Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11098

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
8780181 HA VERZ 20-100
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Loonstop terecht toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8780181 HA VERZ 20-100

uitspraak: 1 december 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. X.M.C.I. Wakim,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Transportbedrijf A. Maat B.V.,

gevestigd te Alblasserdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. P.M.M. Massuger.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en Maat.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 23 september 2020;

- het verweerschrift met producties;

- de namens [verzoeker] overgelegde aanvullende producties;

- de namens Maat overgelegde aanvullende producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op 2 november 2020. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

De uitspraak van deze beschikking is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum verzoeker] , is op 1 december 2018 voor zeven maanden bij Maat in dienst getreden als chauffeur. De arbeidsovereenkomst is daarna verlengd voor de duur van twaalf maanden. Per 1 juli 2020 is de arbeidsovereenkomst, na aanzegging d.d. 24 april 2020, van rechtswege geëindigd. Het bij de aanvang van de tweede arbeidsovereenkomst overeengekomen salaris bedroeg € 2.374,40 bruto per maand.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst van partijen is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (cao BGV) van toepassing.

2.3.

[verzoeker] heeft zich op 12 mei 2020 ziek gemeld. Op 20 mei 2020 heeft de bedrijfsarts, na een eerder telefonisch contact op 13 mei 2020, [verzoeker] telefonisch laten weten dat hij geschikt is om halve dagen rustige werkzaamheden in de loods te doen. [verzoeker] heeft zowel aan de bedrijfsarts als aan Maat te kennen gegeven van mening te zijn geen aangepast werk te kunnen verrichten en het advies naast zich neer te leggen.

2.4.

Bij brief van 20 mei 2020 heeft Maat [verzoeker] erop gewezen dat hij het advies van de bedrijfsarts moet opvolgen. Maat adviseert [verzoeker] een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen indien hij het niet eens is met het advies van de bedrijfsarts. Daarnaast heeft Maat in voormelde brief aangekondigd de loondoorbetaling met ingang van 25 mei 2020 stop te zetten, indien [verzoeker] geen gevolg geeft aan het advies van de bedrijfsarts.

2.5.

[verzoeker] heeft bij e-mailbericht aan Maat van 24 mei 2020 toegelicht waarom hij het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts. [verzoeker] maakt bezwaar tegen de loonstop en kondigt aan een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV.

2.6.

Maat heeft met ingang van 25 mei 2020 tot het einde van het dienstverband op 1 juli 2020 de loondoorbetaling gestopt.

2.7.

Op 28 mei 2020 heeft [verzoeker] een deskundigenoordeel aangevraagd over de vraag of hij in staat is te re-integreren conform de visie van de bedrijfsarts. Het op 9 juni 2020 door het UWV afgegeven deskundigenoordeel houdt in dat de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen plausibel c.q. akkoord zijn en dat er geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden.

2.8.

Op 16 en 17 juni 2020 heeft [verzoeker] telefonisch contact gehad met Maat.

2.9.

Een brief van 19 juni 2020 van [verzoeker] aan [naam] , de HR-adviseur van Maat (hierna: [naam] ), houdt in, voor zover hier van belang:

“Op 11 juni 2020 ontving ik de uitslag van het deskundigenoordeel van het UWV. Hierin staat beschreven dat ik weer aan re-integratie kan deelnemen. (…) Aangezien ik van u en de bedrijfsarts niets hoorde heb ik uw kantoor diverse malen telefonisch benaderd en uitgelegd dat ik kan re-integreren. Daarnaast heb ik naar u gevraagd en de mededeling gekregen dat u mij terug zou bellen. Nog steeds heb ik geen reactie van u ontvangen.

(…)

Gezien bovenstaande blijft u als werkgever in gebreke bij mijn re-integratie. Daarom verzoek ik u de loonstop te beëindigen en het loon vanaf 25 mei 2020 alsnog te betalen.”

2.10.

