Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11064

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
C/10/606158 / KG ZA 20-964
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot ongedaanmaking beëindiging zorgverzekering afgewezen. Nadat eiser was uitgeschreven uit de BRP mocht gedaagde de zorgverzekering van eiser beëindigen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde verplicht is om hem met terugwerkende kracht weer als verzekerde in te schrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/606158 / KG ZA 20-964

Vonnis in kort geding van 25 november 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. N. Talhaoui te Rotterdam,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

[naam gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. Lameris te Schiedam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 oktober 2020, met producties;

  • -

    de producties van [naam gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 11 november 2020;

  • -

    de pleitnota van [naam eiser] ;

  • -

    de nagezonden productie van [naam eiser] .

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter [naam eiser] in de gelegenheid gesteld om diezelfde dag productie 10 te completeren (de ontbrekende pagina’s 4 tot en met 13 van de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2020). Hierbij is [naam gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst daarover binnen een week uit te laten. [naam eiser] heeft de volledige productie 10 overgelegd. [naam gedaagde] heeft zich hierover niet meer uitgelaten.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser] heeft bij [naam gedaagde] een zorgverzekering (basisverzekering en aanvullende verzekering) afgesloten.

2.2.

Bij besluit van 22 april 2020 heeft de gemeente Rotterdam (hierna: de Gemeente) [naam eiser] uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).

Tegen dit besluit heeft [naam eiser] bezwaar gemaakt.

2.3.

In april 2020 heeft [naam gedaagde] via een geautomatiseerd systeem dat gekoppeld is aan de BRP de mededeling ontvangen dat het adres van [naam eiser] in onderzoek was.

2.4.

Bij brief van 23 april 2020 heeft [naam gedaagde] aan [naam eiser] meegedeeld dat zij van de gemeente bericht heeft ontvangen dat hij zou zijn geëmigreerd en dat zij zijn recht op zorgverzekering wenst te controleren. Bij deze brief heeft [naam gedaagde] een vragenformulier toegezonden met daarin het verzoek aan [naam eiser] om gegevens te verstrekken over zijn verblijfplaats. [naam eiser] heeft dit formulier teruggezonden met daarop de (herhaalde) mededeling dat hij nog altijd woont op het bij [naam gedaagde] bekende adres in [woonplaats eiser] .

2.5.

Bij brief van 25 mei 2020 heeft [naam gedaagde] aan [naam eiser] bericht dat de zorgverzekering met terugwerkende kracht vanaf 3 december 2019 is beëindigd. In de brief staat hiervoor de volgende reden vermeld: “Geen informatie verstrekt.” Naar aanleiding hiervan heeft [naam gedaagde] een bedrag aan reeds betaalde premie en eigen risico aan [naam eiser] terugbetaald.

2.6.

In juni 2020 heeft [naam eiser] zorgkosten gemaakt in verband met een operatie aan zijn hand.

2.7.

Bij brief van 16 juni 2020 heeft de advocaat van [naam eiser] bij [naam gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de zorgverzekering en haar verzocht de door [naam eiser] gemaakte zorgkosten te vergoeden. In deze brief heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de enkele uitschrijving uit het BRP niet betekent dat [naam eiser] geen ingezetene van Nederland zou zijn. Daarbij heeft de advocaat twee salarisspecificaties overgelegd, waaruit volgens hem volgt dat [naam eiser] arbeid in Nederland verricht en is onderworpen aan de Nederlandse loonbelasting, zodat hij op grond van artikel 4a, derde lid onder a, Zorgverzekeringswet (Zvw) weer moet worden ingeschreven.

2.8.

Bij e-mail van 2 juli 2020 heeft [naam gedaagde] – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld aan de advocaat van [naam eiser] :

(...) Vervolgens hebben wij hem op 6 mei 2020 geattendeerd op het feit dat een registratie bij de gemeente noodzakelijk is om zijn zorgverzekering te kunnen voortzetten en dat hij ons binnen twee weken informeert over zijn registratie. Omdat wij binnen deze termijn geen reactie mochten ontvangen, hebben wij de zorgverzekering beëindigd en meneer op 25 mei 2020 hiervan een bevestiging gestuurd. Wij adviseren meneer om contact op te nemen met de gemeente om zo snel mogelijk een adres te laten registeren. (...)

