Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11063

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-10-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
C/10/605414 / KG ZA 20-913
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, opheffing conservatoir beslag op inhoud 39 containers biobrandstof tegen zekerheidsstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2021/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/605414 / KG ZA 20-913

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2020

in de zaak van

de buitenlandse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WASTE OIL TRADE LLC,

gevestigd te Miami (Verenigde Staten van Amerika),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. Sinke te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

BIOGRA TRADING LTD,

gevestigd te Hong Kong (Volksrepubliek China),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.G.D. Hoek te Rotterdam.

Partijen worden hierna WOT en Biogra genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 oktober 2020, met producties en aanvullende producties (in totaal 23);

  • -

    de brieven van 21 oktober en 25 oktober 2020 van Biogra, met (10) producties, een toelichting daarop en (de aankondiging van) een eis in reconventie;

  • -

    de wijziging van eis van WOT;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 26 oktober 2020 door middel van Skype;

  • -

    de pleitnota van WOT;

  • -

    de pleitnota van Biogra.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

WOT en Biogra houden zich bezig met de handel in biodiesel.

2.2.

Biogra handelt met name in UCOME, een biodiesel die gemaakt wordt van UCO (used cooking oil). Voor UCOME geldt een Europese subsidieregeling. SME (soybean oil methyl ester) is een andere soort biodiesel. Voor SME die uit de Verenigde Staten komt, gelden Europese import- en antidumpheffingen.

2.3.

In 2019 heeft Biogra een overeenkomst gesloten met de Bosnische vennootschap Sistem Ecologica D.O.O. SRBAC (hierna: SE) met betrekking tot de aankoop en levering van UCOME.

2.4.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding OLAF heeft onderzoek gedaan naar de activiteiten van SE. In het door OLAF opgestelde rapport van 9 juni 2020 staat onder meer het volgende vermeld:

  • -

    SE was niet in staat om UCO te raffineren en om UCOME te produceren;

  • -

    Biodiesel afkomstig uit de Verenigde Staten is ten onrechte ingevoerd als UCO (de grondstof voor UCOME) en vervolgens ten onrechte naar België uitgevoerd als UCOME;

  • -

    WOT was vanaf 2017 de exporteur van de biodiesel uit de Verenigde Staten.

2.5.

Op 15 juni 2020 heeft Biogra ter zake van de invoer van door haar van SE gekochte biodiesel een dwangbevel ontvangen van de Belgische douane voor een bedrag van € 3.026.388,74. Dit dwangbevel ziet op het alsnog voldoen van invoerrechten en antidumpheffingen voor biodiesel die niet uit Bosnië maar uit de Verenigde Staten afkomstig is.

2.6.

Tegen dit dwangbevel heeft Biogra in Brussel een vernietigingsprocedure aanhangig gemaakt.

2.7.

Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Biogra op 21 en 28 juli 2020 ten laste van, onder meer, SE en WOT conservatoir beslag gelegd op de inhoud van (20 en 19 en daarmee) 39 containers met biobrandstof. Dit beslag strekt tot zekerheid van verhaal van een vordering van € 3.560.347,05 (inclusief rente en kosten). Aan deze vordering heeft Biogra ten grondslag gelegd dat gerekestreerden onder wie WOT onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld.

2.8.

In de beslagrekesten heeft Biogra het standpunt ingenomen dat SE, de Nederlandse vennootschap Fob Fats (van wie Biogra ook UCOME heeft gekocht) en WOT allen verschijningsvormen van één en dezelfde illegale onderneming zijn. Die onderneming houdt zich bezig met het inklaren van Amerikaanse biodiesel als UCO om dat vervolgens als niet-Amerikaanse UCOME in de EU in te voeren. Biogra heeft er hierbij op gewezen dat de heren [naam persoon A] , [naam persoon B] en [naam persoon C] betrokken zijn bij zowel SE, Fob Fats als WOT.

2.9.

Biogra had eerder ook al conservatoire beslagen doen leggen ten laste van FOB, SE en [naam persoon B] , [naam persoon C] en [naam persoon A] .

