijn als [persoon A] tegenover Boegbeeld in reconventie als in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt; zonder een inhoudelijke vordering is dat niet mogelijk.

3.4.4.

Deze onduidelijkheden komen voor rekening en risico van [persoon B] c.s. en dat heeft tot gevolg dat de rechtbank de vorderingen beperkt zal interpreteren. Zij gaat ervan uit dat vorderingen a en b alleen door Barkaris zijn ingesteld, vorderingen c en d alleen door [persoon B] en de – aan deze vier vorderingen accessoire – vordering tot proceskostenveroordeling alleen door [persoon B] en Barkaris. Omdat Boegbeeld in de kop van de conclusie van eis in reconventie wel als eisende partij is aangeduid, dient zij – nu er geen vordering is ingediend – niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Vorderingen a en b: onbehoorlijk bestuur en schade

3.5.

Barkaris stelt dat [persoon A] namens Barkaris een koopovereenkomst is aangegaan met [naam bedrijf] waarbij de jachthaven werd verkocht. Nu verkoop van de jachthaven het einde van de exploitatiemogelijkheden van Barkaris betekende had [persoon A] [persoon B] in zijn besluitvorming ter zake de verkoop moeten betrekken. Daarbij wist [persoon A] of behoorde hij redelijkerwijs te begrijpen dat de verkoopovereenkomst niet kon worden nagekomen, vanwege de vele beslagen op de Jachthaven. [persoon A] heeft desondanks geen voorbehoud met betrekking tot de beslagen opgenomen in de verkoopovereenkomst. Ook was de overeengekomen koopsom veel te laag. Door aldus te handelen is sprake van onbehoorlijk bestuur en voor de schade die Barkaris als gevolg daarvan heeft geleden is [persoon A] ex artikel 2:9 BW aansprakelijk. De schade wordt begroot op van € 1.100.000,00, te weten het bedrag dat Barkaris dient te betalen aan Silica ingevolge het verstekvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2018.

Vordering c: rekening en verantwoording

3.6.

[persoon B] stelt dat [persoon A] diverse kunstvoorwerpen van [persoon B] onder zich heeft gekregen of genomen. [persoon A] is in gebreke gebleven hierover rekening en verantwoording af te leggen en moet daartoe worden veroordeeld op straffe van een dwangsom.

Vordering d: btw-aangifte

3.7.

[persoon B] heeft recht en belang bij een afschrift van de btw-aangifte van [persoon A] , omdat mede aan de hand hiervan een oordeel kan worden gevormd omtrent de facturen die [persoon A] heeft gedateerd op 1 februari 2018. [persoon B] twijfelt eraan dat die facturen toen inderdaad zijn opgesteld.

Verweer

3.8.

[persoon A] voert verweer, dat strekt tot niet-toewijzing van alle vorderingen, met veroordeling, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [persoon B] c.s. in de kosten van het geding.

In conventie en in reconventie

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Tekst

4. De beoordeling

In conventie

Vorderingen III en IV: vorderingen uit arbeidsovereenkomsten met Barkaris en Boegbeeld

Aangaan van de arbeidsovereenkomsten

4.1.

De rechtbank verwerpt het betoog van Barkaris en Boegbeeld dat de arbeidsovereenkomsten fictief waren. Barkaris en Boegbeeld hebben niet voldaan aan hun stelplicht op dit punt, gelet op de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan bij onderhandse akten; de inhoud en ondertekening van de akten is niet betwist en zij leveren dus tussen partijen dwingend bewijs op van het bestaan van de arbeidsovereenkomsten;

  • -

    volgens de akten is de reden van het aangaan van de arbeidsovereenkomsten de benoeming van [persoon A] als bestuurder van Barkaris en Boegbeeld en tussen partijen staat vast dat deze benoeming heeft plaatsgevonden;

  • -

    tussen partijen is niet in geschil dat [persoon A] werkzaamheden heeft verricht als bestuurder van Barkaris. Dat partijen twisten over de omvang en kwaliteit daarvan, maakt dat niet anders. Het feit dat [persoon A] wordt aangesproken op de manier waarop hij namens Barkaris heeft gehandeld, is een erkenning dat hij namens Barkaris heeft gehandeld en dus werkzaamheden heeft verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat er loonstroken zijn uitgedraaid voor de arbeidsovereenkomst met Barkaris (zij het niet voor de gehele gestelde duur van de overeenkomst);

  • -

    zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen in het vonnis in kort geding tussen [persoon A] en Boegbeeld, is het verweer dat er geen enkele arbeid is verricht voor Boegbeeld ongeloofwaardig; de rechtbank neemt dit oordeel (rechtsoverweging 4.5, eerste en tweede alinea) over en maakt het tot het hare.

4.2.

Dat [persoon A] niet eerder aanspraak heeft gemaakt op uitbetaling van loon, maakt de arbeidsovereenkomsten nog niet fictief. Tussen partijen is niet in geschil dat het Barkaris en Boegbeeld aan voldoende liquide middelen ontbrak. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat [persoon A] in 2018 gezondheidsproblemen had. Dit zijn redenen die het laat instellen van loonvorderingen kunnen verklaren.

Beroep op vernietiging van de arbeidsovereenkomsten

4.3.

De rechtbank verwerpt het beroep op vernietiging van de arbeidsovereenkomsten.