Indien het op dit moment niet mogelijk is voor meneer om een adres te kunnen registeren bij de gemeente, dan adviseren wij meneer om een WLZ-verklaring op te vragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dit is de aangewezen instantie die zijn verzekeringsrecht kan vaststellen. Omdat de doorlooptijd voor de WLZ-verklaring gemiddeld 8 weken is, vragen wij hem ons binnen twee weken de bevestiging van de aanvraag toe te sturen. Op basis van deze bevestiging kunnen wij een dossier opstarten tot hij de WLZ-verklaring heeft ontvangen. (…)

2.9.

Bij e-mail van 8 juli 2020 heeft de advocaat van [naam eiser] [naam gedaagde] gesommeerd om de beëindiging van de zorgverzekering ongedaan te maken. In deze brief heeft de advocaat zich nogmaals op het standpunt gesteld dat [naam gedaagde] de zorgverzekering ten onrechte heeft beëindigd, omdat [naam eiser] niet is geëmigreerd en is onderworpen aan de Nederlandse loonbelasting.

2.10.

Bij brief van 27 juli 2020 heeft [naam gedaagde] aan (de advocaat van) [naam eiser] meegedeeld dat zij haar beslissing tot beëindiging van de zorgverzekering handhaaft. Deze beslissing is in de brief voorzien van een motivering en toelichting. [naam gedaagde] schrijft dat zij zonder inschrijving bij de gemeente niet tot ongedaanmaking van de beëindiging overgaat en verzoekt [naam eiser] (nogmaals) zich in te schrijven bij de gemeente, dan wel om een Wlz-verklaring aan te vragen bij de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB).

2.11.

Bij besluit van 5 augustus 2020 heeft de Gemeente het bezwaar van [naam eiser] tegen de uitschrijving uit de BRP ongegrond verklaard. In dit besluit heeft de Gemeente ten aanzien van [naam eiser] overwogen dat hij niet op het adres bereikbaar was en dat Publiekszaken (PZR) na een gedegen onderzoek geen verblijf- en adresgegevens heeft kunnen achterhalen. Voort heeft de Gemeente overwogen dat het verwijtbaar is dat [naam eiser] de gevraagde informatie (bonnetjes, bankafschriften waaruit blijkt dat het opgegeven adres het feitelijke woonadres was) niet heeft aangeleverd en dat hij afdoende in de gelegenheid is gesteld om deze aan te leveren. In dit besluit wordt onder meer melding gemaakt van twaalf onaangekondigde huisbezoeken, waarbij eenmaal iemand (vermoedelijk [naam eiser] ) is aangetroffen die zich weigerde te legitimeren en voor het overige niemand is aangetroffen. Daarnaast staat in het besluit vermeld dat er eenmaal (in oktober 2019) een grote stapel post is aangetroffen.

Tegen dit besluit heeft [naam eiser] beroep ingesteld.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [naam gedaagde] te bevelen:

1) de beëindiging van de inschrijving op grond van de Zorgverzekeringswet ongedaan te maken en om [naam eiser] met terugwerkende kracht weer als verzekerde in te schrijven, zulks op straffe van een dwangsom;

2) aan [naam eiser] € 3.697,15 te betalen ter zake van gemaakte zorgkosten.

3.2.

Aan deze vordering legt [naam eiser] het volgende ten grondslag.

[naam gedaagde] heeft de zorgverzekering ten onrechte beëindigd. Zoals [naam eiser] aan [naam gedaagde] heeft laten weten, woont hij nog altijd op het bij [naam gedaagde] bekende adres in [woonplaats eiser] . Hij is niet geëemigreerd en is gewoon ingezetene van Nederland gebleven. Indien hij niet als ingezetene kan worden aangemerkt, dan kan hij op grond van artikel 4a lid 3 sub a Zvw worden verzekerd, omdat hij in Nederland werkt en hier is onderworpen aan de loonbelasting. Tot slot moet [naam eiser] worden toegelaten tot de zorgverzekering, omdat hij er alles aan doet om ingeschreven te worden in de BRP, maar de Gemeente ten onrechte medewerking daaraan heeft geweigerd.