2.10.

Daarnaast heeft Biogra bewijsbeslag doen leggen op (een deel van) de biodiesel, die zij vervolgens met instemming van WOT heeft bemonsterd en laten onderzoeken door Saybolt. In haar rapportage schrijft Saybolt het volgende:

Based upon the found results, our conclusion is that this most probably is SME (Soya Methyl Ester) and not UCOME (Used Cooking Oil MethylEster).

2.11.

Op 23 juli 2020 is Biogra bij de High Court of Justice in Londen een procedure gestart tegen SE, [naam persoon C] , [naam persoon B] en WOT. In deze procedure vordert Biogra een schadevergoeding op grond van wanprestatie en onrechtmatige daad, meer specifiek fraud.

2.12.

Na de beslaglegging zijn de twee ladingen met containers verplaatst naar twee depots: Container Terminal Europoort en WDS Terminals.

2.13.

De kosten voor demurrage en detention van de beslagen containers bedroegen medio oktober 2020 ruim € 300.000,-. De kosten lopen elke dag op met ongeveer € 2.300,-.

2.14.

Vanaf eind augustus 2020 zijn partijen in overleg getreden over de verkoop van de beslagen biodiesel en het stellen van vervangende zekerheid. Hierbij is onder meer ter sprake gekomen dat Biogra de biodiesel zou kopen.

2.15.

Op 7 oktober 2020 heeft mr. Sinke namens WOT een aanbod tot zekerheidstelling gedaan met een aantal voorwaarden, onder voorbehoud van goedkeuring door zijn cliënten. Het voorstel hield onder meer in dat de biodiesel zou worden verkocht aan een derde en dat voor een bedrag van USD 637.500,- aan zekerheid zou worden gesteld.

2.16.

Op 8 oktober 2020 heeft mr. Sinke aan mr. Hoek een uitgewerkte conceptovereenkomst gemaild, nog steeds onder voorbehoud van goedkeuring door zijn cliënten.

2.17.

Bij e-mail van 8 oktober 2020 heeft mr. Sinke aan mr. Hoek meegedeeld dat zijn cliënten het bedrag van USD 637.500,- te hoog vinden en dat zij voorstellen USD 500.000,- aan zekerheid te stellen. In deze e-mail wijst mr. Sinke op de moeilijkheid van het vinden van een koper, de mogelijke vervoerskosten en de oplopende kosten voor demurrage en detention.

2.18.

Op 16 oktober 2020 hebben de advocaten van partijen telefonisch met elkaar gesproken.

2.19.

Bij e-mail van 16 oktober 2020 (14:45 uur) heeft de advocaat van WOT naar aanleiding van dat gesprek het volgende geschreven aan [naam persoon B] :

He just called me a few minutes ago and told me that Biogra agrees to the proposal of depositing USO 500K as security against the lifting of the arrests on the 39 containers, whereby WOT deals with the demurrage and detention.

[naam persoon B] , can you confirm that this is still on the table and that I can finalize this 'settlement' with Mr.Hoek?

2.20.

Bij e-mail van 16 oktober 2020 (16:25 uur) heeft mr. Hoek het volgende meegedeeld aan mr. Sinke:

This morning we discussed the offer made from your side which was accepted by clients this afternoon. If this settlement is not effected for any reason I would as before suggest to unload the tank containers to stop the bleeding of costs; contents can then remain under arrest until we have a court decision or a deal.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

Na wijziging van eis vordert WOT in conventie, samengevat:

I. primair om de conservatoire beslagen op de 39 tankcontainers met lading op te heffen tegen het stellen van vervangende zekerheid door of namens WOT, middels storting van een bedrag ad USD 258.894,64, op de derdenrekening van de raadsman van WOT (mr. R. Sinke), welke vervangende zekerheid zal worden gehouden ten gunste van Biogra onder de voorwaarden van het Rotterdams Garantieformulier 2008 en de concept overeenkomst d.d. 8 oktober 2020 die bij productie 13 door WOT in het geding is gebracht;

