Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11301

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
10/224408-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende woningoverval op 98 jarige man.

Gevangenisstraf 6 jaar en 6 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/224408-19

Datum uitspraak: 8 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. B.L.M. Ficq, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen op 24 december 2019, voortgezet op 17 maart 2020 en hervat, opnieuw aangevangen en gesloten op 3 juni 2020. Bij tussenvonnis van 17 juni 2020 is het onderzoek heropend, hervat en vervolgens voortgezet op achtereenvolgens 8 juli 2020, 30 september 2020 en 24 november 2020.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 juni 2020, 17 juni 2020, 8 juli 2020 en 24 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 24 december 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

4. Bewijsverweren feit 1

Standpunt verdediging

De verdachte moet van de onder 1 ten laste gelegde woningoverval (overval) worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte een van de daders van die overval is. Uit het feit dat op twee plekken in de woning het DNA van de verdachte is aangetroffen, kan niet worden afgeleid dat de verdachte de overval heeft gepleegd. Daarnaast komen het door het slachtoffer gegeven signalement en de verdere beschrijving van de daders van de overval niet overeen met dat van de verdachte. Verder kan uit het feit dat de telefoon van de verdachte de ochtend van de overval in de nabijheid van de woning heeft aangestraald, niet worden afgeleid dat de verdachte op dat moment de gebruiker van die telefoon was. Dat zou ook een andere persoon kunnen zijn. De verdachte was op de ochtend van de overval ergens anders.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

De ten laste gelegde overval vond plaats op 18 mei 2019 in de woning van het slachtoffer te Krimpen aan den IJssel. De overval is gepleegd door twee mannen.

Toen het slachtoffer de knip van de voordeur van zijn woning naar achteren trok werd de voordeur gelijk met kracht opengeduwd door de overvallers en zijn de overvallers de woning binnengedrongen.

In de woning van het slachtoffer heeft een van de overvallers handschoenen aangetrokken. Na de overval is in de woning van het slachtoffer een handschoen aangetroffen. In de bemonstering van de binnenkant van die handschoen is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat (1 op 1 miljard) matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

De overvallers hebben het slachtoffer, dat een badjas droeg, bij zijn armen gepakt. In een bemonstering van een van de mouwen van de badjas van het slachtoffer is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat (1 op 170 miljoen) matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

De verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] kennen elkaar.

[naam medeverdachte] heeft op de terechtzitting als getuige verklaard dat hij op de ochtend van de overval samen met een andere man naar de woning van het slachtoffer is gegaan met de bedoeling om daar te gaan stelen. Ze zijn naar de woning gereden met de auto van de verdachte. De handpalmafdruk van [naam medeverdachte] , die na de overval op de buitenzijde van de voordeur van de woning van het slachtoffer is aangetroffen, is daar terecht gekomen doordat hij toen de voordeur heeft aangeraakt. [naam medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij heeft gezien dat de persoon met wie hij was handschoenen uit de auto heeft meegenomen naar de woning van het slachtoffer.

De overval vond plaats op 18 mei 2019, vanaf omstreeks 09:22 uur. De woning van het slachtoffer is gelegen aan de [adres delict 1] te Krimpen aan den IJssel.

De destijds bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon met het nummer [gsm-nummer 1] heeft op 18 mei 2019 tussen 09:07:37 uur en 09:08:38 uur gebruik gemaakt van een zendmast op de [adres] te Krimpen aan den IJssel. Deze zendmast valt binnen het bereik van de woning van het slachtoffer Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan het, ondanks de hieronder te bespreken verweren die zijn gevoerd en hetgeen medeverdachte [naam medeverdachte] verder heeft verklaard, niet anders zijn dan dat de verdachte zich samen met medeverdachte [naam medeverdachte] als mededader heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde woningoverval.

De verklaring van [naam medeverdachte] dat niet de verdachte maar iemand anders, iemand van wie hij de naam niet wil noemen, de persoon is met wie hij naar de woning van het slachtoffer is gegaan, wordt niet geloofwaardig geacht. Evenmin wordt geloof gehecht aan de verklaring van [naam medeverdachte] dat hij en die andere persoon enkele uren voorafgaand aan de overval hun poging om daar in te breken voortijdig zouden hebben gestaakt en dat hij ( [naam medeverdachte] ) en de verdachte niet in de woning zijn geweest. Dit verdraagt zich niet met het feit dat het DNA van de verdachte is aangetroffen in de woning van het slachtoffer en het feit dat de telefoon van de verdachte korte tijd voorafgaande aan de overval aanstraalde op een zendmast in de nabijheid van de woning van het slachtoffer in Krimpen aan den IJssel.