Aangezien de zorgverzekering ten onrechte is beëindigd, dient [naam gedaagde] de door [naam eiser] gemaakte zorgkosten (die overigens inmiddels zijn opgelopen) te vergoeden.

Omdat [naam eiser] nu onverzekerd is en zijn zorgkosten oplopen, heeft hij bij zijn vordering een spoedeisend belang.

3.3.

[naam gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

[naam gedaagde] is gehouden aan en geeft uitvoering aan de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarbij is zij afhankelijk van informatie die zij verkrijgt van andere partijen, waaronder de verzekerde zelf, gemeenten en de SVB. [naam gedaagde] heeft de zorgverzekering op goede gronden beëindigd.

Nadat de Gemeente aan [naam gedaagde] had laten weten dat het adres van [naam eiser] in onderzoek was, heeft [naam gedaagde] [naam eiser] in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat hij ingezetene van Nederland is. Hij is daarin niet geslaagd. Dat blijkt onder meer uit de ongegrondverklaring van zijn bezwaar door de Gemeente. Nu [naam eiser] niet is ingeschreven in de BRP, rest hem de mogelijkheid om de SVB te laten beoordelen of hij verzekerd is in de zin van de Wlz. De beoordeling van deze verzekeringsplicht ligt exclusief bij de SVB. De uitzondering van artikel 4a lid 3 sub a Zvw ziet enkel op grensarbeiders.

Gelet op de strenge eisen voor geldvorderingen in kort geding, moet de vordering tot vergoeding van de medische kosten worden afgewezen. Aangezien [naam eiser] op dat moment niet verzekerd was, zijn de door hem gemaakte medische kosten niet beoordeeld, zodat deze vordering onvoldoende aannemelijk is. Daarnaast is sprake van een restitutierisico. Meer subsidiair geldt dat de vordering dient te worden verminderd met de in dat geval door [naam eiser] verschuldigde verzekeringspremie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [naam gedaagde] de beëindiging van de inschrijving van de zorgverzekering van [naam eiser] – met terugwerkende kracht – ongedaan dient te maken en of zij gehouden is de door hem gemaakte ziektekosten te vergoeden.

4.2.

Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over de uitleg van de relevante bepalingen van de Zvw en de Wet langdurige zorg (Wlz) en de wijze waarop [naam gedaagde] daaraan uitvoering heeft gegeven.

4.3.

Op grond van artikel 2 Zvw zijn degenen die op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) van rechtswege verzekerd zijn, verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Artikel 6 lid 1, aanhef en sub d Zvw bepaalt dat de zorgverzekering van rechtswege eindigt indien de verzekeringsplicht van de verzekerde eindigt.

4.4.

Artikel 2.1.1 lid 1 Wlz bepaalt dat verzekerd is degene die:

  1. ingezetene is;

  2. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4.5.

Artikel 4a Zvw bepaalt dat een inschrijving in de BRP verplicht is voor het afsluiten van een zorgverzekering. Volgens de wetsgeschiedenis wordt met deze verplichting beoogd meer duidelijkheid te geven over de verzekeringsplicht op grond van ingezetenschap.

4.6.