II. subsidiair Biogra te veroordelen om te gehengen en gedogen dat:

 de lading in de 39 beslagen containers voornoemd, wordt verkocht aan een door WOT te bepalen derde;

 de goederen worden verkocht tegen een marktconforme prijs;

 de opbrengst wordt gestort op een gezamenlijke rekening of een derdenrekening, waar het blijft staan als vervangende zekerheid ten gunste van Biogra, onder de voorwaarden van het Rotterdams Garantieformulier 2008;

 de kosten van demurrage en detention, alsmede andere kosten die drukken op of verbonden zijn aan deze specifieke containers en lading zullen worden voldaan uit de opbrengst van de goederen;

 de beslagen worden opgeheven na storting van de betaling van de koopprijs.

III. om primair de conservatoire beslagen op de voornoemde tankcontainers ten laste van WOT gelegd, op te heffen, uiterlijk binnen 24 uur na de ontvangst van het kortgedingvonnis, en subsidiair, om de door WOT gestelde zekerheid (in welke vorm dan ook) ter opheffing van de conservatoire beslagen, uiterlijk binnen 24 uur na de ontvangst van het kortgedingvonnis, vrij te stellen en te retourneren aan WOT;

I. en III. op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Biogra in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering legt WOT het volgende ten grondslag.

WOT is eigenaar van de door Biogra beslagen biobrandstof, die zich in de 39 containers bevindt. Door deze beslaglegging lijdt WOT aanzienlijke schade, ook aangezien de kosten van demurrage en detention elke dag met € 2.300,00 oplopen.

De door Biogra gestelde vordering op WOT is summierlijk ondeugdelijk. WOT heeft niet onrechtmatig gehandeld en zij kan ook niet vereenzelvigd worden met SE. Het besluit waarin het dwangbevel is opgelegd is bovendien ondeugdelijk. OLAF heeft met onvoldoende kennis verkeerde aannames gedaan. Voorts sluit WOT niet uit dat Biogra van de Belgische douane uitstel van betaling heeft verkregen, zodat zij thans geen vordering heeft. WOT betwist de bevoegdheid van de High Court en dat aan de hand van het zogenaamde Claim Form een hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv is ingesteld. betwist, waaraan zij de conclusie verbindt dat het beslag van rechtswege is vervallen.

Indien WOT tussen de mondelinge behandeling en het wijzen van vonnis overgaat tot het stellen van zekerheid, dient die zekerheid te worden geretourneerd.

Verder dient het beslag na zekerheidstelling te worden opgeheven. Aangezien de waarde van de beslagen biodiesel minder bedraagt dan de waarde van de vordering, dient voor de hoogte van de zekerheidstelling te worden aangeknoopt bij de verkoopopbrengst van de biodiesel. Dit betekent dat de kosten van demurage en detention op die zekerheidstelling in mindering moeten strekken. Indien een beslaglegger meer zekerheid verlangt, dan wordt het beslag als een oneigenlijk pressiemiddel gebruikt. Aangezien partijen op dit punt geen overeenstemming hebben bereikt, dient de voorzieningenrechter hierover te beslissen.

WOT becijfert de waarde van de biodiesel nu op (USD 637.500,- minus USD 378.605,36=) USD 258.000,-.

3.3.

Biogra voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

In reconventie vordert Biogra, samengevat: WOT te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst tot het stellen van vervangende zekerheid van 16 oktober 2020, zulks op straffe van een dwangsom.

3.5.

Aan deze vordering legt Biogra het volgende ten grondslag. Op 16 oktober 2020 is na de aanvaarding per telefoon door Biogra een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan WOT zekerheid dient te stellen voor een bedrag van USD 500.000,-.

3.6.