De verdediging heeft betoogd dat het slachtoffer bij zijn aangifte en later ook bij de rechter-commissaris een signalement en een verdere beschrijving heeft gegeven van de daders van de overval die niet overeenkomt met het signalement van de verdachte. De daders zouden Nederlandse jongens zijn die zonder accent spraken, terwijl de verdachte volgens de verdediging spreekt met een Marokkaans accent. Daarnaast heeft het slachtoffer niet verklaard dat één van de daders een bril droeg, terwijl de verdachte volgens de verdediging altijd een bril draagt. Met betrekking tot dit verweer wordt het volgende opgemerkt.

Op zichzelf is juist dat het slachtoffer heeft verklaard dat de daders Nederlandse jongens waren die zonder accent spraken en dat het slachtoffer niet heeft gezien, althans dat niet in de aangifte is opgenomen, dat een van de daders een bril droeg. Hierin wordt evenwel geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het daderschap van de verdachte. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de aangifte blijkt dat de beide daders hun gezicht grotendeels hadden bedekt en dat het hoogbejaarde slachtoffer zich op dat moment in een voor hem zeer beangstigende situatie bevond. De rechtbank heeft daarnaast uit eigen waarneming vastgesteld dat beide verdachten goed Nederlands spreken en dat de montuurloze bril die de verdachte naar eigen zeggen ook in de periode rond het tenlastegelegde droeg, bij een eerste aanblik weinig opvalt.

Aan de verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat hij op de ochtend van de overval in Rotterdam (en niet in Krimpen aan den IJssel) was en dat hij zijn telefoon met het nummer [gsm-nummer 1] niet bij zich had maar dat deze in de auto was blijven liggen die hij die dag had uitgeleend aan medeverdachte [naam medeverdachte] , wordt geen geloof gehecht. Uit de historische telecomgegevens volgt immers dat het telefoonnummer van de verdachte op 18 mei 2019 om 09:08 uur – zij het kort – contact heeft met het telefoonnummer [gsm-nummer 2] , welk nummer op dat moment in gebruik was bij [naam vriendin verdachte] , de vriendin van de verdachte. Medeverdachte [naam medeverdachte] , aan wie de auto met daarin de telefoon zou zijn uitgeleend, heeft als getuige op de terechtzitting verklaard dat hij toen geen contact heeft gehad met verdachtes vriendin. Hij heeft ontkend dat hij gebruik heeft gemaakt van de telefoon van de verdachte. Bovendien is de verdachte pas op de terechtzitting van 3 juni 2020 voor het eerst gekomen met deze verklaring over het uitlenen van zijn auto met daarin zijn telefoons.

Het verweer van de verdediging dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet kunnen bijdragen tot het bewijs wordt verworpen. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat de beide onderzochte DNA-profielen mengprofielen zijn met tevens DNA van een niet geïdentificeerde andere persoon. Dit doet evenwel niet af aan het feit dat de monsters waaruit de DNA-profielen zijn getrokken beide ook DNA van de verdachte bevatten.

Tot slot merkt de rechtbank het volgende op. In deze zaak zijn verklaringen afgelegd door een getuige die door de rechter-commissaris als bedreigde getuige is aangemerkt en die als zodanig is gehoord. Deze bedreigde getuige heeft verklaard dat hij of zij weet dat de verdachte één van de daders van de woningoverval is. De verdediging heeft betoogd dat deze verklaring niet betrouwbaar is en daarom niet mag worden gebruikt voor het bewijs. Hoewel geen aanleiding wordt gezien om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de bedreigde getuige te twijfelen, wordt deze verklaring niet betrokken bij het bewijs. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden die blijken uit de (wel) gebruikte bewijsmiddelen, volgt reeds in voldoende mate de betrokkenheid van de verdachte als mededader bij de overval.

5. Bewijsverweren feit 2

Standpunt verdediging

De verdachte moet van de onder 2 ten laste gelegde bedrijfsinbraak (de inbraak) worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

De praktijk waar de inbraak plaatsvond (de praktijk), is gevestigd aan de [adres delict 2] te Vlaardingen. De inbraak vond plaats in de nacht van 17 op 18 augustus 2019. Bij de inbraak is een laptop weggenomen. Onder andere de achterdeur van de praktijk is opengebroken.

De verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] kennen elkaar.