4.3.1.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom het – gesteld – handelen in strijd met de gedragsregels advocatuur een grond voor nietigheid oplevert als bedoeld in artikel 3:40 BW. De rechtbank tekent daarbij aan dat de gedragsregels geen algemeen verbindende voorschriften zijn, maar slechts een “richtlijn voor de advocaat bij de uitoefening van de praktijk” (citaat afkomstig uit de toelichting bij de gedragsregels, http://regelgeving.advocatenorde.nl/content/gedragsregels-advocatuur).

4.3.2.

Voor een beroep op artikel 3:44 lid 4 BW hebben Barkaris en Boegbeeld te weinig gesteld.

4.3.2.1. Voor de rechtbank geldt als uitgangspunt dat [persoon B] niet beperkt is of was in zijn handelingsbekwaamheid, wat een belangrijke aanwijzing is dat hij in het algemeen moet worden geacht zijn wil voldoende te kunnen bepalen. Dat [persoon B] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten niet in staat was zijn wil te bepalen of als aandeelhouder de belangen van de vennootschappen te dienen, is gebleven bij een blote, niet onderbouwde stelling. Zeker gezien het tijdsverloop na de uitspraak van de ondernemingskamer (ruim twee maanden) kan van de eventuele paniek van de eerste dagen na die uitspraak bij [persoon B] in elk geval geen sprake meer zijn geweest.

4.3.2.2. Voorts is onvoldoende toegelicht waarom de kennis die [persoon A] volgens [persoon B] over zijn geestestoestand had moeten hebben, [persoon A] had moeten weerhouden van het aangaan van de arbeidsovereenkomsten. Voor zover hier wordt verwezen naar de gedragsregels voor de advocatuur, snijdt dit betoog geen hout. De norm van artikel 3:44 lid 4 BW is dat de kennis die de kwaadwillende heeft over de toestand van de ander, de kwaadwillende had moeten weerhouden. Of er andere redenen zijn die de kwaadwillende had moeten weerhouden (bijvoorbeeld een non-concurrentiebeding of, in dit geval – naar stelling van Barkaris en Boegbeeld – de gedragsregels advocatuur) is voor artikel 3:44 lid 4 BW niet van belang en kan dus niet leiden tot vernietiging.

Einde van de arbeidsovereenkomsten

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon A] vennootschapsrechtelijk ontslagen is als bestuurder van Barkaris per 13 december 2017 en als bestuurder van Boegbeeld per 6 augustus 2018. Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 15 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en ECLI:NL:HR:2005:AS2030) is de rechtbank van oordeel dat daarmee in beginsel ook de arbeidsovereenkomsten per die data zijn beëindigd. Met betrekking tot Boegbeeld is dit ook het standpunt van beide partijen.

4.5.

Met betrekking tot Barkaris beroept [persoon A] zich op het doorlopen van het dienstverband. Hij verwijst daarbij naar een brief van 4 februari 2018 (rechtsoverweging 2.12). De rechtbank oordeel hierover als volgt.

4.5.1.

Niet in geschil is dat het ontslag van 13 december 2017 is ingegeven door de verwijten die [persoon B] [persoon A] maakte met betrekking tot de verkoop van gronden van Barkaris door [persoon A] . In de pleitaantekeningen van Barkaris is dit verwoord als: “ [persoon B] was furieus” en dat is niet bestreden door [persoon A] . Bij die stand van zaken is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet te begrijpen dat [persoon A] wel vennootschapsrechtelijk zou zijn ontslagen, maar dat het niet de bedoeling was hem tevens arbeidsrechtelijk te ontslaan.

4.5.2.

De echtheid van de handtekening onder de brief van 4 februari 2018 is betwist en er is geen specifiek bewijsaanbod gedaan tot het verifiëren van die handtekening door middel van deskundigenonderzoek. Bovendien is de brief volgens de datering twee maanden na het ontslagbesluit opgesteld, in een periode dat [persoon A] , naar eigen zeggen, ziek was vanwege een ernstige val. Dat noopt tot een verklaring, die echter ontbreekt.

4.5.3.

Het betoog van [persoon A] is derhalve na betwisting door [persoon B] onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Omdat het reeds strandt op de stelplicht komt de rechtbank dus niet toe aan bewijslevering.

Verrichte arbeid

4.6.

Uit de arbeidsovereenkomsten vloeit de plicht voort loon te betalen. De arbeidsovereenkomsten kennen niet een variabel aantal uren te verrichten arbeid, maar een vast aantal uren volgens een vast rooster. [persoon A] kan dus volstaan met het stellen van de periode waarin de arbeidsovereenkomsten hebben gegolden.

4.7.

Het verweer dat geen loon verschuldigd is over een periode waarin de bedongen arbeid niet is verricht, is een bevrijdend verweer, dat voldoende gemotiveerd moet worden gesteld door de werkgever.

4.7.1.

Barkaris en Boegbeeld stellen dat er in het geheel geen loon verschuldigd is, omdat er in het geheel geen werkzaamheden zijn verricht door [persoon A] . De rechtbank verwerpt het betoog dat geheel geen arbeid verricht is, omdat het ongeloofwaardig is en verwijst naar hetgeen in rechtsoverweging 4.1 is geoordeeld.

4.7.2.