WOT voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de woonplaatsen van partijen heeft de zaak een internationaal karakter. Ambtshalve stelt de voorzieningenrechter vast dat zij op grond van artikel 705 Rv bevoegd is tot kennisname van de vordering in conventie, aangezien de voorzieningenrechter van deze rechtbank op de voet van artikel 700 Rv het verlof voor de beslagen heeft gegeven. Voor het overige is de voorzieningenrechter bevoegd reeds omdat partijen die bevoegdheid over en weer niet hebben bestreden.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het in hun beider belang is dat de beslagen biodiesel zo snel mogelijk wordt verkocht. Partijen zijn verdeeld over de vraag tegen welk bedrag zekerheid moet worden gesteld en of daarover een overeenkomst tot stand is gekomen. Uit praktische overwegingen zal de voorzieningenrechter eerst de reconventionele vordering, die ziet op de gestelde overeenkomst, beoordelen.

de vordering in reconventie

4.3.

Voor een veroordeling tot nakoming is in kort geding slechts plaats indien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat ook in een eventueel aan te spannen bodemprocedure toewijzing van die vordering tot nakoming te verwachten is. Dit betekent dat de vordering van Biogra alleen dan kan worden toegewezen, indien in voldoende mate aannemelijk wordt dat de gestelde overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.

4.4.

Tegenover het standpunt van Biogra dat zij tijdens het telefoongesprek van 16 oktober 2020 het eerder gedane aanbod van WOT heeft aanvaard, heeft WOT aangevoerd dat het na het (herhaalde) aanbod van 8 en 9 oktober 2020 enige tijd stil is gebleven. Zij heeft daaruit afgeleid dat het aanbod niet was geaccepteerd. De advocaat van WOT heeft ter zitting verklaard dat tijdens het gesprek van 16 oktober 2020 is besproken dat eerst nog overleg met WOT diende plaats te vinden om te kijken of het aanbod nog altijd geldig was. De advocaat van Biogra heeft dit weliswaar betwist, maar uit de overgelegde e-mailcorrespondentie kan niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de gestelde overeenkomst op 16 oktober 2020 tot stand is gekomen. In de eerste plaats staat vast dat het aanbod tot zekerheidstelling van het bedrag van USD 500.000,- niet dadelijk is aanvaard. Gelet op de oplopende kosten is niet ondenkbaar dat het aanbod van 9 oktober op 16 oktober niet meer onverkort geldig was en/of dat partijen de bereikte overeenstemming nog dienden te bevestigen. Uit de e-mailcorrespondentie volgt ook dat beide advocaten na het telefoongesprek contact hebben opgenomen met hun cliënten, waarbij de intrekking van het aanbod door WOT kennelijk eerder was dan de bevestiging van de aanvaarding door Biogra. In dit kort geding is daarom onvoldoende aannemelijk dat de door Biogra gestelde overeenkomst op 16 oktober 2020 tot stand is gekomen. De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen.

4.5.

In reconventie wordt Biogra als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Biogra worden begroot op € 490,00 (factor 0,5 × tarief € 980,00) aan salaris advocaat.

De vorderingen in conventie

4.6.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een conservatoir beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Het ligt op de weg van WOT om, met inachtneming van de beperkingen van het kort geding, aannemelijk te maken dat de door Biogra gepretendeerde vorderingen ondeugdelijk zijn of dat het voortduren van de beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Bij deze beoordeling dient een belangenafweging plaats te vinden. Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn. Bij afwijzing van de vordering kan de beslaglegger voor de door het beslag ontstane schade (in ieder geval in theorie) worden aangesproken.

4.7.

In dit kort geding heeft WOT gesteld dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd ondeugdelijk is, dat de eis in de hoofdzaak niet tijdig aanhangig is gemaakt, dat het beslag na zekerheidstelling moet worden opgeheven en dat de zekerheidstelling moet worden geretourneerd.

Deugdelijkheid van de vordering

4.8.

Vast staat dat Biogra een dwangbevel heeft ontvangen ter zake van de door SE aan haar geleverde biodiesel, die ten onrechte was aangemerkt als UCOME. Gelet op de bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van Olaf , is aannemelijk at de aan Biogra geleverde biodiesel (althans de grondstof ervan) afkomstig was van WOT en dat deze lading (in Bosnië-Herzegovina) ten onrechte is ingevoerd als UCO.