De verdachte was op het moment van de inbraak met een ander in de buurt van de praktijk. Hij kwam op 18 augustus 2019 om 03:25 uur uit de richting van de [adres delict 2] lopen, de straat waar de praktijk is gevestigd.

De verdachte is de gebruiker van het telefoonnummer [gsm-nummer 3] . Op 18 augustus 2019 om 03:15 uur heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn broer [naam broer verdachte] , waarin de verdachte wordt gewaarschuwd dat er politie in de buurt is. De verdachte zegt daarop dat hij weggaat en dat de deur open is. Op de achtergrond zijn diverse klappen te horen, waarna de verdachte opnieuw zegt dat de deur open is. Er zijn braakgeluiden hoorbaar. Tijdens het telefoongesprek is ook de stem van een andere man te horen.

Later die dag, om 14:36 uur, is de verdachte gebeld door een onbekend gebleven man. Deze man vraagt aan de verdachte of ze nog iets hebben “gepakt”. De verdachte zegt vervolgens dat zij geen bankoe doezoehebben gepakt, maar wel een “lappie”. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hiermee werd gesproken over geld en over een laptop.

Na de ontdekking van de inbraak op 18 augustus 2019 omstreeks 08:00 uur zijn op een envelop die in de praktijk lag vingerafdrukken van medeverdachte [naam medeverdachte] aangetroffen.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, wordt bewezen geacht dat de verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] de tenlastegelegde inbraak in de praktijk heeft gepleegd.

Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het tijdens het telefoongesprek dat op 18 augustus 2019 om 14:36 uur door de verdachte wordt gevoerd, gaat over de buit van deze inbraak, nu er bij deze inbraak een laptop is weggenomen en geen geld.

De verklaring van de verdachte dat hij de nacht van de inbraak uitsluitend in de buurt van de praktijk was om drugs te verkopen en dat daarvoor is betaald met een laptop, wordt ongeloofwaardig geacht, nu dit zich niet verdraagt met zijn opmerking tijdens het telefoongesprek om 14:36 uur dat ze een “lappie” (lees: een laptop) ‘’hebben gepakt’’.

Daarbij komt ook nog dat de verdachte deze verklaring pas heeft afgelegd op de terechtzitting van 3 juni 2020.

6. Bewijsverweren feit 3

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde woninginbraak (de inbraak). Daartoe is aangevoerd dat deze verdenking slechts gebaseerd is op aannames en dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

De inbraak in de woning aan de [adres delict 3] te Rotterdam (de woning) vond plaats op 10 augustus 2019. De bewoner van de woning is een buurman van de vriendin van de verdachte. Twee dagen voor de inbraak is die vriendin samen met de verdachte in de woning geweest om de zoon van de bewoner te helpen met zijn computer.

De buit van de inbraak bestond uit diverse goederen, waaronder een laptop van het merk HP en een Samsung tablet. De inbraak heeft tussen 13:00 uur en 15:30 uur plaatsgevonden. Bij de inbraak is de ketting van de balkondeur kapot gemaakt. Op 10 augustus 2019, omstreeks 14:48 uur, heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en een onbekend gebleven man. In dit telefoongesprek zegt de verdachte onder andere dat hij “er net een gedaan heeft” en dat hij een tablet en een laptop heeft. Op 16 augustus 2019 zegt de verdachte in een ander telefoongesprek met een onbekend gebleven man opnieuw dat hij een laptop heeft. Het zou volgens de verdachte gaan om “een goede HP”, die alleen wel een wachtwoord heeft. De andere man zegt daarop dat de computer wel gereset kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de dag en het tijdstip waarop het eerstgenoemde telefoongesprek heeft plaatsgevonden, in combinatie met het tijdstip van de inbraak en de goederen die in het gesprek worden genoemd, alsmede de wetenschap bij de verdachte dat er in de woning een computer aanwezig was, het niet anders kan zijn dan dat dit gesprek gaat over de inbraak in de woning aan de [adres delict 3] in Rotterdam.

De verklaring van de verdachte dat de door hem in de tapgesprekken genoemde voorwerpen opbrengsten zijn van drugshandel wordt niet geloofwaardig geacht, nu die verklaring niet past bij zijn opmerking tijdens het telefoongesprek dat hij “er net een gedaan heeft”. Bovendien heeft de verdachte ook deze verklaring pas voor het eerst op de zitting van 3 juni 2020 afgelegd.