Het had dan ook op de weg van Barkaris en Boegbeeld gelegen om concreet te stellen in welke periodes wel arbeid is verricht en in welke periodes geen arbeid is verricht.

4.7.2.1. Voor zover Barkaris en Boegbeeld zich hebben willen beroepen op periodes waarop [persoon A] in detentie heeft verbleven, wordt dit beroep verworpen, omdat het onvoldoende gemotiveerd is. [persoon A] heeft in de dagvaarding erkend twee periodes in detentie te hebben verbleven, maar heeft daarbij gemotiveerd gesteld dat het opgebouwde verlofsaldo afdoende is om die periodes te dekken. Het had daarom op de weg van Barkaris en Boegbeeld gelegen hierop concreet te reageren, maar dat is nagelaten.

4.7.2.2. Het is de rechtbank niet duidelijk of Barkaris en Boegbeeld zich ook willen beroepen op een periode van ziekte van [persoon A] . De conclusie van antwoord (onderdeel 81) merkt daarover alleen iets op in verband met Barkaris. Echter, de arbeidsovereenkomst met Barkaris was eind 2017 al beëindigd, dus dat een ziekmelding binnen Barkaris niet bekend was, heeft geen betekenis. Het zegt ook niets over het standpunt van Boegbeeld. Bovendien geldt bij ziekte in elk geval een wettelijke loondoorbetalingsverplichting. Daarover is echter niets gesteld, noch heeft Boegbeeld iets opgemerkt over wat de arbeidsovereenkomst op dit punt vermeldt.

4.7.3.

De rechtbank komt al met al tot de conclusie dat als uitgangspunt het hele loon verschuldigd is over de periodes 7 juli 2017 tot en met 13 december 2017 (Barkaris) en 7 juli 2017 tot en met 6 augustus 2018 (Boegbeeld).

Niet in achtnemen van de opzegtermijn

4.8.

In artikel 7:672 lid 11 BW is bepaald welke financiële aanspraak bestaat als tegen een te vroege dag wordt opgezegd. Dit artikellid was, anders genummerd, ook al van kracht in 2017. In artikel 7:686a lid 4 BW is bepaald dat voor vorderingen op grond van deze bepaling een vervaltermijn van twee maanden geldt, te rekenen vanaf de datum van ontslag. Vaststaat dat deze termijn ruimschoots is overschreden en Barkaris en Boegbeeld hebben daar ook een beroep op gedaan. Reeds daarom kan geen vergoeding worden toegekend voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn. Overigens merkt de rechtbank op dat een dergelijke vordering bij verzoekschrift moet worden ingeleid (artikel 7:686a lid 2 BW). Toepassing van artikel 69 Rv is echter niet opportuun, nu dit tot niets kan leiden, en blijft daarom achterwege.

Beëindigingsvergoedingen

4.9.

In de vordering zoals omschreven aan het slot van de dagvaarding, is niet opgenomen dat een beëindigingsvergoeding wordt gevorderd van Barkaris. Kennelijk is dit ingegeven door het standpunt van [persoon A] dat de arbeidsovereenkomst met Barkaris voortduurt. In het tweede als 30 genummerde onderdeel van de dagvaarding heeft [persoon A] een vordering omschreven voor het geval de rechtbank zou oordelen dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Deze vordering is niet aan het einde van de dagvaarding opgenomen. Niettemin heeft Barkaris er wel op gereageerd (onderdeel 84 van de conclusie van antwoord). De rechtbank leidt hieruit af, dat ook Barkaris ervan uit is gegaan dat deze (voorwaardelijke) vordering is gedaan en constateert dat Barkaris in elk geval niet in haar belangen is geschaad doordat de (voorwaardelijke) vordering niet ook aan het slot van de dagvaarding is opgenomen. Aan de voorwaarde is voldaan met het oordeel in rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.5.3, zodat deze vordering kan worden beoordeeld.

4.10.

Partijen zijn een beëindigingsvergoeding overeengekomen in artikel 8 van de arbeidsovereenkomsten. Deze vergoeding is enkel afhankelijk van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, verder is zij onvoorwaardelijk. Voor de hand liggende voorbehouden, zoals verval of beperking van het recht bij een zeer kort dienstverband of beëindiging van het dienstverband vanwege verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zijn niet opgenomen. Kennelijk heeft partijen dus ook in die gevallen een beëindigingsvergoeding voor ogen gestaan. Aan dat uitgangspunt zijn Barkaris en Boegbeeld nu dus ook gebonden; dit is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.11.

Voor zover uit onderdeel 77 van de conclusie van antwoord een beroep van Barkaris en Boegbeeld op de vervaltermijn in artikel 7:686a lid 4 BW moet worden afgeleid, wordt dit beroep verworpen. In artikel 7:686a BW zijn regels opgenomen over het in rechte afdwingen van een wettelijke transitievergoeding. Daarvan is geen sprake: [persoon A] vordert nakoming van een verbintenis uit overeenkomst.

Wettelijke verhoging

4.12.