4.9.

WOT heeft weliswaar de juistheid van de bevindingen van OLAF bestreden, maar die betwisting doet niet af aan het dwangbevel op grond waarvan Biogra ruim € 3.000.000,- dient te voldoen. Gelet op dat dwangbevel en de bevindingen van OLAF is voldoende aannemelijk dat Biogra ter zake een vordering heeft, in ieder geval op SE. Biogra heeft op dit punt onweersproken gesteld dat de verschuldigdheid van het dwangbevel niet wordt geschorst door het instellen van beroep. Met betrekking tot de vraag of Biogra ook een vordering heeft op WOT – volgens partijen eigenaar van de beslagen biodiesel – overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.10.

Biogra heeft geen beroep gedaan op vereenzelviging, zodat dat punt hier verder geen bespreking behoeft.

4.11.

Biogra stelt dat (ook) WOT jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens Biogra is de door haar gestelde fraude mede mogelijk gemaakt door WOT omdat de biodiesel van haar afkomstig is en omdat deze ten onrechte is ingevoerd als UCO en er verbondenheid is tussen (de personen achter) WOT en SE. Biogra heeft met verwijzing naar de door haar overlegde legal opinion gesteld dat een en ander naar Engels recht is aan te merken als fraud, waarbij het erom gaat dat WOT deel uitmaakt van een groep die fraud heeft gepleegd en de onderlinge taakverdeling niet van belang is.

4.12.

WOT heeft niet weersproken dat zij de biodiesel heeft geleverd aan SE en dat deze vervolgens is doorgeleverd aan Biogra, Haar stelling dat het enkel leveren van de goederen geen onrechtmatige daad oplevert, wordt niet gevolgd. Niet uit te sluiten valt dat het leveren van SME als UCO als onrechtmatig kan worden aangemerkt, al dan niet als onderdeel van fraud in samenwerking met onder meer SE. Daar komt bij dat WOT geen duidelijkheid geeft over de vraag of de betreffende levering aan SE volgens haar nu wel of niet UCO betrof en of deze als UCO werd ingevoerd. Mede gelet op de verbondenheid tussen WOT en SE valt niet uit te sluiten dat WOT wist of had moeten weten dat de door haar aan SE geleverde biodiesel zou worden gebruikt bij de verhandeling van SME als UCOME.

4.13.

Tegen deze achtergrond heeft WOT onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vordering van Biogra summierlijk ondeugdelijk is, zodat er – nog daargelaten een belangenafweging – geen grond is voor een opheffing zonder voorwaarden.

4.14.

Bij het verlenen van het eerste verlof heeft de voorzieningenrechter de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak bepaald op 30 dagen na beslaglegging. In het tweede verlof heeft de voorzieningenrechter geen termijn bepaald, omdat Biogra in het tweede beslagrekest (van 27 juli 2020) heeft gesteld dat zij deze reeds aanhangig heeft gemaakt. Dit betreft de procedure voor de High Court. Biogra heeft gesteld dat de eis in de hoofdzaak op 23 juli 2020 is ingesteld. Gelet op HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773 neemt de voorzieningenrechter vooralsnog aan dat de hoofdzaak daarmee op die datum aanhangig was. Dit is binnen de in het eerste verlof gestelde termijn en vóór de verlening van het tweede beslagverlof. De stelling van WOT dat zij mogelijk niet tijdig is gedagvaard, is – zonder nadere toelichting die WOT niet heeft gegeven en mede gelet op het hiervoor vermelde arrest – onvoldoende om aan te nemen dat de eis in de hoofdzaak niet tijdig aanhangig is gemaakt.

4.15.