[naam] heeft [verzoeker] bij e-mailbericht van 22 juni 2020 geantwoord, voor zover hier van belang:

“(…)

Als u echt had willen re-integreren dan had u dit ook bij mijn (HR) collega’s kunnen aangeven, als u mij niet te pakken kon krijgen. Hetgeen wat u in uw brief schetst is dus niet correct en het initiatief om het aangeboden aangepaste werk te doen, ligt bij u.

(…)

Dit betreffen allround logistieke werkzaamheden in de hallen van Maat Logistiek op (…). Aanvang morgen om 07.30 uur.

Graag verneem ik uiterlijk vandaag om 16.30 uur of u bereid bent om deze werkzaamheden per morgen op te pakken. Dit kan het beste per e-mail (…).

Het intrekken van de loonstop met terugwerkende kracht is hierbij absoluut niet aan de orde, aangezien het UWV geconcludeerd heeft dat u onvoldoende heeft meegewerkt aan de re-integratie en het advies van de bedrijfsarts plausibel is.”

2.11.

[verzoeker] heeft niet op voormeld e-mailbericht van 22 juni 2020 gereageerd en hij heeft geen aangepast werk verricht.

2.12.

Bij brief van 2 juli 2020 heeft [verzoeker] Maat om een eindafrekening verzocht, waarin hij aanspraak maakt op achterstallig loon, uitbetaling van niet genoten vakantiedagen en de transitievergoeding. Bij brief van 1 augustus 2020 heeft [verzoeker] nogmaals verzocht om een eindafrekening, binnen veertien dagen na dagtekening van voormelde brief, waarbij hij te kennen geeft in de eindafrekening mede de opheffing van de loonstop te verwachten.

2.13.

Bij e-mailbericht van 5 augustus 2020 heeft [naam] geantwoord dat zij een medewerker van de salarisadministratie zal vragen de eindafrekening na te kijken. Zij heeft verder de aanspraak van [verzoeker] op het met terugwerkende kracht uitbetalen van het loon tijdens de loonstop van de hand gewezen onder verwijzing naar haar e-mailbericht van 22 juni 2020.

2.14.

Bij mede per e-mailbericht van 15 september 2020 verzonden brief van dezelfde datum heeft de gemachtigde van [verzoeker] Maat verzocht binnen vijf dagen na voormelde datum een bedrag van € 7.773,94 bruto ter zake van, kort gezegd, achterstallig loon en transitievergoeding en een bedrag van € 907,50 netto ter zake van rechtsbijstandskosten naar [verzoeker] over te maken. Daarbij heeft de gemachtigde erop gewezen dat - in verband met de wettelijke vervaltermijn - zonder verdere waarschuwing een procedure bij de kantonrechter zal volgen, indien geen betaling volgt binnen de gestelde termijn.

2.15.

[naam] heeft op 18 september 2020 gereageerd dat een termijn van vijf dagen niet reëel is en dat zij uiterlijk 28 september 2020 met een reactie zal komen. In een e-mailbericht aan de gemachtigde van [verzoeker] van 28 september 2020 heeft [naam] de aanspraken van [verzoeker] erkend voor een bedrag van € 1.973,09 bruto, waaronder een transitievergoeding ten bedrage van € 1.328,88, en voor het overige afgewezen. Voormeld e-mailbericht houdt voorts in, voor zover hier van belang:

“(…) een belangrijk punt vind ik het niet meewerken aan de re-integratie na het deskundigenoordeel van het UWV.

De heer [verzoeker] zegt meerdere keren gebeld te hebben en niet teruggebeld te zijn, dit klopt niet. Mocht de heer [verzoeker] echt gebeld hebben en mij bijvoorbeeld niet te pakken kunnen krijgen, had hij altijd iets kunnen doorgeven aan mijn collega van HR of het secretariaat, een mail kunnen sturen of een voicemail kunnen inspreken. Dit alles is niet aan de orde. Op vrijdag 19 juni heeft de heer een aantekende brief verstuurd waarop ik op maandag 22 juni direct heb gereageerd (zie bijlage) en hem in de gelegenheid gesteld om het aangepast werk op te starten. Hierop volgde wederom geen reactie van de heer [verzoeker] . De heer [verzoeker] heeft zich niet gehouden aan zijn inspanningsverplichting conform de Wet Verbetering Poortwachter om te re-integreren, dit wordt tevens bevestigd door het UWV aangezien zij beoordeelt hebben dat het aangeboden werk passend is. Derhalve kan de heer [verzoeker] géén aanspraak maken op het salaris in de periode van 25 mei tot 30 juni.”

3. Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt Maat uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen:

- € 3.067,20 bruto aan salaris over de periode van 25 mei 2020 tot 1 juli 2020;

- € 165,86 bruto ter zake van een niet genoten vakantiedag;

- € 85,20 bruto ter zake van een niet uitbetaalde gewerkte zaterdag;

- € 453,20 bruto ter zake van een ten onrechte niet doorgevoerde salarisindexering volgens de cao;

- € 301,72 bruto ter zake van 8% vakantietoeslag over bovengenoemde bedragen;

- € 2.036,58 bruto ter zake van 50% verhoging ex artikel 7:625 BW over bovengenoemde bedragen;

- € 6.050,- netto inclusief btw ter zake van gemaakte advocaatkosten;

- alle bovengenoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2020 tot de dag van voldoening, een en ander onder overlegging van een bruto-netto loonspecificatie;

- € 1.664,19 ter zake van transitievergoeding ex artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde 1 juli 2020, tot de dag van voldoening, een en ander onder overlegging van een bruto-netto loonspecificatie;

met veroordeling van Maat in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek - samengevat - de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

[verzoeker] heeft recht op loon vanaf 25 mei 2020. [verzoeker] heeft meteen na 25 mei 2020 - mede op advies van Maat - een deskundigenoordeel aangevraagd en had recht om met behoud van loon het deskundigenoordeel af te wachten. [verzoeker] heeft zich meteen na het deskundigenoordeel bij Maat gemeld voor re-integratie. Het advies van de bedrijfsarts hield in dat [verzoeker] voor 50% inzetbaar was voor licht werk in de loods. De overige 50% van het loon dient sowieso betaald te worden, nu Maat voor 50% arbeidsongeschikt was.

Maat heeft ten onrechte de cao loonindexering in 2020 niet toegepast. Het achterstallig loon ter zake bedraagt € 453,20 (824 uren x € 0,55). Daarnaast heeft [verzoeker] recht op uitbetaling van de vakantietoeslag, een uitkering wegens een niet genoten vakantiedag ten bedrage van

€ 165,86 (11,68 x € 14,20), een niet uitbetaalde gewerkte zaterdag (18 januari 2020) ten bedrage van € 85,20 (6 uur x € 14,20), de wettelijke verhoging en de transitievergoeding. De transitievergoeding bedraagt € 1.664,19, uitgaande van het maandelijks salaris van 2019 en nog zonder rekening te houden met de cao loonindexering.

[verzoeker] heeft, om te trachten deze kwestie buiten rechte op te lossen, buitengerechtelijke kosten moeten maken ten bedrage van € 907,50 exclusief btw. De totale juridische kosten die [verzoeker] in deze zaak heeft gemaakt en de nog te verwachten kosten zullen € 5.000,- exclusief btw (€ 6.050,- netto) bedragen. [verzoeker] verzoekt de gemaakte juridische kosten toe te wijzen als schadevergoeding op grond van artikel 7:611 jo. 6:96 BW. Uit een arrest van het Hof Den Haag van 8 oktober 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2618) volgt dat Maat, door niet uit eigen beweging tot betaling van de transitievergoeding over te gaan, maar af te wachten of daarop door [verzoeker] in rechte aanspraak wordt gemaakt, in strijd handelt met haar verplichtingen uit hoofde van artikel 7:673 BW en de eisen van goed werkgeverschap schendt. Maat heeft [verzoeker] bovendien gedwongen om binnen de vervaltermijn van drie maanden een procedure bij de rechter aanhangig te maken. [verzoeker] heeft tegen wil en dank juridisch advies moeten inwinnen om alsnog zijn transitievergoeding en nevenvorderingen uitbetaald te krijgen. Uit recente jurisprudentie, waarin de juridische kosten aan de billijke vergoeding werden toegerekend, volgt dat tegen wil en dank gemaakte juridische kosten kunnen worden toegewezen indien deze in direct verband kunnen worden gebracht met ernstig handelen of nalaten van de werkgever. Het verzoek tot toewijzing van door [verzoeker] gemaakte juridische kosten staat los van de reguliere proceskostenveroordeling, aldus steeds [verzoeker] .