Vaststaat dat er tot op heden geen loon uit arbeidsovereenkomst is betaald. In beginsel heeft [persoon A] dan ook recht op de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 lid 1 BW. De rechtbank beperkt echter de wettelijke verhoging tot nihil, omdat dit haar billijk voorkomt naar de omstandigheden van dit geval. Doorslaggevend is dat [persoon A] er in het begin van zijn dienstverbanden feitelijk mee akkoord is gegaan dat zijn loon pas later zou worden uitbetaald omdat hij wist van de slechte liquiditeit van de ondernemingen en vervolgens lange tijd heeft getalmd om werkelijk stappen te zetten tot verkrijging van uitbetaling. Voor zover dit tijdsverloop mede is veroorzaakt door ziekte van [persoon A] , is dat een omstandigheid die voor zijn rekening moet blijven.

Wettelijke rente

4.13.

Barkaris en Boegbeeld hebben zich tegen de wettelijke rente slechts in zoverre verweerd, dat zij de hoofdsommen betwisten. De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat dit verweer slechts ten dele slaagt; een deel van de hoofdsommen is verschuldigd. In beginsel is dus ook wettelijke rente verschuldigd.

4.13.1.

Het is niet geheel duidelijk vanaf welke datum [persoon A] rente vordert van Barkaris. In onderdeel 29 van de dagvaarding wordt als datum 14 augustus 2018 genoemd, terwijl in de vordering 6 augustus 2018 wordt gehanteerd. De onduidelijkheid komt voor risico van [persoon A] , zodat de rechtbank uitgaat van 14 augustus 2018 als rentedatum. De aldus te begrijpen vordering is gegrond op de wet en wordt gedragen door de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd; zij wordt dan ook toegewezen zoals hierna omschreven.

4.13.2.

Het is ook niet geheel duidelijk vanaf welke datum [persoon A] rente vordert van Boegbeeld over de niet-betaalde ontslagvergoeding. In onderdeel 33 van de dagvaarding wordt 15 augustus 2019 genoemd, terwijl in de vordering 15 augustus 2018 wordt genoemd. De onduidelijkheid komt voor risico van [persoon A] , zodat de rechtbank uitgaat van 15 augustus 2019 als datum vanaf wanneer de wettelijke rente over de ontslagvergoeding wordt gevorderd. De aldus te begrijpen vordering is gegrond op de wet en wordt gedragen door de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd; zij wordt dan ook toegewezen zoals hierna omschreven.

4.13.3.

Als rentedatum met betrekking tot het door Boegbeeld niet-betaalde loon houdt [persoon A] 6 augustus 2018 aan, zijnde de datum van ingebrekestelling. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom het verzuim – dat voorwaarde is voor wettelijke rente – reeds zou zijn ingetreden op de dag van ingebrekestelling. De rechtbank houdt daarom, net als met betrekking tot de loonvordering op Barkaris, 14 augustus 2018 aan. De aldus te begrijpen vordering is gegrond op de wet en wordt gedragen door de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd; zij wordt dan ook toegewezen zoals hierna omschreven.

Verrekening

4.14.

De rechtbank merkt op dat er niet een heel duidelijk beroep op verrekening wordt gedaan in de conclusie van antwoord. In onderdeel 66 wordt alleen [persoon B] genoemd als degene die zich erop beroept. In onderdeel 92 lijkt voornamelijk een voorwaarde te worden genoemd voor het instellen van reconventie (waarvan overigens uit de behandeling ter zitting bleek, dat die anders zou moeten worden uitgelegd dan er staat). Uit onderdeel 116 kan alleen een verrekeningsberoep van Barkaris worden afgeleid.

4.15.

Wat daarvan ook zij, de rechtbank passeert het beroep op verrekening van Barkaris omdat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW). In reconventie wordt veroordeling tot de schadestaatprocedure gevorderd; kennelijk is ook Barkaris van mening dat die schade niet op eenvoudige wijze vast te stellen is.

4.16.

Het beroep op verrekening van Boegbeeld wordt gepasseerd omdat niet onderbouwd is welke tegenvordering Boegbeeld zou hebben op [persoon A] .

Slotsom

4.17.

Het dienstverband met Barkaris heeft 4,25 maanden geduurd. Als hoofdsom is derhalve aan brutoloon en vakantiegeld verschuldigd:

brutoloon: 4,25 × € 5.000,00 = € 21.250,00

bruto vakantiegeld: (4,25/12) × (8% × 12 × € 5.000,00) = € 1.700,00 +

totaal: € 22.950,00

Voorts is een beëindigingsvergoeding verschuldigd van € 15.000,00. Er is wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 augustus 2018.

4.18.

Het dienstverband met Boegbeeld heeft 13 maanden geduurd. Als hoofdsom is derhalve aan brutoloon en vakantiegeld verschuldigd:

brutoloon: 13 × € 5.000,00 = € 65.000,00

bruto vakantiegeld: (13/12) × (8% × 12 × € 5.000,00) = € 5.200,00 +

totaal: € 70.200,00

Voorts is een beëindigingsvergoeding verschuldigd van € 15.000,00. Er is wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 augustus 2018 over het loon en vakantiegeld en vanaf 15 augustus 2019 over de beëindigingsvergoeding.

4.19.

De veroordelingen van Barkaris en Boegbeeld zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De vordering hiertoe is gegrond op de wet en is niet weersproken door Barkaris en Boegbeeld.

Vorderingen I en II: loon uit opdracht van [persoon B]

Het verstrekken van de oorspronkelijke opdracht

4.20.

Niet in geschil is dat [persoon B] in mei 2017 [persoon A] opdracht heeft verstrekt.

4.21.

De rechtbank verwerpt het beroep op artikel 3:44 lid 4 BW.

