Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11298

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
10/691051-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een twaalfjarige verdachte voor brandstichting in een loods met gevaar voor goederen. Verminderde toerekenbaarheid. Straf: een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uur met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/691051-20

Datum uitspraak: 19 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ( [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 19 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uur met aftrek van het voorarrest, subsidiair 26 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaar;

  • -

    met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich laat begeleiden door de Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, naar school gaat en meewerkt aan behandeling bij de Waag;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte dient van de primair ten laste gelegde brandstichting te worden vrijgesproken. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat door de brandstichting in de loods er ook sprake was van een risico dat de loods zelf zou afbranden en dus waardeloos zou worden. Er is te weinig informatie bekend over de staat van de loods na de brand, terwijl de loods ook voor de brand al een bouwval was.

4.1.2.

Beoordeling door de rechtbank

De verdachte heeft bekend dat hij samen met een vriendje naar de loods in Poortugaal is gegaan en dat hij daar met een aansteker verschillende rollen drainagematten in brand heeft gestoken. Deze rollen brandden zodanig, dat er een grote brand is ontstaan.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat wanneer er in een loods opgeslagen goederen in brand worden gestoken, die loods daardoor ook in gevaar wordt gebracht. De rechtbank acht hiermee bewezen dat de verdachte door het aansteken van de drainagematten in de loods gemeen gevaar voor die loods heeft veroorzaakt. Dit blijkt ook uit de vaststelling door de forensische opsporing dat de lichtkoepel van de loods door de hitte van de brand is aangetast.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Hij op 04 juni 2020

te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk brand heeft gesticht in een loods op een bedrijventerrein, gelegen

aan de [plaats delict] , immers hebben verdachte en

zijn mededader toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht

met zich in die loods bevindende goederen, te weten drainagematten en TPE

korrels, ten gevolge waarvan brand is

ontstaan en voornoemde goederen zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde loods te duchten was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gevaar voor goederen te duchten is

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.1.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op twaalfjarige leeftijd samen met een vriendje schuldig gemaakt aan brandstichting, door goederen die in een oude loods opgeslagen lagen in brand te steken. Deze goederen zijn verloren gegaan en er is schade aan het raam in het dak van de loods ontstaan. De verdachte heeft door het plegen van deze brandstichting aan de eigenaren van de loods en de goederen schade en overlast bezorgd.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.2.2.

Rapportages

Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 5 november 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Toerekenbaarheid

Bij de verdachte is sprake van een oppositioneel opstandige stoornis waaraan een autismespectrumproblematiek en een ADD van het gecombineerde type ten grondslag ligt. Ook is er sprake van een cognitief functioneren op laagbegaafd/moeilijk lerend niveau, van ouder-kind relatieproblemen, leer- en onderwijsproblemen en van het uiteenvallen van een gezin door scheiding. Hiervan was ook ten tijde van het delict sprake. De verdachte is in staat om het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelen in te zien, maar de rapporteur adviseert op grond van factoren (zoals een zwakke impulsregulatie, een onvermogen om op adequate wijze met emoties en spanningen om te gaan, het niet kunnen overzien van de gevolgen van zijn gedrag en rigide denkpatronen), het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Risico- en beschermende factoren

Door de zwijgende houding van de verdachte kan geen uitspraak worden gedaan over het recidive gevaar, maar de rapporteur kan wel de kans op toekomstig delictgedrag in algemene zin beoordelen. Deze wordt als hoog ingeschat indien de verdachte geen adequate behandeling krijgt geboden. Een beschermende factor is de hechte band die de verdachte met zijn moeder heeft en door wie hij zich ondanks zijn problemen gesteund voelt. Bij leeftijdsgenoten laat hij zich omwille van aandacht, aanzien en erkenning en erbij willen horen als snel meeslepen in grensoverschrijdend gedrag. In de thuissituatie heeft moeder onvoldoende zicht op het gedrag van haar zoon buitenshuis.

Interventie advies

Om de zorgelijke ontwikkeling van de verdachte in gunstige zin te beïnvloeden, is het wenselijk de jeugdreclasseringsbegeleiding voort te zetten. Daarnaast is een intensief behandelingstraject bij de forensische polikliniek De Waag noodzakelijk. De moeder van de verdachte geeft aan dat zij tot op heden geen substantieel behandelingstraject hebben doorlopen. Ze wil graag hulp in de thuissituatie van haar zoon en voor hen als ouders, zodat zij meer handvatten krijgen aangereikt om de verdachte op adequate wijze aan te sturen. Ook is gezinsbegeleiding van belang in verband met onverwerkte rouwgevoelens bij de verdachte en de overige kinderen met betrekking tot de scheiding. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor de autismespectrumproblematiek en ADHD van de verdachte en zijn daarmee samenhangende zwakke impuls- en agressieregulatie en beperkt probleemoplossend vermogen. Medicamenteuze ondersteuning dient door een psychiater nader te worden bekeken. Ook dient de weerbaarheid van de verdachte bij leeftijdsgenoten te worden versterkt en is aandacht voor het delictgedrag wenselijk.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 augustus 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

