Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11149

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
C/10/593517 / HA ZA 20-313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Val over elektrabuizen in bouwmarkt. Toepassing Kelderluik-criteria. Eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0930
JA 2021/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/593517 / HA ZA 20-313

Vonnis van 18 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.M. Vrijmoed te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND GROEP N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HORNBACH BOUWMARKT (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

gedaagden,

advocaat mr. R.S. Ariëns te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiser] , Allianz en Hornbach genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 12 maart 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 10 juni 2020;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 september 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 september 2018 in de vestiging van Hornbach in [plaats] gevallen over elektrabuizen die door een klant ter hoogte van kassa 1 op de winkelvloer waren gelegd. De ronde en grijskleurige elektrabuizen lagen in het verlengde van de kassarij op een grijze vloer. [eiser] stapte overdwars op de buizen en viel achterover.

2.2.

[eiser] is op zijn rechterheup en -arm gevallen.

2.3.

Op het moment dat [eiser] ten val kwam, bevonden zich twee medewerkers van Hornbach, te weten [naam persoon 1] en [naam persoon 2] achter de servicebalie naast kassa 1. Beide servicebaliemedewerkers hebben een verklaring afgelegd over wat zij hebben gezien.

2.4.

De verklaring van [naam persoon 1] luidt, voor zover van belang, als volgt:

“5) Hoelang lagen de buizen al op de grond?

Niet langer dan 5 minuten

(…)

8) Wat heeft u zien gebeuren? (…)

Klant gaat pvc buizen afrekenen en legt deze op de grond. De desbetreffende klant (bedoeld wordt [eiser] – toevoeging rb) komt aangelopen gaat er met zijn voet op staan en glijdt uit. Er was nog voldoende ruimte achter de buizen om langs te lopen.”

2.5.

De verklaring van [naam persoon 2] luidt, voor zover van belang, als volgt:

“5) Hoelang lagen de buizen al op de grond?

1 tot 3 min klant wilde ze afrekenen.

(…)

7) Waren er werknemers in de buurt die de buizen op de grond hebben zien liggen? Zo ja, hebben zij enige actie ondernomen om eventuele ongevallen te voorkomen?

Nee waren geen werknemers in de buurt, klant kwam pad 11 uit lopen met de buizen legde deze neer bij kassa 1, betrokkenen kwam aanlopen en viel erover.

8) Wat heeft u zien gebeuren? (…)

Zie vraag 7. Toen de betrokkene gevallen was, zijn we er gelijk naar toe gegaan en gevraagd of het ging, betrokkene was snel opgestaan en liep bij kassa 2/3 naar buiten.”

2.6.

Bij brief van 5 oktober 2018 heeft [eiser] Hornbach aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van de val lijdt.

2.7.

Namens Hornbach heeft Allianz Global Corporate & Speciality SE, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Hornbach, aansprakelijkheid afgewezen.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat Hornbach aansprakelijk is te houden voor de schade van [eiser] voortvloeiende uit de val van [eiser] op 8 september 2018 (de rechtbank leest: 1 september 2018) in Hornbach;

2. Allianz te veroordelen om tegen bewijs van kwijting te vergoeden de nader bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de tijdstippen waarop de schade is geleden en opeisbaar is;

3. Allianz en Hornbach hoofdelijk, dan wel Allianz of Hornbach, te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met een bedrag van € 157,00 voor nakosten, zonder dat betekening van het vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag van € 82,00 indien en voor zover niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling is voldaan en het vonnis om die reden is betekend, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat deze bedragen verschuldigd zijn geworden tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Allianz en Hornbach concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

[eiser] grondt zijn vordering om voor recht te verklaren dat Hornbach aansprakelijk is te houden voor de schade die hij als gevolg van zijn val in de vestging van Hornbach heeft opgelopen op artikel 6:162 BW.

4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of Hornbach onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , stelt de rechtbank het volgende voorop. Het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie is onrechtmatig, als een ander daarmee aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Daarbij dient te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136, Kelderluik).

4.3.

De rechtbank acht het voorzienbaar dat de klanten van Hornbach niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen bij het lopen door de winkel omdat hun aandacht wordt getrokken door de schappen met daarin de aangeprezen winkelwaren. Dat [eiser] de kassa’s reeds was genaderd, maakt in dit geval geen verschil. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij was afgeleid door de aanbiedingen bij de kassa en dat zijn aandacht gericht was op het zoeken van een kassa waar het rustig was. In het geval van [eiser] lagen er ter hoogte van de kassa waar hij wilde afrekenen ronde grijskleurige elektrabuizen op de grijze winkelvloer. In het midden kan blijven of de elektrabuizen exact dezelfde grijze kleur als de vloer hadden, zoals [eiser] stelt, of dat het donkergrijze buizen op een lichtgrijze vloer betroffen, zoals Hornbach stelt. In beide situaties geldt dat de buizen net als de vloer een gedekte kleur hadden, hetgeen de kans groter maakte dat de buizen niet door [eiser] werden opgemerkt.

4.4.

De aanwezigheid van de buizen op de winkelvloer, leverde een gevaarlijke situatie op. Wanneer overdwars op ronde buizen wordt gestapt is de kans immers groot dat iemand op een heel vervelende manier valt met alle mogelijke (letsel)schade van dien als gevolg.

4.5.

Door en namens Hornbach is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling het volgende verklaard. Elke ochtend wordt een dagstart gehouden met alle collega’s. Tijdens deze dagstart wordt onder andere aan de werknemers de instructie gegeven dat actie moet worden ondernomen als er sprake is van een gevaarlijke situatie. Een gevaarlijke situatie zou bijvoorbeeld een gladde vloer of een kapot gevallen product op de vloer kunnen zijn. Hiervan was in casu geen sprake.