4.21.1.

Niet in geschil is dat [persoon B] op 4 mei 2017 in een abnormale geestestoestand verkeerde en dat [persoon A] daarvan wist. [persoon B] wendde zich vervolgens tot een juridisch dienstverlener met het verzoek om hem juridische diensten te verlenen, teneinde zijn zaken weer op orde te krijgen. De rechtbank ziet niet in waarom [persoon A] een dergelijke opdracht had moeten weigeren. Immers, zoals reeds overwogen was [persoon B] niet beperkt in zijn handelingsbekwaamheid. Dat [persoon B] bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht niet in staat was zijn wil te bepalen is niet onderbouwd. Ook ziet de rechtbank niet in waarom [persoon A] niet het door hem gehanteerde spoedtarief overeen mocht komen. Vaststaat immers dat het de bedoeling van partijen was dat [persoon A] min of meer alles uit zijn handen zou laten vallen om direct en intensief aan de belangenbehartiging van [persoon B] te beginnen. Niet is gesteld of gebleken dat het spoedtarief op zichzelf buitenproportioneel hoog is, of ongebruikelijk in de markt.

4.21.2.

Artikel 3:44 lid 4 BW ziet op het verrichten van een rechtshandeling, in dit geval dus op het aangaan van de overeenkomst. Hoe die overeenkomst vervolgens is uitgevoerd is daarom niet van belang bij de beoordeling van een beroep op dit artikellid en kan hier buiten beschouwing worden gelaten.

De aanpassing van de opdracht per 7 juli 2017

4.22.

[persoon A] heeft verwezen naar de tweede opdrachtbevestiging (rechtsoverweging 2.4.). De rechtbank wijst erop dat dit een eenzijdige verklaring van [persoon A] is, die niet is meeondertekend door [persoon B] . Van een advocaat mag worden verwacht dat een gestelde vaste afspraak van 30 declarabele uren à € 350,00 exclusief btw (in totaal € 12.705,00 inclusief btw) elke week beter wordt vastgelegd dan met zijn eenzijdige verklaring. Ook had van een advocaat mogen worden verwacht dat nauwkeuriger zou worden vastgelegd welke werkzaamheden dan zouden worden verricht. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat [persoon A] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan ten aanzien van deze (nadere) overeenkomst.

Omvang werkzaamheden

4.23.

Buiten kijf staat dat [persoon A] werkzaamheden heeft verricht na het verstrekken van de opdracht door [persoon B] . Hoeveel uren [persoon A] aan welke werkzaamheden precies heeft besteed, is wel voorwerp van discussie.

4.23.1.

Het is de verantwoordelijkheid van [persoon A] om als professionele beroepsbeoefenaar de verrichte werkzaamheden nauwkeurig bij te houden. Dit geldt zowel voor het aantal uren als voor het in die tijd verrichte werk. Echter, loon bij opdracht is niet gekoppeld aan het registreren van werk, het is gekoppeld aan het verrichten van werk. Dat [persoon A] zijn verplichting tot nauwkeurige registratie niet is nagekomen komt zijn bewijspositie niet ten goede, maar tast de verbintenis tot betaling van loon niet aan.

4.23.2.

Het is aan [persoon A] , die nakoming van de overeenkomst vordert, om te stellen hoeveel uur hij ter uitvoering van de opdracht heeft gewerkt en wat hij daarin heeft gedaan. Aan die stelplicht heeft [persoon A] voldaan.

4.23.3.

Het is vervolgens aan [persoon B] om de stellingen van [persoon A] te betwisten. Dat heeft [persoon B] in voldoende mate gedaan, zodat niet is komen vast te staan dat [persoon A] alle uren heeft gewerkt waarvan hij thans betaling vordert.

4.23.4.

[persoon A] zal worden opgedragen bewijs te leveren van de hoeveelheid uren die hij heeft gewerkt binnen de opdracht van [persoon B] , zoals omschreven in de opdrachtbevestiging van 5 mei 2017. Een klemmend punt daarbij is dat vanaf 7 juli 2017 [persoon A] niet alleen werkzaamheden voor [persoon B] in privé verrichtte, maar óók in dienst was van Barkaris en Boegbeeld. Met betrekking tot de periode waarin [persoon A] niet alleen in opdracht van [persoon B] handelde, maar ook in dienst was van Barkaris en Boegbeeld, zal [persoon A] dus niet kunnen volstaan met aantonen dat hij heeft gewerkt. Hij zal moeten aantonen dat hij naast zijn werkzaamheden voor Barkaris en Boegbeeld werkzaamheden heeft verricht die onder de opdracht vallen en ook moeten aantonen hoeveel tijd daarmee specifiek gemoeid was.

4.24.

In afwachting van bewijslevering houdt de rechtbank de beslissing op vorderingen I en II aan.

Verweren met betrekking tot de kwaliteit van de werkzaamheden

4.25.

De verbintenis die [persoon B] is aangegaan, is betaling van een uurtarief voor verrichte werkzaamheden. Voor toewijzing daarvan is voldoende dat komt vast te staan hoeveel uur besteed is aan werkzaamheden die vallen binnen de omvang van de opdracht. Dit is het onderwerp van de zojuist besproken bewijsopdracht.

4.26.

