Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11068

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
C/10/600677 / JE RK 20-2044
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verlenging uithuisplaatsing en aanpassing omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens : C/10/600677 / JE RK 20-2044 en C/10/589604 / JE RK 20-106

datum uitspraak: 19 november 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing en aanpassing omgangsregeling

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen GI, gevestigd te Rotterdam,

en

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2018 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

Familie [naam pleegouders],

hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 13 januari 2020, ingekomen bij de griffie op 14 januari 2020.

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 24 februari 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

- het verzoek met bijlagen van de GI van 20 juli 2020, ingekomen bij de griffie op

20 juli 2020.

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 24 augustus 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

- de rapportage van de GI van 5 november 2020, ingekomen bij de griffie op 9 november 2020.

Op 19 november 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. P. Hoogenraad,

- de vader, als informant,
- de pleegvader, de heer [naam pleegvader] ,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mevrouw [naam vertegenwoordigster 1] en mevrouw

[naam vertegenwoordigster 2] .

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de pleegmoeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

Bij beschikking van 24 augustus 2020 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 september 2021.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 augustus 2020 ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 6 december 2020 en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting. Daarnaast heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder tot aanpassing omgangsregeling aangehouden tot deze zitting.

De aangehouden verzoeken

Het verzoek van de GI

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zou in deze periode onderzocht worden of een plaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder en [naam zusje minderjarige] in het moeder-kindhuis van Pluryn mogelijk was. Er heeft echter een escalatie plaatsgevonden in het moeder-kindhuis, wat er toe heeft geleid dat de moeder het huis heeft moeten verlaten en dat [naam zusje minderjarige] uit huis is geplaatst. De moeder heeft twee weken geleden nog omgang gehad met [voornaam minderjarige] en zij heeft een keer per twee weken een videobelmoment met hem. De GI heeft een verzoek tot onderzoek voor een gezagsbeëindiging ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming.

Het verzoek van de moeder

De moeder heef verzocht:

- de aanwijzing/de huidige omgangsregeling zoals vermeld vervallen te verklaren en tevens te bepalen dat moeder omgang met de minderjarige mag hebben de eerste tweemaal een dag van ’s morgens 09.00 uur tot 17.00 uur en na twee keer ieder weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 17.00 uur en vervolgens na deze twee weekenden uit te breiden iedere week met een dag totdat de minderjarige bij moeder opnieuw zal verblijven,

- althans een zodanige beslissing te nemen als de kinderrechter in goede justitie meent te moeten nemen.

Het standpunt van de belanghebbenden

De advocaat heeft namens de moeder ter zitting het verzoek betreffende de omgangsregeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. De moeder vindt de huidige omgang van eenmaal per maand te weinig. De uitspraak van het hof was dat er onderzocht moest worden of [voornaam minderjarige] eveneens bij de moeder kon verblijven in het moeder-kindhuis. Het is echter te betreuren dat de moeder in conflict is gekomen met de leiding van Pluryn, wat spanning heeft opgeleverd en ertoe heeft geleid dat Pluryn de moeder heeft weggestuurd. De moeder verblijft thans tijdelijk in Amsterdam en ze heeft urgentie aangevraagd voor een eigen woning in Vlaardingen. Zij hoopt dat spoedig huisvesting voor haar geregeld kan worden. Zij zit op dit moment klem, omdat zij geen inkomen heeft.

De moeder heeft in aanvulling op haar advocaat naar voren gebracht dat zij alles doet wat er van haar gevraagd wordt en dat zij een eerlijke kans wil krijgen. Volgens haar klopt het niet dat zij op twee omgangsmomenten met [voornaam minderjarige] niet is verschenen; zij is slechts eenmaal thuis gebleven.

De vader heeft aangegeven dat hij er kan zijn voor [voornaam minderjarige] . Hij heeft een eigen appartement met twee slaapkamers. Hij heeft een ongeluk gehad, waardoor hij anderhalf jaar bezig is geweest aan zijn herstel. [voornaam minderjarige] is zijn enige zoon en hij zou graag zien dat hij opgroeit binnen het netwerk.

De pleegvader heeft naar voren gebracht dat het goed gaat met [voornaam minderjarige] . Het is een vrolijk jongetje. [voornaam minderjarige] heeft er wel moeite mee dat nu zijn zusje [naam zusje minderjarige] ook in het pleeggezin verblijft de aandacht verdeeld moet worden.

De beoordeling

Met betrekking tot het verzoek van de GI

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken. [voornaam minderjarige] is een beschadigd kind dat veel onveiligheid en stress heeft ervaren op jonge leeftijd. Hij heeft veel begeleiding, stabiliteit en sturing nodig. Dit wordt hem geboden in het huidige pleeggezin en het gaat daar goed met [voornaam minderjarige] . In de afgelopen twee jaar is er weinig veranderd in de situatie van de moeder. Zij kampt nog steeds met emotieregulatie problematiek en heeft intensieve ondersteuning en begeleiding nodig om de opvoeding van [voornaam minderjarige] volledig op zich te kunnen nemen. In het moeder-kindhuis van Pluryn, waar de moeder met haar dochter [naam zusje minderjarige] verbleef, hebben gesprekken plaatsgevonden en is de moeder aangesproken op haar gedrag. De moeder stelde zich echter argwanend op naar de hulpverlening, zij had geen zelfinzicht en zij bagatelliseerde de problematiek. Dit heeft uiteindelijk tot meerdere escalaties geleid in het moeder-kindhuis, waarbij de leiding de veiligheid van de andere moeders en kinderen voorop heeft moeten stellen. De moeder kon hierdoor niet langer in het moeder-kindhuis verblijven en [naam zusje minderjarige] is uit huis geplaatst en geplaatst in het pleeggezin waar ook [voornaam minderjarige] verblijft. De door het hof in haar beschikking van 8 juli 2020 geboden opening aan de moeder om nog een kans te krijgen om zelf voor [voornaam minderjarige] te kunnen gaan zorgen, is door haar niet benut. Afgezien van de gebeurtenissen bij Pluryn en het gegeven dat Pluryn te kennen heeft gegeven dat [voornaam minderjarige] niet bij de moeder in de moeder-kind-setting van Pluryn kan worden ondergebracht, heeft de moeder ook momenteel geen inkomen en geen zelfstandige huisvesting. Haar woon- en leefsituatie is geenszins stabiel. Gelet ook op de persoonlijke problematiek van de moeder wordt zij nog steeds onvoldoende in staat geacht [voornaam minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] in het huidige pleeggezin en de kinderrechter acht het in zijn belang dat zijn verblijf aldaar wordt voortgezet.

Uit voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Met betrekking tot het verzoek van de moeder

Uit de overgelegde stukken van de GI en de behandeling ter zitting blijkt dat de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de moeder nog niet stabiel verloopt. Sinds de plaatsing van de moeder en haar dochter in het moeder-kindhuis in juli 2020 stonden er drie fysieke bezoeken gepland tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , waarvan uiteindelijk slechts een bezoek is doorgegaan. Volgens de GI doordat de moeder twee bezoeken op de dag zelf heeft afgezegd. De moeder betwist hier één van. Naast de maandelijkse fysieke bezoeken ziet de moeder [voornaam minderjarige] een keer per twee weken door middel van videobellen. Op het moment dat de omgang goed en stabiel verloopt kan er bezien worden of een uitbreiding hiervan in het belang van [voornaam minderjarige] is. Nu daarvan op dit moment nog geen sprake is, zal de kinderrechter het verzoek van de moeder afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 6 september 2021;

wijst het verzoek van de moeder af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

J.A. van Soest als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 december 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.