Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11109

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
FT EA 20/1428 en FT EA 20/1429
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing dwangakkoord, aanbod niet het maximaal haalbare.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 23 november 2020

in de zaak van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 19 oktober 2020, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:

  • -

    de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Sociale Dienst);

  • -

    Pranger Gerechtsdeurwaarders (hierna: Pranger); en

  • -

    Nesplaza B.V. (hierna: Nesplaza),

die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Wouters Gerechtsdeurwaarder en Incasso’s heeft namens de Sociale Dienst Drechtsteden voorafgaande aan de zitting, bij fax van 16 november 2020, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Ter zitting van 16 november 2020 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer [naam 2] , werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: hulpverlener);

  • -

    mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] , werkzaam bij Avres (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw [naam 5] , ex partner van verzoeker en weigerende schuldeiser (Pranger);

  • -

    mevrouw mr. D.A.G.M. Janssen, advocaat mevrouw [naam 5] ;

  • -

    de heer [naam 6] , werkzaam bij VU Gerechtsdeurwaarders, namens Nesplaza.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift elf schuldeisers, waarvan drie preferente en acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 96.561,14 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 28 april 2020 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,23 % aan de preferente schuldeisers en 1,115 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt parttime en heeft een arbeidscontract voor bepaalde tijd. De afloscapaciteit van verzoeker is voorts gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn aanvullende Participatiewet-uitkering.

Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.

Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Pranger en Nesplaza stemmen hier niet mee in. Pranger heeft een vordering van € 17.238,54 op verzoeker, welke 17,9 % van de totale schuldenlast beloopt. Nesplaza heeft een vordering van € 4.652,66 op verzoeker, welke 4,8 % van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Nesplaza te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan met de totale schuldvordering. Ter zitting heeft Nesplaza voorts gesteld dat het aanbod niet het maximaal haalbare is.

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Pranger te kennen gegeven dat verzoeker minimaal € 50,00 aan kinderalimentatie dient te betalen en dat hij dit tot 13 augustus 2020 heeft nagelaten.

Ter zitting heeft [naam 5] nader gespecificeerd dat verzoeker vanaf 13 juni 2014 alimentatieplichtig is. De alimentatieverplichting was € 408 per maand voor drie kinderen. In een uitspraak van 13 juni 2019 is het alimentatiebedrag na een verzoek nihilstelling bijgesteld naar € 50,00 per maand met ingang van 12 april 2018. Ook nadien heeft verzoeker volgens [naam 5] niet aan de betalingsverplichting voldaan. Door de deurwaarder is in 2018 beslag gelegd. Er is in januari 2018 via dat beslag een bedrag betaald. Ter zitting is navraag gedaan bij de deurwaarder terzake het beslag op het inkomen van verzoeker. Daaruit is naar voren gekomen dat via dit beslag € 3.122 is geïncasseerd en dat daarvan door de deurwaarder € 100 is afgedragen aan [naam 5] . Daarnaast heeft verzoeker zijn maandelijkse alimentatieplicht voldaan over de maanden oktober en november 2020.

Namens schuldhulpverlening is ter zitting naar voren gebracht dat verzoeker vanaf juni 2019 tot oktober 2020 niet aan zijn alimentatieverplichting kon voldoen omdat beslag was gelegd en geen rekening was gehouden met de beslagvrije voet.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Pranger en Nesplaze bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Pranger en Nesplaza in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. De rechtbank stelt voorop dat verzoeker zich gedurende drie jaar tot het uiterste moet inspannen om zoveel mogelijk geld te verdienen voor zijn schuldeisers. Dit is tijdens het minnelijk traject niet anders. Het huidige aanbod van verzoeker is een saneringskrediet gebaseerd op de ongewijzigde voortzetting van zijn parttime dienstverband en aanvullende Pw-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker niet in staat is om de komende drie jaar met (betaald) werk meer inkomen te genereren dan waarvan thans in het aanbod is uitgegaan. Verzoeker heeft ter zitting ook verklaard dat hij thans al vaak 30 uur per week werkt en dat hij in staat is om 36 uur per week te werken.

Dit staat in de weg aan toewijzing van het verzoek.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Pranger en Nesplaza als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek Pranger en Nesplaza te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

Het verzoek tot toepassing van de wettelijk schuldsaneringsregeling is ter zitting ingetrokken, zodat daarop niet hoeft te worden beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 november 2020. 1

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.