Voor zover [persoon B] zich beklaagt over de kwaliteit van de werkzaamheden, voert hij impliciet een (bevrijdend) verrekeningsverweer. Daarvoor draagt [persoon B] steltplicht en bewijslast. Bovendien kan het met toepassing van artikel 6:136 BW worden gepasseerd indien de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze vast te stellen is. Dat is het geval, omdat een oordeel over de kwaliteit van het geleverde werk bewijslevering vergt. De rechtbank passeert dan ook alle verweren met betrekking tot de kwaliteit van de werkzaamheden van [persoon A] .

Vordering VI: terugbetaling van proceskosten, geïncasseerd in kort geding

4.27.

[persoon A] vordert vergoeding van proceskosten (en daarmee gemoeide incassokosten die kennelijk aan [persoon A] in rekening zijn gebracht) die hij na de kortgedingvonnissen aan Barkaris en Boegbeeld heeft moeten voldoen.

4.28.

De rechtbank heeft hierboven geciteerd uit rechtsoverwegingen 4.4 en 4.7 van de kortgedingvonnissen (rechtsoverweging 2.16). Daarin is geoordeeld dat [persoon A] zijn spoedeisend belang niet aannemelijk heeft gemaakt. Die omstandigheid kan het afwijzen van de vorderingen – en daarmee de veroordelingen in de proceskosten – zelfstandig dragen. Het is een omstandigheid die geheel voor rekening en risico van [persoon A] komt, zodat de vorderingen reeds hierom moeten worden afgewezen.

Vorderingen V, VII en VIII: verklaring voor recht en proceskosten

4.29.

De rechtbank houdt de beslissing op deze vorderingen aan.

In reconventie

Vorderingen a en b: onbehoorlijk bestuur en schade

4.30.

Barkaris stelt dat [persoon A] met [naam bedrijf] een koopovereenkomst heeft gesloten waarbij de jachthaven van Barkaris aan [naam bedrijf] werd verkocht. Barkaris stelt dat in dat verband sprake is van onbehoorlijk bestuur door [persoon A] . [persoon A] betwist dat een koopovereenkomst ter zake de jachthaven tot stand is gekomen zodat de rechtbank allereerst dit punt zal beoordelen.

4.31.

Volgens artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod van de ene partij en een daarop aansluitende aanvaarding van de andere partij. De totstandkoming van een overeenkomst vereist wilsovereenstemming tussen partijen over de essentiële onderdelen van de overeenkomst. Tot de essentialia van een koopovereenkomst behoren in beginsel het object en de koopprijs. Bij de beoordeling van de vraag of onderhandelende partijen een overeenkomst hebben gesloten komt het er verder aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

4.32.

Uit het Voorstel van 18 november 2018 (rechtsoverweging 2.9) blijkt dat aan [persoon A] , in zijn hoedanigheid als bestuurder van Barkaris B.V., een voorstel is gedaan en dat hij dit voorstel heeft geaccepteerd. De inhoud van dit voorstel was dat Barkaris een aantal registergoederen zou verkopen aan [naam bedrijf] . Concreet ging het, zo blijkt uit het Voorstel, om de percelen gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] t/m [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] te Loosdrecht. De kadastrale aanduidingen van de percelen staan in het voorstel vermeld. Aldus was het te verkopen object nauwkeuring omschreven. In het Voorstel staat als prijs een bedrag van € 1.700.000,00 kosten koper vermeld, te vermeerderen met een ontwikkelingspremie. De ontwikkelingspremie is vastgesteld op 17,5% van de door koper behaalde netto ontwikkelingswinst op het registergoed. Hiermee is ook de koopprijs tussen partijen concreet vastgesteld in het Voorstel. Het Voorstel bevat nog een aantal verdere bepalingen waarin de koop nader wordt uitgewerkt. Zo is als datum van levering opgenomen: “voor 6 december 2017…”. Daarnaast is in het Voorstel een (beknopte) omschrijving van het depot, de verkoopgaranties en een bepaling omtrent de bestaande huurovereenkomsten en het recht op terugkoop opgenomen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de essentialia van de koopovereenkomst, waarbij overigens eveneens de voornaamste, ondergeschikte punten in het Voorstel zijn afgekaart. De rechtbank concludeert dan ook dat tussen Barkaris en [naam bedrijf] met het Voorstel een koopovereenkomst tot stand is gekomen.

4.33.

Vervolgens is de vraag of, door het aangaan van de koopovereenkomst, sprake is van onbehoorlijk bestuur van [persoon A] . In artikel 2:9 lid 1 BW is bepaald dat elke bestuurder tegenover de vennootschap is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult, te weten op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen. Indien de bestuurder zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is hij jegens de rechtspersoon aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van de tekortkoming lijdt. Bij de beantwoording van die vraag dienen omstandigheden van het geval worden betrokken.

Stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit het onbehoorlijk bestuur en de ernstige verwijtbaarheid volgen, liggen in beginsel bij de rechtspersoon, in dit geval Barkaris.

4.34.