7. Bewijsmiddelen en bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 4 en 5 tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 18 mei 2019 te Krimpen aan den IJssel tezamen en in vereniging met een ander in de woning gelegen aan de [adres delict 1] ,

twee ringen en 50 euro die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om die goederen zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 1920), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- die [naam slachtoffer 1] aan weerszijden, ieder een arm, vast te pakken en

- die [naam slachtoffer 1] door de gang naar de woonkamer van die woning te sleuren en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [naam slachtoffer 1] en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op die [naam slachtoffer 1] en de loop van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het voorhoofd van die [naam slachtoffer 1] te zetten en

- een alarmknop van de arm van die [naam slachtoffer 1] af te rukken en

- de handen van die [naam slachtoffer 1] aan elkaar vast te binden;

2.

hij op 18 augustus 2019 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander, een laptop (merk HP), die aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om die laptop zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak ;

3.

hij op 10 augustus 2019 te Rotterdam , in de woning gelegen aan de [adres delict 3] , een laptop (merk HP) en een tablet (merk Samsung) en meerdere gouden kettingen en een envelop met daarin een geldbedrag van 3.400 euro, die aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of huisgenoten van die [naam slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om dat geld en die goederen zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en door middel van braak, door

- de ketting, welke vast zit aan de deurpost en aan de deur van het balkon aan de achterzijde van de woning, kapot te maken;

4.

hij in de periode van 2 augustus 2019 tot en met 15 september 2019 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd /

een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, t;

5.

hij op 16 september 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 18,0 gram van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 7,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft door middel van braak

feit 3:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

9. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een laffe woningoverval, waarvan de bewoner, een 98-jarige man, het slachtoffer is geworden. Het slachtoffer is vastgepakt en bedreigd met een vuurwapen, of een voorwerp dat daarop leek. Ook zijn de handen van het slachtoffer vastgebonden en is de alarmknop die hij droeg van zijn pols gerukt. Er zijn een geldbedrag en twee ringen buit gemaakt. Die ringen hadden een bijzondere emotionele waarde voor het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door de overval letsel aan zijn arm opgelopen. De gezichten van de verdachte en zijn medeverdachte waren bedekt tijdens de overval.

Dit delict is voor het hoogbejaarde slachtoffer zeer traumatisch geweest. Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring volgt dat hij de weken na de woningoverval erg angstig en onzeker was en ook last had van een verstoorde nachtrust. Vóór het misdrijf ging hij nog vaak zelfstandig de deur uit, daarna was dit niet meer het geval. Hij was niet alleen het vertrouwen in de mensheid verloren, maar ook in zichzelf. Hij had sinds het misdrijf minder levensvreugde en was sterk afgevallen. De woningoverval heeft daarnaast ook maatschappelijk tot veel onrust en verontwaardiging geleid. De verdachte is samen met zijn mededader slechts uit geweest op geldelijk gewin en heeft zich niets aangetrokken van het leed dat zijn handelen bij het slachtoffer zou veroorzaken.

De verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict.

De verdachte heeft, gezien zijn proceshouding, geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad. Integendeel, uit het dossier blijkt dat de verdachte met zijn mededader afspraken heeft gemaakt over het verhullen van de ware toedracht van het delict. Dit wordt in belastende zin meegewogen bij de bepaling van de strafmaat.

Verder heeft de verdachte samen met dezelfde mededader een bedrijfsinbraak gepleegd waarbij een laptop is weggenomen. Ook heeft hij ingebroken in de woning van een van zijn buren waarbij hij een tablet, een laptop, een geldbedrag en sieraden heeft gestolen.

Dit zijn ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen. Ook bij deze delicten heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en heeft hij zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin.

Voorts heeft de verdachte gedurende enkele maanden gebruikershoeveelheden harddrugs verhandeld en in zijn bezit gehad. Het gebruik van deze verdovende middelen heeft een verslavende werking en kan leiden tot ernstige schade voor de gezondheid. Tevens bevordert het gebruik van deze middelen georganiseerde, de samenleving ondermijnende criminaliteit. De verdachte is door zijn handelen mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 november 2020 blijkt dat de verdachte in 2013 eerder is veroordeeld voor een overval. Dit feit is gepleegd in 2011. Aan de verdachte is daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 40 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 december 2019. Uit dit rapport komt naar voren dat de verdachte is opgegroeid in een problematische gezinssituatie en dat hij in de periode voor de ten laste gelegde feiten geen zelfstandige huisvesting had, werkloos was en leefde van een uitkering. De reclassering acht de kans op recidive hoog, maar ziet geen mogelijkheden voor begeleiding in het kader van bijzondere voorwaarden, nu de verdachte de hem ten laste gelegde feiten ontkent en geen hulpvraag heeft aan de reclassering. De mogelijkheden van detentiefasering en/of een voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen in geval van een veroordeling op een later moment nader worden onderzocht op inhoud en haalbaarheid, aldus rapport van de reclassering.