[naam gedaagde] heeft toegelicht dat zij – net als andere zorgverzekeraars – de verzekeringsplicht van iemand die in Nederland woont vaststelt aan de hand van informatie uit de BRP en dat het uitschrijven uit de BRP (na enige tijd) gevolgen kan hebben voor het voortzetten van de zorgverzekering. Volgens [naam gedaagde] heeft zij [naam eiser] hierover ook bij brieven van 23 april en 6 mei 2020 geïnformeerd en hem verzocht om contact op te nemen met de gemeente. [naam eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij ondanks zijn uitschrijving uit de BRP nog altijd ingezetene is, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt hoe [naam gedaagde] dit zou kunnen vaststellen. Voorts heeft [naam eiser] de verzending en/of de ontvangst van de (overigens niet overgelegde) brief van 6 mei 2020 betwist, maar hij heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, waaruit volgt dat – ook indien hij de brief tijdig zou hebben ontvangen – hij zijn adresregistratie wel op orde zou hebben gemaakt. Tot op heden is [naam eiser] daarin immers ook nog niet geslaagd. Door de uitschrijving uit de BRP kon en kan [naam gedaagde] niet vaststellen dat [naam eiser] op grond van ingezetenschap van rechtswege verzekerde was op grond van de Wlz en daarmee verzekeringsplichtig was. Naar voorlopig oordeel mocht [naam gedaagde] de zorgverzekering van [naam eiser] dan ook op grond van artikel 6 lid 1 Zvw beëindigen en hoeft zij die beëindiging op dit moment niet ongedaan te maken.

4.7.

Voor het vereiste dat een te verzekeren persoon bij het aangaan van een zorgverzekering moet zijn ingeschreven in de BRP maakt artikel 4a lid 3 Zvw drie uitzonderingen. Deze uitzonderingen betreffen kort gezegd: a. het overleggen van een werkgeversverklaring of een salarisafschrift, waaruit volgt dat de te verzekeren persoon in Nederland arbeid verricht en hier aan loonbelasting is onderworpen; b. het overleggen van een verklaring van de SVB waaruit blijkt dat de te verzekeren persoon is verzekerd ingevolge de Wlz; c. indien de te verzekeren persoon redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat het opgegeven adres afwijkt van het adres waarop de persoon staat ingeschreven. [naam eiser] heeft een beroep gedaan op de uitzonderingen onder a (overleggen loonstrook) en c (geen verwijt) en heeft geweigerd gebruik te maken van de uitzondering onder b (verklaring SVB).

4.8.

Nog daargelaten dat deze uitzonderingen zien op het aangaan van een zorgverzekering en niet op het voorzetten of beëindigen daarvan, komt [naam eiser] naar voorlopig oordeel geen beroep toe op de uitzonderingen onder sub a. en c. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.9.

In de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/13, 33683, nr. 3) heeft de wetgever met betrekking tot deze uitzonderingen – zoals deze eerder in artikel 4 Zvw waren opgenomen – het volgende overwogen:

Op het beginsel dat het adres niet mag afwijken van het adres dat in de GBA is opgenomen, zijn een paar uitzonderingen mogelijk. In de eerste plaats indien de burger een recente verklaring van de SVB kan overleggen waaruit blijkt dat hij verzekerd is ingevolge de AWBZ. De SVB geeft op verzoek een dergelijke verklaring af indien door de SVB is vastgesteld dat de verzekeringsplicht voor de AWBZ aanwezig is, bijvoorbeeld omdat is vastgesteld dat de burger ingezetene is of wanneer er sprake is van een meer ingewikkelde situatie, zoals (uitzondering op) de verzekeringsplicht van bijzondere groepen personen (internationale organisaties, internationale ambtenaren) of in het geval een internationale detachering aan de orde is die tot verzekering in Nederland leidt. Een zodanige verklaring geldt zolang de grondslag voor de verzekeringsplicht aanwezig is. Ook kan de SVB op verzoek van de zorgverzekeraar en op dagbasis een verklaring afgeven met betrekking tot het al dan niet verzekerd zijn ingevolge de AWBZ.

Een tweede uitzonderingsgrond is – kortweg – aan de orde als iemand (uitsluitend) in Nederland werkt. Naast ingezetenschap is er namelijk ook sprake van verzekering voor de volksverzekeringen als iemand op grond van in dienstbetrekking verrichte arbeid in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen. Het is voor een burger die een zorgverzekering wil afsluiten vrij eenvoudig om dit aan te tonen door middel van een werkgeversverklaring en een recent loonstrookje of salarisspecificatie. Bijvoorbeeld de grensarbeider die in België woont en (uitsluitend) in Nederland werkt. De verzekeringsplicht is in die gevallen evident en betrokkene kan dan op eenvoudige wijze aantonen dat hij in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen.