Barkaris stelt dat zij haar bedrijf maakte van de exploitatie van de jachthaven die zich bevond op de percelen die object waren van de verkoopovereenkomst met [naam bedrijf] . De verkoop van deze percelen betekende in feite het einde van de exploitatiemogelijkheden en daarmee het einde van Barkaris. Weliswaar was in de verkoopovereenkomst de mogelijkheid opgenomen voor Barkaris om de jachthaven terug te huren, echter gelet op de overeengekomen huurprijs van € 150.000,00 en de gemiddelde jaarlijkse omzet van Barkaris, te weten € 100.000,00, was dit geen reële optie. Dat de verkoop van de percelen in feite het einde van Barkaris zou betekenen heeft [persoon A] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. [persoon A] stelt slechts dat als de situatie – naar de rechtbank begrijpt, de financiële situatie – van Barkaris weer op orde zou zijn terugkoop van de jachthaven haalbaar was en dat met de inkomsten uit de jaarplaatsen de huur van de jachthaven was te financieren. Ook zou op termijn een herfinanciering van de jachthaven tot de mogelijkheden behoren, aldus [persoon A] . Een onderbouwing of concretisering van dit standpunt ontbreekt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, nu met de koopovereenkomst met [naam bedrijf] alle eigendommen van Barkaris verkocht werden, feitelijk een einde is gekomen aan de door Barkaris gevoerde onderneming. Dat er een mogelijkheid was dat de jachthaven kon worden terug gehuurd of gekocht maakt dit niet anders omdat niet gebleken is van een concreet en financieel haalbaar plan tot terugkoop of huur van de jachthaven.

4.35.

Nu vaststaat dat met de verkoop van de jachthaven een einde kwam aan de exploitatiemogelijkheden van Barkaris is het volgende van belang. Volgens vaste jurisprudentie van de Ondernemingskamer kan niet worden aanvaard dat het bestuur van een vennootschap al haar activa vervreemdt – en daarmee in feite een einde maakt aan de door haar in stand gehouden onderneming – zonder daaraan voorafgaand haar aandeelhouders op een behoorlijke wijze in de besluitvorming daaromtrent te betrekken. Zodanige besluitvorming behoort immers het resultaat te zijn van overleg en, naar inhoud en wijze van totstandkoming te stroken met de redelijkheid en billijkheid die betrokkenen bij de rechtspersoon jegens elkaar in acht hebben te nemen (ECLI:NL:GHAMS:2018:1444).

[persoon B] stelt pas in december 2018 over de verkoop van de jachthaven te zijn ingelicht. [persoon A] stelt dat hij dit in november 2018 heeft gedaan, maar onduidelijk is of dit voor of na het sluiten van de koopovereenkomst is geweest. Ongeacht de vraag wanneer [persoon A] [persoon B] heeft ingelicht staat echter wel vast dat [persoon A] [persoon B] niet bij de besluitvorming omtrent de verkoop van de jachthaven heeft betrokken, hetgeen immers meer omvat dan het enkel inlichten omtrent de verkoop. [persoon A] heeft dit ter zitting verklaard. Hierbij heeft [persoon A] aangevoerd dat hij dit niet heeft gedaan omdat [persoon B] “vaker zijn kont tegen de krib gooide”.

Derhalve staat vast dat [persoon A] niet heeft voldaan aan het vereiste dat in het geval een vennootschap met het vervreemden van haar activa in feite een einde maakt aan de door haar in stand gehouden onderneming, haar aandeelhouders op behoorlijke wijze in de besluitvorming betrekt.

4.36.

Hetgeen [persoon A] heeft aangevoerd – kort samengevat: de verkoop was slechts een constructie om een dreigende executieveiling af te wenden – ontsloeg hem niet van de verplichting [persoon B] bij de verkoop van de jachthaven te betrekken. Dat [persoon A] dit heeft nagelaten klemt te meer nu hij wist of althans vermoedde dat [persoon B] het niet eens zou zijn met de verkoop van de jachthaven. Immers, dat [persoon B] “vaker zijn kont tegen de krib gooide” was juist de reden dat hij hem niet bij dit proces wilde betrekken. Daarbij komt dat de in de verkoopovereenkomst opgenomen koopsom van € 1,7 miljoen euro voor de jachthaven niet marktconform was. Barkaris heeft gemotiveerd gesteld dat uit een taxatie was gebleken dat de waarde van de jachthaven ten minste € 4 miljoen euro bedroeg en in onderdeel 20 van de conclusie van antwoord in reconventie staat vermeld dat [persoon A] zeer goed wist dat “de waarde” (van de jachthaven) “veel hoger was” (dan de overeengekomen koopsom). Daarbij komt dat [persoon A] de koopovereenkomst is aangegaan zonder een voorbehoud op te nemen omtrent de beslagen, terwijl er een reëel risico was dat Barkaris de overeengekomen levering vrij van beslagen niet zou kunnen nakomen.

4.37.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, sprake van onbehoorlijk bestuur door [persoon A] als bedoeld in artikel 2:9 lid 1 BW. [persoon A] is een koopovereenkomst aangegaan die het einde van de onderneming zou betekenen zonder dat hij de aandeelhouder hierbij betrokken heeft; hij is een veel te lage koopsom overeengekomen en hij is overeengekomen dat er geleverd zou worden vrij van beslagen, terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit niet mogelijk was. Aldus heeft [persoon A] niet gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht en valt hem daarvan een ernstig verwijt te maken. Ingevolge het tweede lid van artikel 2:9 BW is [persoon A] jegens Barkaris aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van het onbehoorlijk bestuur lijdt. De vraag of de medebestuurder van [persoon A] eveneens voor deze schade is aangesproken doet anders dan [persoon A] meent niet ter zake, nu iedere bestuurder voor het geheel aansprakelijk is ter zake onbehoorlijk bestuur.