In de hoofdzaak dient de High Court de eigen bevoegdheid te beoordelen. De voorzieningenrechter kan dus niet vooruitlopen op de mogelijke onbevoegdheid van de High Court in de procedure tegen WOT. Gelet op de stelling van Biogra dat de High Court in de procedure tegen SE exclusief bevoegd is en dat de samenhang tussen de gedaagden en de vorderingen ook bevoegdheid oplevert voor de procedure tegen WOT, lijkt die bevoegdheid ook niet op voorhand uitgesloten.

Zekerheidstelling

4.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat een beslag moet worden opgeheven wanneer er voldoende zekerheid is gesteld. WOT heeft niet aangeboden om zekerheid te stellen voor de gehele vordering. Dit betekent dat de opheffingsgrond van artikel 705 lid 2 Rv niet aan de orde is. Mede gelet op de kosten van het beslag en de (mogelijk) afnemende executieopbrengst ligt het evenwel in de rede dat partijen zelf een regeling treffen. Slagen zij hierin niet, dan blijven beide partijen met (nagenoeg) lege handen achter. Ondanks de gevoerde onderhandelingen zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen.

4.17.

De stelling van WOT dat Biogra genoegen moet nemen met een zekerheid van USD 258.894,64 wordt niet gevolgd. Redengevend daarvoor is het volgende. De voorzieningenrechter constateert dat partijen het erover eens zijn dat de marktwaarde van de beslagen biodiesel recent USD 637.500,- bedroeg of zou moeten bedragen. De te verwachten executieopbrengst zal minder zijn dat bedrag. Dat WOT in dat licht begin oktober 2020 heeft aangeboden om USD 500.000,- aan zekerheid te stellen, is niet onredelijk te achten. Hiermee heeft Biogra immers meer zekerheid dan bij handhaving van het beslag. Anders dan WOT heeft betoogd dienen niet alle kosten, zoals de kosten voor demurrage en detention, op de zekerheidstelling in mindering te worden gebracht, ook niet als ter zake van deze kosten mogelijk een retentierecht kan worden ingeroepen (dat ook werking heeft tegen derden zoals Biogra). Dit wordt pas relevant indien dat retentierecht ook daadwerkelijk wordt ingeroepen en WOT geen verhaal biedt, en dat is vooralsnog niet aan de orde. Of en in welke mate bij het bepalen van de zekerheidstelling rekening moeten houden met die kosten zal afhangen van de vraag of de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

4.18.

Aangezien partijen pas in een relatief laat stadium zijn aangevangen met hun onderhandelingen en niet valt in te zien waarom WOT de inhoud van de tankers niet, conform de suggestie van Biogra, tegen lagere kosten heeft doen opslaan in een landtank, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de kosten voor demurrage en detention niet in overwegende mate zijn toe te rekenen aan Biogra. Daarnaast roept de omstandigheid dat WOT niet heeft kunnen of willen verklaren wat de inhoud van de beslagen containers was vragen op. Anderzijds valt niet in te zien waarom Biogra niet sneller heeft gereageerd op het aanbod van WOT tot zekerheidstelling van USD 500.000,-. Ook daardoor zijn de kosten (onnodig) verder opgelopen.

4.19.

Gelet op het voorgaande en om de impasse te doorbreken zal de voorzieningenrechter bepalen dat de beslagen moeten worden opgeheven tegen zekerheidstelling van (het equivalent van) USD 475.000,-. Daarbij past niet dat de zekerheidstelling dan weer door Biogra aan WOT moet worden geretourneerd. De daartoe strekkende vordering wordt dan ook afgewezen.

4.20.

WOT wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van WOT worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

heft op het door Biogra ten laste van WOT gelegde beslag op de inhoud van de 39 containers, direct nadat of zodra WOT voor een bedrag van USD 475.000,00 zekerheid stelt;

5.2.

veroordeelt WOT in de proceskosten, aan de zijde van Biogra tot op heden begroot op € 1.636,00;

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5.

wijst het gevorderde af;

5.6.

veroordeelt Biogra in de proceskosten, aan de zijde van WOT tot op heden begroot op € 490,00;

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2020.

3077/2009