Gezien de aard en ernst van de gepleegde feiten, het strafblad van de verdachte en de hoge recidivekans kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij de bepaling van die strafsoort en de duur daarvan is acht geslagen op straffen die blijkens de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en zes maanden passend en geboden geacht. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van acht jaar komt, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te hoog voor.

11. Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Vorderingen

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] . De benadeelde partij is in april 2020 overleden, anders dan ten gevolge van het strafbare feit. De erfgename van de benadeelde partij, zijn dochter [naam benadeelde] , heeft op de terechtzitting van 3 juni 2020 verklaard dat zij als rechtsopvolger onder algemene titel de procedure overneemt van haar vader. De vordering van de benadeelde partij strekt tot veroordeling van de verdachte tot vergoeding van een bedrag van € 6.000,- ter zake van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

Ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 3] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.580,- ter zake van geleden materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen. Hij heeft gevorderd in beide gevallen tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is, gelet op de door haar bepleite integrale vrijspraak, afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen bepleit. Subsidiair heeft zij gevraagd de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] te matigen.

Beoordeling vordering [naam benadeelde]

Vast is komen te staan dat aan [naam slachtoffer 1] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De daarvoor gevorderde vergoeding van € 6.000,- komt de rechtbank naar maatstaven van billijkheid redelijk voor, zodat de door de rechtsopvolgers van [naam slachtoffer 1] overgenomen vordering zal worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. Dit onderdeel van de vordering zal ook worden toegewezen in die zin dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 18 mei 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beoordeling vordering [naam slachtoffer 3]

Nu vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, de daarvoor gevorderde vergoeding van € 2.580,- genoegzaam is onderbouwd en dit schadebedrag door de verdachte ook niet is betwist, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. Dit onderdeel van de vordering zal ook worden toegewezen in die zin dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 10 augustus 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Teneinde de inningsmogelijkheden te vergemakkelijken zal, zoals door de officier van justitie is gevorderd, ter zake van de toe te wijzen schadevergoedingsbedragen met rente en gemaakte kosten, telkens tevens de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

13. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, op die wijze dat wanneer de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd van betaling, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam benadeelde] in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 6.000,- (zegge: zesduizend euro), ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam benadeelde] te betalen € 6.000,- (zegge: zesduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 6.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 2.850,- (zegge: tweeduizend achthonderdvijftig euro), ter zake van materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.850,- ( zegge: tweeduizend achthonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.850,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 38 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Vrind, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2020.

Bijlage I

tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 mei 2019 te Krimpen aan den IJssel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of uit de woning gelegen aan de [adres delict 1] ,

twee ringen en/of 50 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 1920), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,

aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [naam slachtoffer 1] aan weerszijden, ieder een arm, vast te pakken en/of

- die [naam slachtoffer 1] door de gang naar de woonkamer van die woning te sleuren en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [naam slachtoffer 1] en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op die [naam slachtoffer 1] en/of de loop van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het voorhoofd van die [naam slachtoffer 1] te zetten en/of

- een alarmknop van de arm van die [naam slachtoffer 1] af te rukken en/of

- de handen van die [naam slachtoffer 1] aan elkaar vast te binden;

2.

hij op of omstreeks 18 augustus 2019 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een laptop (merk HP), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of

inklimming;

3.

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of uit de woning gelegen aan de [adres delict 3] , een laptop (merk HP) en/of een tablet (merk Samsung) en/of meerdere gouden kettingen en/of een envelop met daarin een geldbedrag van 3.400 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of huisgenoten van

die [naam slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel(s), door

- de ketting, welke vast zit aan de deurpost en aan de deur van het balkon aan de achterzijde van de woning, kapot te maken en/of

- de sleutel van die woning buiten weten en/of tegen de wil van de rechthebbende mee te nemen en/of vervolgens een kopie te (laten) maken van die sleutel en/of vervolgens met die kopiesleutel, buiten weten en/of tegen de wil van de rechthebbende, die woning te betreden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 02 augustus 2019 tot en met 15 september 2019 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

telkens ongeveer 0,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of telkens ongeveer 1 tot 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 16 september 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 18,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 7,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet.