Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11169

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
8363462
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitleg finale kwijting vaststellingsovereenkomst (haviltex), salaris over reistijd (cao VVT)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1491
XpertHR.nl 2021-20005338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8363462 \ CV EXPL 20-7223

uitspraak: 20 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: FNV Bondgenoten,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Thuiszorg Inis B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. L. Hennink.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “Inis”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de dagvaarding van 24 februari 2020 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met één productie;

  • -

    de conclusie van repliek met producties, en

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

2.1

[eiseres] is sinds 8 december 2008 bij Inis in dienst.

2.2

Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (hierna: “cao VVT”) van toepassing.

2.3

[eiseres] is werkzaam in de functie van medewerker huishoudelijke hulp.

2.4

Inis is een organisatie die thuiszorg levert.

2.5

In de zaak tussen partijen bij deze rechtbank met zaaknummer 7200826 CV EXPL

18-38353, die is gestart met de dagvaarding van [eiseres] van 5 september 2018, is op

25 februari 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten.

3. Het geschil

3.1

[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [eiseres] recht heeft op betaling van salaris over de reistijd tussen cliënten;

II. Inis te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van het te weinig betaalde salaris over de

reistijd tussen cliënten over de kalenderjaren 2014 tot en met 2019 ten bedrage van € 2.958,94 bruto;

III. Inis te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over de vordering onder II gerekend vanaf de datum waarop betaling had behoren plaats te vinden tot de dag van algehele voldoening;

IV. Inis te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW over de onder II ingediende vordering;

V. Inis te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 420,59 inclusief btw;

VI. Inis te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2

Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij op grond van artikel 1.1.4 van de cao VVT recht heeft op betaling van salaris over de reistijd tussen cliënten. Zij vordert nakoming van dat deel van haar arbeidsovereenkomst door Inis.

3.3

Inis stelt ten aanzien van de periode tot en met 2017 primair dat partijen elkaar finale kwijting hebben verleend in de onder 2.5 bedoelde vaststellingsovereenkomst. Voor alle jaren geldt dat de arbeidstijd begint bij de eerste cliënt en eindigt bij de laatste cliënt. Al die uren heeft [eiseres] uitbetaald gekregen. Dus ook de reistijd van de ene naar de andere cliënt.

4. De beoordeling

2014 tot en met 2017

4.1

Op 25 februari 2019 is tussen partijen een regeling getroffen in de hiervoor genoemde procedure. Onder punt 3 staat: ‘Partijen verklaren dat zij na voornoemde betaling ter zake van het geschil over achterstallig loon tot en met 2017 niets meer van elkaar te vorderen hebben.’

4.2

Volgens [eiseres] gaat die verklaring over iets anders dan de huidige vordering. Volgens Inis betekent het - zoals het er staat - dat [eiseres] in deze procedure geen loon meer kan vorderen over het jaar 2017.

4.3

De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de desbetreffende bepaling. Het gaat erom welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm).1

4.4

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de regeling betrekking had op achterstallig loon over de overeengekomen uren terwijl het in deze procedure gaat over reistijd tussen cliënten die ten onrechte niet als werktijd is aangemerkt. [eiseres] benoemt het anders, maar het gaat in beide gevallen om salaris.

4.5

Uit de dagvaarding van de eerdere procedure blijkt dat [eiseres] niet alleen salaris en emolumenten over 753,69 uren vorderde, maar ook salaris over vakantieverlof en twee eenmalige uitkeringen conform artikel 3.9A cao VVT. Die procedure ging dus over meer dan alleen de overeengekomen uren.

4.6

[eiseres] werd (ook) in de vorige procedure bijgestaan door een jurist van FNV. Verschillende artikelen uit de cao VVT zijn aan de eerdere vordering ten grondslag gelegd. Op basis van die artikelen en de salarisspecificaties heeft de toenmalige gemachtigde van [eiseres] berekeningen gemaakt van nog uit te betalen uren.

4.7

Gelet op deze omstandigheden kan de zeer beperkte uitleg door [eiseres] van de inhoud van de bepaling in de regeling niet worden gevolgd. Dat geldt nog meer omdat het een vaststellingsovereenkomst betreft ter beëindiging van een juridische procedure. Daarin wordt doorgaans juist niet ingegaan op alle verschillende geschilpunten, maar worden afspraken vastgelegd om ‘van elkaar af te zijn.’

4.8

Nu partijen elkaar bij die overeenkomst finale kwijting hebben verleend, betekent dat in deze procedure de vordering van [eiseres] tot betaling van loon over de periode tot en met 2017 moet worden afgewezen.

2018 en 2019

4.9

Partijen zijn het erover eens dat reistijd tussen cliënten arbeidsduur is.

4.10

Partijen zijn het erover eens dat over arbeidsduur salaris moet worden betaald.

4.11

Inis stelt zich op het standpunt dat er al salaris over de reistijd tussen cliënten aan [eiseres] is betaald.

4.12

Uit de door [eiseres] in het geding gebrachte roosters, loonstroken en berekeningen blijkt dat niet. Daaruit blijkt dat de bij cliënten gewerkte uren zijn betaald. Niet de reistijd tussen cliënten.

4.13

Het verweer van Inis slaagt dus niet.

4.14

De geldvordering van [eiseres] ten aanzien van achterstallig salaris over de jaren 2018

(€ 598,32 bruto) en 2019 (€ 397,43 bruto) wordt daarom toegewezen.

4.15

[eiseres] heeft rente gevorderde vanaf ‘de datum waarop betaling had behoren plaats te vinden.’ Zij heeft niet gespecificeerd wat die datum is/data zijn. De rente wordt daarom voor 2018 toegewezen vanaf 1 februari 2019 en voor 2019 vanaf 1 februari 2020.

4.16

[eiseres] heeft belang bij de gevraagde verklaring voor recht. Die zal worden gegeven.

4.17

De wettelijke verhoging wordt toegewezen zoals gevorderd.

4.18

Aan buitengerechtelijke incassokosten wordt een bedrag van € 149,36 toegewezen (15% van het toegewezen bedrag aan hoofdsom).

4.19

Inis wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [eiseres] recht heeft op betaling van salaris over de reistijd tussen cliënten;

veroordeelt Inis tot betaling aan [eiseres] van € 995,75 bruto ter zake van reistijd tussen cliënten over de kalenderjaren 2018 en 2019;

veroordeelt Inis tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over € 598,32 vanaf

1 februari 2019 en over € 397,43 vanaf 1 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Inis tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW over het onder II toegewezen bedrag;

veroordeelt Inis tot betaling van € 149,36 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Inis in de kosten van de procedure, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 236,00 aan griffierecht, € 106,35 aan dagvaardingskosten en € 240,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703

1 ECLI:NL:HR:1981:AG4158