De Raad heeft een taakstraf en/of een gedragsinterventie overwogen, maar is van mening dat dit niet het gewenste leereffect zal hebben, gezien de problematiek van de verdachte en het feit dat er binnenkort ingezet zal worden op intensieve individuele en gezinstherapie via de Waag. Deze intensieve behandeling is noodzakelijk voor de verdachte zelf, maar ook voor zijn ouders om meer handvatten te krijgen om hun zoon op een adequate wijze aan te sturen. Daarnaast is gezinsbegeleiding van belang in verband met onverwerkte rouwgevoelens bij de verdachte en de overige kinderen met betrekking tot de scheiding.

De Raad adviseert aan de verdachte een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat hij:

- naar school gaat;

- het behandeltraject via de Waag volgt.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 november 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

De verdachte is nog erg jong en overziet de gevolgen van zijn gedrag nog niet goed, wat wordt versterkt door zijn problematiek. Hij is een kwetsbare jongen die geen gevaar ziet, impulsief is en het moeilijk vindt om de goede keuzes te maken. Door zijn problematiek is de verdachte een risico voor zichzelf en voor zijn omgeving. Hij is jong en daarom is het van belang om de problematiek nu aan te pakken door middel van behandeling. De individuele problematiek van de verdachte overstijgt de draagkracht van het netwerk. De moeder van de verdachte is gemotiveerd en wil haar zoon op alle mogelijke manieren helpen.

De verdachte begint zich thuis minder goed te gedragen, wat deels te maken kan hebben met de recente scheiding van zijn ouders die hij nog niet goed verwerkt lijkt te hebben. Zijn zelfbepalende gedrag in de thuissituatie is deels pubergedrag en deels zijn individuele problematiek. Het is van belang om hier met behandeling op in te zetten. De JBRR is van mening dat een werk- of leerstraf niet haalbaar is en dat er voornamelijk moet worden ingezet op behandeling.

De JBRR adviseert aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan behandeling binnen een forensische organisatie als de Waag of een soortgelijke instelling;

- naar school gaat;

- meewerkt aan een opname in een behandelsetting, mocht de ambulante begeleiding ontoereikend zijn.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

De conclusie van de psycholoog wordt gedragen door de bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die ook aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde feit, acht de rechtbank de verdachte voor het feit verminderd toerekeningsvatbaar.

Straf

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur, opleggen.

Nu de jeugdreclassering, de Raad voor de Kinderbescherming en de psycholoog begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Het opleggen van een deels onvoorwaardelijke taakstraf acht de rechtbank in dit geval niet passend, omdat de verdachte simpelweg overvraagd zal worden. Zowel de taakstraf als de hulpverlening zullen dan mislukken. Dit acht de rechtbank niet in zijn belang. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering van de benadeelde partij

Ter zake van het ten laste gelegde feit heeft [naam benadeelde] zich namens [naam bedrijf] als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 54.449,80 aan materiële schade en een bedrag van € 2.642,91 aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de geleden schade voorgelegd moet worden aan de verzekeringsmaatschappij van de ouders van de verdachte voordat er een uitspraak door de rechtbank over wordt gedaan.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, primair omdat de schade voorgelegd moet worden aan de verzekeringsmaatschappij van de ouders van de verdachte en subsidiair omdat een behandeling hiervan een te zware belasting voor het strafgeding zou zijn.

8.3.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat de verzekeringsmaatschappij van ouders niet formeel aansprakelijk is gesteld door aangever, terwijl de aard van de schade dusdanig specifiek en complex is dat dit een meer voor de hand liggende route is. Dit geldt te meer omdat de vordering niet door een onafhankelijke schade-expert is onderbouwd en er dus onduidelijkheid blijft bestaan over de aard en omvang van de precieze schade

Het afwachten van de uitkomst van de behandeling van de schadeclaim door de verzekeraar door het aanhouden van deze zaak acht de rechtbank dusdanig belastend dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 (zestig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 52 (tweeënvijftig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 26 (zesentwintig) dagen;

bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond laat begeleiden;

  • -

    gedurende de proeftijd meewerkt aan behandeling binnen een forensische organisatie als de Waag of een soortgelijke instelling;

  • -

    naar school gaat;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F. Aukema-Hartog, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. C.N. Melkert en T. van den Akker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 04 juni 2020

te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in een loods op een bedrijventerrein, gelegen

aan de [plaats delict] , immers heeft / hebben verdachte en / of (een of meer van)

zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht

met in die loods bevindende goederen, te weten drainagematten en/of TPE

korrels, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is

ontstaan en/of voornoemde goederen geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde loods, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair

hij

op of omstreeks 04 juni 2020

te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk drainagematten en/of TPE korrels, in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of

zijn/haar mededader(s), te weten aan [naam bedrijf] toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;