4.38.

Gelet op het voorgaande zal de gevorderde verklaring voor recht dat [persoon A] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW worden toegewezen. Eveneens zal [persoon A] , zoals gevorderd, worden veroordeeld tot betaling van de schade die Barkaris als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat. De vraag naar de omvang van die schade, waarbij eveneens relevant is of sprake is van een causaal verband tussen de schade en het onbehoorlijk bestuur door [persoon A] zoals hier is vastgesteld, zal in de eventuele schadestaatprocedure moeten worden beoordeeld. Daarbij kan ook aan de orde komen in welke mate Barkaris heeft bijgedragen aan de hoogte van de schade. Het debat hierover is in deze procedure onvoldoende gevoerd om tot een oordeel te komen.

Vordering c: rekening en verantwoording

4.39.

Op basis van de stellingen van [persoon B] kan de rechtbank geen wettelijke of contractuele grondslag aanwijzen waar vordering c op kan worden gebaseerd. [persoon B] heeft derhalve niet aan zijn stelplicht voldaan en de vordering wordt reeds daarom afgewezen.

Vordering d: btw-aangifte

4.40.

Een vordering tot afschrift van of inzage in bescheiden is slechts toewijsbaar indien aan de drie in het eerste lid van artikel 843a Rv genoemde voorwaarden is voldaan. Dat wil zeggen dat:

  1. de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, een rechtmatig belang heeft bij afschrift of inzage daarvan,

  2. de vordering betrekking heeft op “bepaalde” bescheiden en

  3. de bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij degene die afschrift of inzage vordert partij is.

Daarnaast mag zich geen van de in de leden 3 en 4 van artikel 843a Rv vervatte uitzonderingen voordoen, te weten dat:

hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, niet gehouden is aan de vordering te voldoen indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn,

degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn,

degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.41.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie onder f zich voordoet. Zoals in conventie al is geoordeeld, is het aan [persoon A] om te bewijzen dat hij werkzaamheden heeft verricht waarop zijn vordering kan worden gebaseerd. Bij de beoordeling van het door [persoon A] te leveren bewijs zou de btw-aangifte een rol kunnen spelen en hij zou deze ter onderbouwing van zijn stellingen kunnen gebruiken. Doet hij dit, om welke reden dan ook, niet, dan komt dat voor zijn rekening en risico. Deze vordering wordt derhalve afgewezen.

proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad

4.42.

[persoon A] is ten opzichte van Barkaris de in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van Barkaris. Deze worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.086,00

4.43.

[persoon B] en Boegbeeld zijn ten opzichte van [persoon A] de in het ongelijk gestelde partij en worden daarom veroordeeld in de proceskosten van [persoon A] . Deze worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.086,00

4.44.

Over en weer is gevorderd of verzocht dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Ook is gevorderd de veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit alles is gegrond op de wet en niet door de wederpartij weersproken. Derhalve zal de rechtbank deze drie veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

eindbeslissingen

5.1.

wijst vordering III gedeeltelijk toe:

5.1.1.

veroordeelt Barkaris om aan [persoon A] te betalen € 22.950,00 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 14 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

5.1.2.

veroordeelt Barkaris om aan [persoon A] te betalen € 15.000,00 netto aan beëindigingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 14 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

wijst vordering III voor het overige af;

5.3.

wijst vordering IV gedeeltelijk toe:

5.3.1.

veroordeelt Boegbeeld om aan [persoon A] te betalen € 70.200,00 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 14 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

5.3.2.

veroordeelt Boegbeeld om aan [persoon A] te betalen € 15.000,00 netto aan beëindigingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 15 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling;

5.4.

wijst vordering IV voor het overige af;

5.5.

wijst vordering VI af;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordelingen onder 5.1.1, 5.1.2, 5.3.1 en 5.3.2 betreft;

andere beslissingen

5.7.

draagt [persoon A] bewijs op zoals omschreven in rechtsoverweging 4.23.4;

5.8.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 december 2020 voor uitlating door [persoon A] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel;

5.9.

bepaalt dat [persoon A] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

5.10.

bepaalt dat [persoon A] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart 2021 tot en met mei 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.11.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. drs. J. van den Bos in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125;

5.12.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.13.

houdt iedere verdere beslissing op vorderingen I, II, V, VII en VIII aan;

in reconventie

eindbeslissingen

5.14.

verklaart voor recht dat [persoon A] zijn taak als bestuurder van Barkaris onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW en veroordeelt [persoon A] om aan Barkaris te vergoeden de als gevolg daarvan geleden schade, nader op te maken bij staat;

5.15.

verklaart Boegbeeld niet-ontvankelijk als eiseres in reconventie;

5.16.

veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, aan de zijde van Barkaris tot op heden begroot op € 1.086,00;

5.17.

veroordeelt [persoon B] en Boegbeeld in de proceskosten, aan de zijde van [persoon A] tot op heden begroot op € 1.086,00;

5.18.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordelingen onder 5.14, 5.16 en 5.17 betreft;

5.19.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos, mr. drs. S.M. den Hollander en mr. H. Wielhouwer en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020.

[1407 / 2872 / 2710]