4. Het verweer

4.1.

Het verweer van Maat strekt tot gedeeltelijke afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten, dan wel compensatie van de kosten. Daartoe voert Maat, samengevat, het volgende aan.

[verzoeker] kan geen aanspraak maken op loon over de periode van 25 mei 2020 tot en met 30 juni 2020. [verzoeker] heeft zonder deugdelijke grond geen passende arbeid verricht, terwijl zowel de bedrijfsarts als het UWV van oordeel waren dat hij daartoe voor halve dagen in staat was. Maat was daarom gerechtigd de loondoorbetaling stop te zetten. Ook over de periode vanaf het moment dat het UWV haar deskundigenoordeel heeft kenbaar gemaakt tot en met 30 juni 2020 heeft [verzoeker] geen aanspraak op loon. [verzoeker] heeft ook daarna nagelaten passende werkzaamheden te verrichten. Hij heeft telefonisch of schriftelijk geen contact opgenomen anders dan bij brief van 19 juni 2020. Op het e-mailbericht van 22 juni 2020, waarbij [verzoeker] in staat is gesteld direct met passende werkzaamheden aan te vangen, heeft hij niet gereageerd. Omdat [verzoeker] geweigerd heeft passende arbeid te verrichten, is de gehele loonaanspraak komen te vervallen. [verzoeker] kan daarom ook geen aanspraak maken op het deel van het loon waarvoor hij arbeidsongeschikt was.

Het verzoek tot betaling van loon over een niet genoten vakantiedag dient bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing te worden verworpen. Maat is niet bekend met een niet genoten vakantiedag. Het loon over zes gewerkte uren op zaterdag 18 januari 2020 is uitbetaald met de loonbetaling over februari 2020. Maat verzoekt de wettelijke verhoging af te wijzen althans te matigen tot 10%, aangezien Maat reeds op 28 september 2020 uitgebreid en inhoudelijk op de diverse vorderingen heeft gereageerd.

[verzoeker] is bij de berekening van de transitievergoeding uitgegaan van een verkeerd maandloon. De toe te wijzen transitievergoeding bedraagt € 1.532,- bruto, uitgaande van het correcte maandloon van € 2.469,36 bruto inclusief de verzochte tredeverhoging, 8% vakantietoeslag en een gemiddeld bedrag aan overuren van € 235,12 per maand. De wettelijke rente is slechts toewijsbaar vanaf de opeisbaarheid van de vorderingen. De verzochte juridische kosten zijn exorbitant en dienen als niet onderbouwd te worden afgewezen. De gemachtigde van [verzoeker] heeft voorafgaand aan de procedure slechts één brief aan Maat gestuurd. De jurisprudentie waar [verzoeker] naar verwijst is niet van toepassing op de onderhavige zaak, aldus steeds Maat.

5. De beoordeling

5.1.

Allereerst ligt de vraag voor of de door Maat in de periode van 25 mei 2020 tot 1 juli 2020 ingestelde loonstop terecht is geweest. Vooropgesteld wordt dat artikel 7:629 lid 3 BW Maat een dergelijk recht toekent voor de duur dat [verzoeker] zonder deugdelijke grond weigert passende werkzaamheden te verrichten terwijl hij daartoe wel in staat is. Vast staat dat de bedrijfsarts op 20 mei 2020 van oordeel is dat [verzoeker] vanaf 21 mei 2020 geschikt is om halve dagen rustige werkzaamheden in de loods te doen. Ook het UWV is, op 9 juni 2020, van oordeel dat er benutbare mogelijkheden zijn voor [verzoeker] om mee te werken aan zijn re-integratie en dat de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen plausibel zijn. Nu [verzoeker] vanaf 21 mei 2020 zonder deugdelijke grond geweigerd heeft aangepaste werkzaamheden te verrichten, heeft Maat de loondoorbetaling met ingang van 25 mei 2020 terecht gestaakt. Anders dan [verzoeker] meent, komt in het geval een werknemer zonder deugdelijke grond weigert passende arbeid te verrichten de aanspraak op loondoorbetaling in zijn geheel te vervallen, dus ook over het deel van de werktijd waarvoor de werknemer arbeidsongeschikt is.

5.2.

[verzoeker] stelt zich na ontvangst van het deskundigenoordeel op 9 juni 2020 beschikbaar te hebben gehouden voor re-integratie. Maat heeft betwist dat [verzoeker] zich beschikbaar heeft gehouden voor re-integratie. Vast staat dat [verzoeker] niet eerder dan op 16 en 17 juni 2020 kortdurend met (de onderneming van) Maat heeft gebeld, maar Maat heeft betwist dat [verzoeker] toen heeft aangegeven te willen re-integreren. Vast staat ook dat [verzoeker] geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van Maat van 22 juni 2020 om op 23 juni 2020 met aangepaste werkzaamheden te beginnen. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld het e-mailbericht van Maat van 22 juni 2020 niet op tijd te hebben gelezen en niet meer te weten waarom hij Maat destijds niet heeft gebeld om te zeggen dat hij het e-mailbericht te laat had gelezen en dat hij wél wilde re-integreren. Al met al heeft [verzoeker] zijn stelling dat hij zich na ontvangst van het deskundigenoordeel beschikbaar heeft gehouden voor re-integratie naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat het verzoek tot doorbetaling van loon over de periode van 25 mei 2020 tot 1 juli 2020 zal worden afgewezen.

5.3.

Maat heeft tijdens de mondelinge behandeling niet langer betwist dat [verzoeker] een aantal van 1,46 te betalen niet opgenomen vakantiedagen heeft. Partijen zijn het erover eens dat artikel 64 van de cao bepaalt dat voor een vakantiedag acht uren worden genoteerd en dat het overeengekomen uurloon inclusief tredeverhoging € 14,20 bruto bedraagt. Het ter zake verzochte bedrag van € 165,86 is dan ook toewijsbaar. Niet is betwist dat Maat over de aanspraak van [verzoeker] wegens niet genoten vakantiedagen 8% vakantietoeslag verschuldigd is. De met het toegewezen bedrag corresponderende vakantietoeslag bedraagt

€ 13,27 bruto. Dit bedrag wordt toegewezen. De verzochte wettelijke verhoging komt eveneens voor toewijzing in aanmerking, nu Maat de niet opgenomen vakantiedag en de daarover verschuldigde vakantietoeslag niet tijdig heeft betaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen zoals door Maat verzocht.

5.4.

[verzoeker] heeft ter zitting erkend dat hij het loon over de gewerkte zaterdag (18 januari 2020) ten bedrage van € 85,20 tegelijk met het loon over februari 2020 heeft ontvangen. Dit onderdeel van het verzoek wordt daarom afgewezen.

5.5.

Maat heeft erkend dat [verzoeker] op grond van de cao recht heeft op ‘indexering’ in 2020, dat wil zeggen: een tredeverhoging. Het ter zake verzochte bedrag van € 453,20 bruto heeft Maat erkend, zodat dit bedrag toewijsbaar is. De daarover verschuldigde vakantietoeslag van

€ 36,26 bruto is eveneens erkend en wordt toegewezen. De verzochte wettelijke verhoging wordt ook toegewezen, nu Maat de tredeverhoging en daarover verschuldigde vakantietoeslag niet tijdig heeft betaald.

5.6.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding.

[verzoeker] heeft ter zitting niet langer betwist dat het bruto maandloon inclusief tredeverhoging € 2.469,36 bedraagt. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat hij per maand gemiddeld een bedrag van € 235,12 aan overuren ontving. Dat betekent dat voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding een bruto maandloon van € 2.902,- inclusief tredeverhoging, vakantietoeslag en overwerk tot uitgangspunt zal worden genomen. Uitgaande van indiensttreding op 1 december 2018 en uitdiensttreding op 1 juli 2020 heeft [verzoeker] recht op een transitievergoeding van € 1.532,- bruto. Dit bedrag wordt toegewezen.

5.7.

Maat heeft niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen voldaan en is de wettelijke rente verschuldigd geworden. De wettelijke rente over de onder 5.3, 5.4 en 5.5 toegewezen bedragen zal zoals verzocht worden toegewezen vanaf 20 september 2020. [verzoeker] heeft verzocht de wettelijke rente over de transitievergoeding toe te wijzen vanaf 1 juli 2020. Op grond van artikel 7:686a lid 1 BW zal de wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 augustus 2020.

5.8.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 6.050,- (inclusief btw) netto aan advocaatkosten, waarbij inbegrepen een bedrag van € 907,50 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten. Volgens [verzoeker] is toewijzing van de volledige door hem gemaakte juridische kosten als schadevergoeding op grond van artikel 7:611 jo. 6:96 BW gerechtvaardigd, omdat Maat in strijd heeft gehandeld met artikel 7:673 BW en artikel 7:611 BW, waardoor [verzoeker] tegen wil en dank juridisch advies heeft moeten inwinnen om alsnog zijn transitievergoeding uitbetaald te krijgen.

5.9.

Voor een veroordeling tot betaling van de volledige advocaatkosten is slechts plaats in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van recht. Die situatie doet zich in dit geval niet voor. Ook heeft [verzoeker] niet om een billijke vergoeding verzocht, zodat de advocaatkosten niet aan een billijke vergoeding kunnen worden toegerekend zoals is gebeurd in de jurisprudentie waar [verzoeker] naar verwijst. Het verzochte bedrag aan advocaatkosten zal derhalve worden afgewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW Maat te veroordelen in de door [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke kosten. Maat heeft betoogd dat de gemachtigde van [verzoeker] slechts één brief heeft verstuurd. Bij een niet-consument als schuldenaar is voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat in beginsel een enkele brief voldoende is. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt, zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een nettobedrag van € 457,97 inclusief btw. De verzochte wettelijke rente over de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker] deze kosten reeds aan zijn gemachtigde betaald heeft.

5.11.

Alhoewel Maat niet als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd zal zij, nu [verzoeker] gelet op de vervaltermijn van drie maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst tussen partijen genoodzaakt was zijn aanspraak op de transitievergoeding in rechte geldend te maken, in de proceskosten worden veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Maat binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] te betalen (het netto equivalent van) een bedrag van € 165,86 bruto aan niet genoten vakantiedagen, vermeerderd met (het netto equivalent van) een bedrag van € 13,27 bruto aan vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over die bedragen ten bedrage van € 89,57, voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 20 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, een en ander onder overlegging van een bruto-netto loonspecificatie;

veroordeelt Maat binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] te betalen (het netto equivalent van) een bedrag van € 453,20 bruto aan achterstallig loon in verband met ten onrechte niet uitbetaalde tredeverhoging, vermeerderd met (het netto equivalent van) een bedrag van € 36,26 bruto aan vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over die bedragen ten bedrage van € 244,73, voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 20 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, een en ander onder overlegging van een bruto-netto loonspecificatie;

veroordeelt Maat binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] te betalen (het netto equivalent van) een bedrag van € 1.532,- bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, een en ander onder overlegging van een bruto-netto loonspecificatie;

veroordeelt Maat aan [verzoeker] te betalen een nettobedrag van € 457,97 inclusief btw aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Maat in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 499,- aan griffierecht en € 721,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

546