Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10998

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
8435035 CV EXPL 20-10694
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand deels erkend. Ook toewijzing voor het betwiste deel. Geen grondslag voor twee posten schadevergoeding, want onvoldoende onderbouwd. Geen reden voor inhouding waarborgsom. Verrekening met te betalen huurachterstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8435035 CV EXPL 20-10694

uitspraak: 27 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 24 maart 2020,

gemachtigde: mr. H. Orduseven-Semerci te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde sub 1] ,

gedaagde sub 1, en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 2] ,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. S.A. Chedie te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, met producties;

 de conclusie van dupliek.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen [eiseres] als verhuurster en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als huurders bestond een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] ( [postcode] ) te Rotterdam. De huurovereenkomst was aangegaan voor de duur van maximaal twee jaar, met ingang van 15 februari 2018 en tot en met 14 februari 2020.

2.2

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren bij aanvang van de huur uit hoofde van de huurovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling een huurprijs van € 895,00 en stookkosten van € 70,00 verschuldigd, in totaal dus € 965,00. Met ingang van 1 juli 2019 is de huurprijs verhoogd tot € 930,80 per maand en waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan [eiseres] (inclusief stookkosten ad € 70,00) in totaal € 1.000,80 per maand verschuldigd.

2.3

Bij aangetekend verzonden brief van 25 september 2019 heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gebreke gesteld met betrekking tot de huur ad € 930,80 voor de maand september 2019 en een eerdere huurachterstand ad € 101,36, heeft zij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesommeerd het bedrag van € 1.032,16 onmiddellijk te betalen en heeft zij op grond van artikel 18.1 van de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (hierna: de algemene bepalingen) de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2020.

3. Het geschil

3.1

[eiseres] heeft - na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zijnde bevrijd, te veroordelen aan haar te betalen:

1. de huurpenningen over de maanden september 2019 tot en met december 2019 en

deels de maand december 2018 en schadevergoeding ter hoogte van het bedrag gelijk

aan huur over de maanden januari 2020 en februari 2020 ten bedrage van in totaal

€ 6.066,64, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend tot 26 augustus 2020 ten

bedrage van € 96,00;

2. wettelijke rente over een bedrag van € 6.066,64 vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. schadevergoeding ter hoogte van € 235,00 ter vervanging van de keukengeiser;

4. de wettelijke rente over een bedrag van € 235,00;

5. de proceskosten als volgens de wet, inclusief salaris gemachtigde en nakosten.

3.2

Aan haar vordering heeft [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen de huurachterstand over de maanden oktober 2019, november 2019 en december 2019. Het bedrag van € 1.173,06 dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] noemen, heeft [eiseres] op 10 september 2019 ontvangen. Dit bedrag heeft echter betrekking op een combinatie van achterstallige bedragen, te weten de huur voor de maand augustus 2019 en een deel van de huurachterstand van december 2018 die nog openstond, en niet op de huur voor de maand september 2019. [eiseres] verwijst in dit verband naar haar brief van 5 november 2019. [eiseres] vordert tevens betaling over de periode januari 2020 en februari 2020, omdat geen correcte oplevering van de woning heeft plaatsgevonden. Nu de huurovereenkomst per 1 januari 2020 is beëindigd is de grondslag van de vordering over deze periode schadevergoeding, waarbij het gevorderde bedrag gelijk is aan het bedrag aan huur en stookkosten. Het totaal gevorderde bedrag aan hoofdsom komt daarmee op € 6.066,64. [eiseres] vordert over dat bedrag tevens de verschenen wettelijke rente ad € 96,00, berekend over de periode vanaf de vervaldatum van de huurtermijnen tot 26 augustus 2020. Ook vordert zij de wettelijke rente over € 6.066,64 vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening. Het kan niet anders dan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de keukengeiser hebben meegenomen. Zij dienen dan ook een schadevergoeding ad € 235,00 voor de aanschaf van een nieuwe keukengeiser te betalen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben € 287,50 te weinig aan waarborgsom betaald. Nu de woning niet conform de algemene bepalingen is opgeleverd (zonder keukengeiser) en het gehuurde vies en beschadigd is achtergelaten, zal [eiseres] het aan waarborgsom betaalde bedrag verrekenen en geen aanvullende schadevergoeding eisen. Hierdoor kunnen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen aanspraak maken op terugbetaling van de waarborgsom.