Een derde uitzondering is opgenomen voor situaties waarin de burger geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat het adresgegeven afwijkt of dat de gemeente betrokkene (nog) niet in de GBA wil inschrijven. De burger moet in voorkomend geval aannemelijk maken dat hiervan sprake is. Zo kan het voorkomen dat een adres bij de gemeente nog in onderzoek is en de registratie van de start van dit onderzoek korter geleden is dan drie maanden.

De zorgverzekeraar kan ook op grond van deze uitzondering betrokkene als verzekerde inschrijven indien een burger er alles aan heeft gedaan om zich in te schrijven in de GBA, maar de gemeente dit, naar de mening van de burger, ten onrechte weigert, bijvoorbeeld als een burger zich wil inschrijven op het adres van een recreatiewoning en een gemeente dit weigert. Ook kan een dergelijke situatie zich voordoen na bijvoorbeeld een echtscheiding en iemand tijdelijk op een ander adres woont.

4.10.

Hoewel de tekst van artikel 4a lid 3 sub a Zvw (het overleggen van een loonstrook) hierover geen duidelijkheid biedt, lijkt uit de wetsgeschiedenis te volgen dat deze bepaling – in ieder geval aanvankelijk – bedoeld was voor niet-ingezetenen die wel in Nederland werken, zoals bijvoorbeeld grensarbeiders. Dit sluit aan bij de systematiek van artikel 2.2.1 lid 1 Wlz (zie 4.4), die onderscheid maakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. Dit ligt ook in de rede, omdat ingezetenen nu juist geacht worden over een (kloppende) BRP-inschrijving te beschikken. Dat het mogelijk is om iemand zonder adres in de BRP op basis van een loonstrook als verzekerde in te schrijven, betekent niet dat de verzekeraar verplicht is dit met terugwerkende kracht te doen. Naar voorlopig oordeel is [naam gedaagde] daarom niet verplicht om [naam eiser] op grond van deze uitzondering met terugwerkende kracht in te schrijven. Daar komt nog bij dat [naam eiser] enkel loonstroken over april en mei 2020 heeft verstrekt, en dus niet over de periode vanaf 3 december 2019.

4.11.

Voor de uitzondering van artikel 4a lid 3 sub c Zvw (geen verwijt) ligt het op de weg van [naam eiser] om aan te tonen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het hebben van een afwijkende BRP-registratie. Nog daargelaten dat het bij [naam eiser] gaat om het ontbreken van een BRP-registratie en dus niet om het hebben van een afwijkende registratie, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat [naam eiser] hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In de beslissing op bezwaar is immers overwogen dat [naam eiser] op het betreffende adres niet bereikbaar is en dat het verwijtbaar is dat hij gevraagde informatie niet heeft aangeleverd. Het feit dat [naam eiser] tegen dit besluit beroep heeft ingesteld is onvoldoende om aan te nemen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet hebben van een BRP-registratie, laat staan dat dit met terugwerkende kracht het geval is. Overigens heeft [naam eiser] ter zitting ook geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat hij – zoals hij stelt – wel op het betreffende adres woont.

4.12.

Gelet op het voorgaande moet de vordering tot ongedaanmaking van de beëindiging worden afgewezen. Daarmee bestaat ook geen grond voor een veroordeling van [naam gedaagde] in de gemaakte zorgkosten.

4.13.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [naam eiser] een groot belang heeft bij het hebben van een zorgverzekering. [naam gedaagde] kan geen verwijt worden gemaakt van de uitschrijving van [naam eiser] uit de BRP. Gelet daarop geeft de voorzieningenrechter [naam eiser] in overweging om met [naam gedaagde] in overleg te treden onder welke voorwaarden hij weer kan worden ingeschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [naam gedaagde] verklaard dat [naam eiser] op basis van een Wlz-verklaring van de SVB kan worden ingeschreven, en dat dat afhankelijk van die verklaring ook met terugwerkende kracht mogelijk kan zijn.

4.14.

[naam eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 3.022,00,

4.15.

De nakosten worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 3.022,00;

5.3.

veroordeelt [naam eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020.

3077/1573