4.6.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, was er naar haar oordeel sprake van een gevaarlijke situatie. Conform de instructie hadden de medewerksters die [eiser] zagen vallen, actie moeten ondernemen. Dit hebben zij niet gedaan, terwijl er voldoende gelegenheid was om dit wel te doen. [naam persoon 1] en [naam persoon 2] bevonden zich beiden achter de informatiebalie die zich vlakbij de kassa bevindt waar [eiser] ten val is gekomen. Beiden zien, zo blijkt uit hun verklaring, dat een klant de elektrabuizen op de winkelvloer legt bij de kassa. [naam persoon 1] of [naam persoon 2] had, gezien de korte afstand tot de kassa, naar de kassa kunnen lopen om de betreffende klant op de gevaarlijke situatie te wijzen en om te vragen om deze situatie te beëindigen. Een andere voor de hand liggende mogelijkheid was geweest dat [naam persoon 1] of [naam persoon 2] de kassière van kassa 1 had gebeld zodat diegene de klant kon wijzen op de gevaarlijke situatie.

Niet gesteld of gebleken is dat er onvoldoende tijd was om deze acties te nemen vanaf het moment van het neerleggen van de buizen tot het moment van de val van [eiser] .

Door niet te werken volgens de eigen instructies die nu juist zien op de veiligheid van medewerkers en klanten, heeft Hornbach een gevaarlijke situatie laten voortbestaan.

4.7.

Als de stellingname van Hornbach zo moet worden begrepen dat de instructie aan haar medewerkers voor het nemen van actie niet gold voor een situatie als in deze zaak aan de orde, is de rechtbank van oordeel dat Hornbach niet de juiste instructies heeft gegeven om (het voortbestaan van) een dergelijke gevaarlijke situatie te voorkomen. Ook in dat geval heeft Hornbach deze gevaarlijke situatie in het leven geroepen dan wel laten voortbestaan.

4.8.

Wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, leidt tot de conclusie dat Hornbach [eiser] aan een groter risico heeft blootgesteld dan redelijkerwijs verantwoord was en dat zij derhalve op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van zijn val.

4.9.

Thans zal het beroep van Hornbach op eigen schuld worden beoordeeld. Daartoe heeft Hornbach het volgende aangevoerd. Als [eiser] de elektrabuizen al over het hoofd heeft gezien, is hij dusdanig onoplettend geweest dat hij anders heeft gehandeld dan een zorgvuldig, redelijk handelend mens met het oog op zijn eigen belangen in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan, dan wel is hij dusdanig onoplettend geweest dat er sprake is van een omstandigheid die naar verkeersopvattingen tot zijn risicosfeer behoort.

4.10.

Bij de beoordeling van het beroep op eigen schuld stelt de rechtbank voorop dat van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW sprake is indien de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde ( [eiser] ) kan worden toegerekend. Als dat het geval is, wordt de schade over de benadeelde en de aansprakelijke partij (Hornbach) verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.11.

De rechtbank is met Hornbach van oordeel dat de schade mede het gevolg is van de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid dat hij onvoldoende oplettend is geweest op het moment dat hij de kassa naderde. Van [eiser] mag, als bezoeker van een bouwmarkt zoals Hornbach, verwacht worden dat hij in zekere mate erop bedacht is dat er in de buurt van de kassa’s producten op de grond staan of liggen omdat deze daar door klanten, in afwachting van hun beurt, worden neergezet/neergelegd. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat [eiser] , zoals volgt uit zijn eigen stellingen, naar de kassa liep met een zak vissenvoer in zijn armen. Daardoor had hij vermoedelijk minder goed zicht op de vloer. Die situatie had [eiser] kunnen voorkomen door gebruik te maken van een winkelkar of winkelmand. Gelet hierop dient de vergoedingsplicht van Hornbach te worden verminderd door de schade over [eiser] en Hornbach te verdelen. De rechtbank is van oordeel dat 25% van de ontstane schade het gevolg is van de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheid dat hij onvoldoende oplettend is geweest. Dat betekent dat voor recht zal worden verklaard dat Hornbach aansprakelijk is te houden voor 75% van de schade van [eiser] voortvloeiende uit zijn val op 1 september 2018.

4.12.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat niet Allianz maar de vennootschap naar Duits recht Allianz Global Corporate & Speciality SE de aansprakelijkheidsverzekeraar van Hornbach is. Laatstgenoemde entiteit is echter niet in rechte betrokken. [eiser] is dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering om Allianz op grond van artikel 7:954 BW te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft kennisgenomen van de opmerking van mr. Ariëns dat mocht de rechtbank van oordeel zijn dat Hornbach aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade, een en ander praktisch zal worden opgelost.

4.13.

Nu een oordeel is gegeven over de aansprakelijkheid van Hornbach en de verdeling van de vergoedingsplicht, geeft de rechtbank partijen in overweging om in onderhandeling te treden over (de omvang van) de schade en een eventueel geschil daarover minnelijk op te lossen.

4.14.

Hornbach zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.496,47

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat Hornbach aansprakelijk is te houden voor 75% van de schade van [eiser] voortvloeiende uit de val van [eiser] op 1 september 2018 in Hornbach,

5.2.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering jegens Allianz,

5.3.

veroordeelt Hornbach in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.496,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Hornbach in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Hornbach niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Blijleven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.

3078/1582