Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11053

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
8458881
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

premieachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8458881 \ CV EXPL 20-12045

uitspraak: 27 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VGZ Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “VGZ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 7 april 2020, met producties;

  • -

    het schriftelijke verweer van [gedaagde] , ingediend op de rolzitting van 8 juli 2020, met producties.

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    het schriftelijke verweer van [gedaagde] , ingediend op de rolzitting van 2 september 2020, met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen partijen is een zorgverzekeringsovereenkomst met polisnummer [polisnummer] tot stand gekomen.

2.2.

Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] verzekeringspremie, eigen risico, eigen bijdrage en eventuele door VGZ voorgeschoten zorgkosten verschuldigd.

3. De vordering

3.1.

VGZ heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 500,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft VGZ - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - naast de genoemde vaststaande feiten het volgende ten grondslag gelegd.

Op grond van de overeenkomst is [gedaagde] gehouden de verschuldigde premie voor de basisverzekering en eventueel aanvullende verzekering(en) bij vooruitbetaling te voldoen. Daarnaast is [gedaagde] gehouden eventuele andere facturen, waaronder zorgkostennota’s en/of eigen risico-nota’s, aan VGZ te voldoen. [gedaagde] heeft premiebedragen en zorgkostennota’s ter hoogte van een totaalbedrag van € 784,89 onbetaald gelaten. Dit totaalbedrag heeft betrekking op de verschuldigde premie over de periode maart tot en met mei 2012, juli tot en met augustus 2012, oktober 2012 en december 2012 alsmede een tweetal zorgkostennota’s met als factuurdata respectievelijk 29 november 2018 en 4 maart 2019. [gedaagde] is, ondanks aanmaning, in gebreke gebleven met voldoening van voornoemd totaalbedrag, zodat VGZ haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven. VGZ maakt tevens aanspraak op de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

VGZ beperkt haar vordering op [gedaagde] in het kader van de onderhavige procedure tot

€ 500,- ter voorkoming van een hoger bedrag aan griffierecht, waarbij VGZ haar rechten tot de invordering van het resterende deel reserveert.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

De door VGZ gestelde betalingsachterstand wordt door [gedaagde] betwist. [gedaagde] heeft de gevorderde premie en zorgkostennota’s reeds voldaan aan VGZ. Er zijn geen bedragen gestorneerd. Desondanks heeft VGZ de vordering uit handen gegeven aan Flanderijn. In 2015 heeft [gedaagde] viermaal € 50,- en eenmaal € 59,- aan Flanderijn voldaan. Vervolgens ontving [gedaagde] in 2017 ten aanzien van onderhavige vordering berichten van [naam] en in 2018 van Inkassier. [gedaagde] heeft telkens medegedeeld dat de vordering onterecht is en heeft betalingsbewijzen opgestuurd.

4.2.

De communicatie met zowel VGZ als Inkassier was erg slecht en er worden telkens wisselende bedragen genoemd. [gedaagde] verzoekt VGZ te veroordelen tot vergoeding van door [gedaagde] gemaakte administratieve kosten van € 50,-, bestaande uit kosten voor een inktcartridge en printpapierkosten.

5. De beoordeling

5.1.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat VGZ de vordering na vijf jaar (opnieuw) uit handen heeft gegeven. Voor zover [gedaagde] hiermee een beroep op verjaring heeft willen doen, wordt als volgt overwogen. Artikel 3:308 BW bepaalt dat een vordering tot betaling van periodiek verschuldigde bedragen verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

5.2.

Vast staat dat de thans gevorderde premie in de periode maart tot en met december 2012 opeisbaar is geworden. Uit de door VGZ bij dagvaarding overgelegde aanmaningen volgt dat haar incassogemachtigde [gedaagde] op 22 augustus 2013 en 12 november 2014 heeft aangeschreven ter zake van de thans gevorderde premiebedragen. [gedaagde] heeft de ontvangst van deze aanmaningen niet betwist. Voorts is gebleken dat [gedaagde] in december 2017 per

e-mail heeft gecorrespondeerd met de incassogemachtigde van VGZ over het toesturen van betalingsbewijzen betreffende de thans gevorderde premie. Tenslotte is op 18 februari 2019 een kosteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW aan [gedaagde] gezonden, waarvan [gedaagde] de ontvangst evenmin heeft betwist. Er zijn derhalve sinds 2012 diverse stuitingshandelingen verricht, zodat van verjaring van de vordering thans geen sprake is.

5.3.

VGZ heeft bij haar conclusie van repliek een overzicht in het geding gebracht van alle door [gedaagde] verschuldigde bedragen van januari 2012 tot en met augustus 2020 alsmede alle daarop in mindering strekkende betalingen. In dit overzicht zijn de betalingen, waarvan [gedaagde] bewijzen heeft overgelegd, verwerkt. Hieruit volgt dat de betalingen van

27 januari 2012, 28 mei 2012 en 30 augustus 2012 alle door VGZ zijn ontvangen en in mindering zijn gebracht op het verschuldigde. In het overzicht heeft VGZ voorts tot uitdrukking gebracht dat de betalingen van 27 februari 2012, 28 maart 2012, 27 april 2012, 26 oktober 2012 en 29 november 2012, alle ten bedrage van € 108,25, niet door haar zijn ontvangen, doch dat deze zijn gestorneerd.

5.4.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de thans gevorderde premiebedragen reeds zijn voldaan, heeft [gedaagde] geen kopieën van originele bankafschriften in het geding gebracht, maar slechts een uitdraai van een zoekresultaat van zijn bankrekening, gedownload van ING Bankieren. Uit het vermelde zoekresultaat blijkt dat [gedaagde] voor de weer te geven transacties heeft gekozen voor ‘Afschrijvingen voor VGZ’. Dat betekent dat eventuele storno’s niet op het overzicht vermeld staan. Wel vermeld staan diverse betalingen onder vermelding van de omschrijving ‘Magazine box’. Te dien aanzien heeft VGZ onweersproken gesteld dat deze betalingen zien op een door haar verzorgd tijdschriftenabonnement en geen betrekking hebben op onderhavige vordering.

5.5.

Gelet op het zowel bij dagvaarding als bij conclusie van repliek door VGZ overgelegde gedetailleerde overzicht - waarbij VGZ per afzonderlijke betaling heeft aangegeven op welke datum de betaling gestorneerd is - had het op de weg van [gedaagde] gelegen aan te tonen dat er geen storno’s hebben plaatsgevonden en de betalingen daadwerkelijk zijn verricht. Dat had [gedaagde] kunnen doen door het in het geding brengen van een volledig en aaneensluitend overzicht van alle bij- en afschrijvingen betreffende VGZ over het jaar 2012. Het door [gedaagde] overgelegde overzicht van louter afschrijvingen is hiervoor onvoldoende, nu dit geen volledig beeld van alle bij- en afschrijvingen over 2012 geeft. Nu uit de door [gedaagde] overgelegde e-mailcorrespondentie met VGZ bovendien blijkt dat [gedaagde] reeds in 2012 op de hoogte is gebracht van de stornering van de betalingen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om het hiervoor bedoelde volledige betalingsoverzicht aan VGZ toe te zenden. Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat er storno’s hebben plaatsgevonden en uit de door [gedaagde] overgelegde afschrijvingen niet kan worden afgeleid dat de gevorderde premiebedragen daadwerkelijk aan VGZ zijn voldaan.

5.6.

Uit de door [gedaagde] overgelegde uitdraai van afschrijvingen aan Flanderijn in de periode 1 juli 2015 tot en met 31 december 2015 kan evenmin afgeleid worden dat [gedaagde] betalingen heeft verricht, die in mindering strekken op onderhavige vordering. Uit de door [gedaagde] bij de betaling vermelde omschrijving volgt dat de betalingen verricht zijn ten behoeve van een dossier betreffende een vordering van het Zorginstituut Nederland. In dat kader heeft VGZ gesteld dat zij [gedaagde] , in verband met de ontstane betalingsachterstand van minstens zes maanden, heeft aangemeld bij het Zorginstituut Nederland, hetgeen betekent dat [gedaagde] een bestuursrechtelijke premie aan het Zorginstituut Nederland verschuldigd is. Dat die aanmelding ten onrechte door VGZ is gedaan, zoals [gedaagde] heeft gesteld, is niet gebleken, nu de thans gevorderde betalingsachterstand groter is dan zes maanden en [gedaagde] niet heeft aangetoond deze achterstand te hebben voldaan. De betalingen aan Flanderijn hebben derhalve geen relevantie voor de vordering van VGZ op [gedaagde] . Hoewel [gedaagde] heeft gesteld in 2016 ook betalingen aan Flanderijn te hebben verricht, heeft hij daarvan geen bewijzen in het geding gebracht, zodat de kantonrechter aan die stelling voorbij zal gaan.

5.7.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] het bij hem in rekening gebrachte bedrag van € 784,89 aan VGZ is verschuldigd. Dat VGZ telkens wisselende bedragen heeft gevorderd, heeft [gedaagde] niet nader uiteengezet en evenmin onderbouwd, zodat die stelling zal worden verworpen. De vordering van VGZ ter zake van de hoofdsom is dan ook toewijsbaar. De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, eveneens worden toegewezen.

5.8.

VGZ maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten tot een totaalbedrag van € 142,44. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Door Inkassier is op

13 april 2019 een kosteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW aan [gedaagde] gezonden, waarvan de ontvangst door [gedaagde] niet is betwist. De gevorderde vergoeding is echter berekend inclusief btw, doch die btw is in de aanmaning niet in een concreet bedrag aangezegd. Derhalve zal de gevorderde btw niet worden toegewezen. Aan buitengerechtelijke kosten is een bedrag van € 117,73 toewijsbaar.

5.9.

Gelet op de (beperking van de) vordering van VGZ wordt een bedrag van

€ 500,00 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.

5.10.

Nu de vordering van VGZ zal worden toegewezen, bestaat er geen aanleiding VGZ te veroordelen in de door [gedaagde] gevorderde administratiekosten van € 50,-, nog daargelaten dat [gedaagde] in strijd met artikel 137 Rv eerst bij conclusie van dupliek een concrete vordering heeft ingesteld en heeft verzuimd deze van enige onderbouwing te voorzien.

5.11.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ tegen kwijting te betalen € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGZ vastgesteld op:

 € 229,09 € 229,09 aan verschotten (waarvan € 124,00 aan griffierecht en € 105,09 aan dagvaardingskosten) en

 € 229,09 € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 36,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487