Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11148

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
10/134410-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het in een auto voorhanden hebben van een (semi) automatisch vuurwapen met munitie en geluiddemper. Medeverdachte heeft verklaard dat verdachte het wapen heeft vastgehad. Op het wapen wordt geen DNA van de verdachte aangetroffen. Wel van de medeverdachte. De verklaring van de medeverdachte wordt niet ondersteund door objectieve bevindingen. Vrijspraak voor drugs die twee dagen na vervoer van de verdachte in een politieauto wordt aangetroffen. Niet duidelijk hoe grondig de auto geschoond is voor het vervoer en wat er in de twee tussenliggende dagen met de auto is gebeurd. Veroordeling voor geringe hoeveelheden drugs die in de woning van verdachte zijn aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/134410-18

Datum uitspraak: 3 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. A.L. Rinsma, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feiten 1 en 2

Op 8 juli 2018 ziet de politie een voertuig met open motorkap bij een tankstation staan. Bij de auto staan drie jongemannen. Uit de politiesystemen blijkt dat de persoon op wiens naam het voertuig staat, de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , nog diverse dagen hechtenis moet uitzitten en later blijkt dat hij antecedenten heeft op het gebied van vuurwapenbezit. Bij een nader onderzoek in de auto wordt in de kofferbak van de auto waarbij de verdachte en diens medeverdachten, zijn broer [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , zich bevonden, een rugzak aangetroffen met daarin een (semi) automatisch vuurwapen met munitie en een geluiddemper.

De verdachte heeft ontkend dat hij wetenschap had van de rugzak met daarin het wapen, munitie en de geluidsdemper.

Medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft in tweede instantie verklaard dat hij heeft gezien dat de medeverdachte [naam medeverdachte 1] de tas de dag van de aanhouding in de auto heeft gezet. Hij heeft verklaard dat ze alle drie de tas en het wapen in handen hebben gehad.

Na onderzoek door het NFI blijkt dat er geen DNA van de verdachte is aangetroffen op het vuurwapen. Ook blijkt niet van enig DNA-spoor van de verdachte op/aan de hengsels van de rugzak. Er is wel DNA aangetroffen van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] op de tas, op het vuurwapen en op de geluiddemper.

Hoewel het wettig bewijs aanwezig is (de verklaring van [naam medeverdachte 2] en het aantreffen van de rugzak met het vuurwapen, de munitie en de geluidsdemper in de auto waarin de verdachte had gezeten), is de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting - in het bijzonder de afwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen en de geluiddemper, waar wel DNA van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] is aangetroffen -, niet overtuigd, dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen, de munitie en de geluiddemper in de auto. De verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

4.2.

Vrijspraak feit 4

In de politieauto waarin de verdachte op de dag van zijn aanhouding op 8 juli 2018 is vervoerd wordt op 10 juli 2018 een zakje met 87 gram cocaïne aangetroffen. Het zakje zat geklemd tussen de rugleuning en de achterbank. De verdachte heeft ontkend dat hij dat dat zakje van hem is.

De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste glegde heeft begaan. In het bijzonder is onduidelijk hoe goed de politieauto vóór het vervoer van de verdachte is gecontroleerd en of het voertuig tussen zondag 8 en dinsdag 10 juli 2018 nog is gebruikt. Het is mogelijk dat iemand anders dan verdachte het zakje met drugs in de auto heeft achtergelaten.

De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring feit 3

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 8 juli 2018 te Zwijndrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine zijnde cocaïne en 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) enamfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met zijn broer, cocaïne, MDMA en amfetamine aanwezig gehad in de woning waar zij verbleven. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een ernstig gevaar oplevert voor de volksgezondheid en tevens dat dit direct en indirect een oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van hiermee samenhangende maatschappelijke problemen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland, heeft geen rapport over de verdachte opgemaakt voor de terechtzitting. Wel beschikt de rechtbank over een brief van Youz WMO (Antes) van januari 2020. De verdachte krijgt ondersteuning op diverse leefgebieden en woont in Dordrecht op kamers, ook om zo zijn schulden gemakkelijker te kunnen aflossen, tot een geschikte woonplek is gevonden. De verdachte staat open voor hulp en werkt goed mee met Youz om zijn problemen aan te pakken.

De verdachte is na zijn aanhouding op 8 juli 2018 niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zijn contacten met mensen uit Zwijndrecht heeft verbroken en dat hij is verhuisd naar een andere woonomgeving. Hij heeft inmiddels een fulltime baan.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de rechtbank de verdachte slechts verantwoordelijk houdt voor het bezit van een beperkte hoeveelheid harddrugs, komt zij tot een beduidend lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank zal een geldboete van na te noemen hoogte opleggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 24c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), met aftrek van de dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar rato van 50 euro per dag.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. J.L.M. Boek en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 december 2020.

De griffier is buiten staat het vonnis te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2º en/of 3º van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet,

namelijk een vuurwapen dat geschikt is om automatisch te vuren en/of dat zodanig is vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is, te weten een vuurwapen voorzien van een metalen klapkolf van het merk: Zastava, type: M 84 (Skorpion), kaliber: 7.65 mm

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie,

te weten dertien (13), bij voornoemd vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft/hebben gehad;

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

2.

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Dordrecht,

(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 3º van de Wet wapens en munitie,

te weten een geluidsdemper voor een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

(art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )

3.

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 1,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 9 zogenaamde XTC-pillen in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en/of

- ongeveer 3,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en/of

- ongeveer 3,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

zijnde cocaïne en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en/of amfetamine, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 87,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )Toelichting op de procedure