3.3

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de vordering deels betwist en hebben daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de door [eiseres] bij de dagvaarding overlegde brieven van 30 augustus 2020 en 5 november 2020 niet ontvangen. Nu zij het gehuurde al in november 2019 hebben verlaten hebben zij daarmee tijdig gehoor gegeven aan het voorstel van [eiseres] tot beëindiging van de huurovereenkomst per 1 januari 2020. [eiseres] heeft nagelaten bewijs te leveren van haar stelling, dat zij op 2 februari 2020 de woning heeft bezocht en daarbij de indruk kreeg dat deze weer werd bewoond door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Alleen de huur over de maanden oktober 2019 tot en met december 2019 dient nog te worden voldaan. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben namelijk in september 2019 een bedrag van € 1.173,06 betaald. Bovendien hebben zij de door hun betaalde waarborgsom ad € 895,00 nooit teruggekregen. Hetgeen [eiseres] stelt over de butsen in de deuren en het extra interieur dat zij in de woning heeft aangetroffen, heeft zij niet nader onderbouwd, althans de overlegde foto’s zijn niet voldoende om haar stellingen te dragen. De keukengeiser was reeds bij aanvang van de huur aan vervanging toe. Dit hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook gemeld aan Makelaardij Lankhuijzen. [eiseres] heeft de geiser zelf verwijderd. Haar conclusie, dat het niet anders kan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de geiser hebben meegenomen, heeft [eiseres] niet nader onderbouwd. De vordering tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

De achterstallige huur over december 2018 en september 2019 tot en met december 2019

4.1

[eiseres] heeft de door haar gevorderde huurachterstand als volgt gespecificeerd:

December 2018 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 61,84 (restant achterstand)

September 2019 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 1000,80

Oktober 2019 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 1000,80

November 2019 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 1000,80

December 2019 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 1000,80

Januari 2020 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 1000,80

Februari 2020 € 930,80 + € 70,- (servicekosten) = € 1000,80

Totaal € 6.066,64

Met betrekking tot de maanden januari en februari 2020 vordert [eiseres] echter geen betaling van de huur, maar een schadevergoeding die gelijk is aan de huur. De kantonrechter komt op dit onderdeel later in dit vonnis terug.

4.2

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen de vordering voor wat betreft de maanden oktober 2019, november 2019 en december 2019. Dit komt neer op een bedrag van € 3.002,40 - te weten drie maal € 1.000,80 (€ 930,80 + € 70,00) - dat voor toewijzing in aanmerking komt. Verder hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet betwist dat zij [eiseres] nog een bedrag van € 61,84 aan restant huur en stookkosten voor de maand december 2018 verschuldigd zijn. Ook in zoverre ligt de vordering voor toewijzing gereed.

4.3

[eiseres] vordert daarnaast nog € 1.000,80 aan huur en stookkosten voor de maand september 2019. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen zich op het standpunt dat zij dit bedrag al hebben voldaan door middel van een betaling van € 1.173,06 op 6 september 2019. Daar stelt [eiseres] echter tegenover dat die betaling betrekking heeft op een combinatie van achterstallige bedragen, te weten de huur voor de maand augustus 2019 (€ 930,80) en een deel van de huurachterstand van december 2018. [eiseres] heeft in dit verband verwezen naar haar brieven van 5 november 2019 en 30 augustus 2019.

4.4

In de brief van 30 augustus 2019 heeft [eiseres] in de eerste plaats inzage gegeven in de stand van zaken met betrekking tot de achterstallige huur voor de maand december 2018, te weten dat na een extra betaling van € 140,90 nog een achterstand van € 304,10 resteert. Verder heeft zij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesommeerd de huur voor augustus 2019 ad € 930,80 te betalen en heeft zij hen erop gewezen dat de huur voor de maand september 2019 in de eerste week van september betaald moet worden.

In de brief van 5 november 2019 heeft [eiseres] met betrekking tot de betaling van € 1.173,06 aangegeven dat die betaling ziet op de huur voor augustus 2019 (€ 930,80) en dat daarmee ook de achterstand van de huur voor december 2018 met € 242,26 (te weten € 1.173,06 - € 930,80) is ingelopen, zodat een bedrag resteert van € 61,84 (te weten € 304,10 - € 242,26). Tot slot heeft [eiseres] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] medegedeeld dat zij sinds 10 september 2019 geen huurbetalingen meer hebben verricht en dat op dat moment dus sprake is van een huurachterstand van drie maanden (september, oktober en november 2019) plus het restantbedrag van € 61,84 voor wat betreft december 2018.

4.5

Naar aanleiding van de stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , dat zij de brieven van 30 augustus 2019 en 5 november 2019 niet hebben ontvangen en dat [eiseres] geen bewijzen heeft overgelegd dat deze brieven aangetekend naar hen zijn verzonden, overweegt de kantonrechter als volgt. Het al dan niet ontvangen hebben van de brieven is op zichzelf genomen niet relevant voor het bestaan van de betalingsverplichting. Deze verplichting vloeit namelijk voort uit de huurovereenkomst. Nu beide brieven zijn overgelegd als productie 2 bij de dagvaarding, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bovendien in ieder geval in deze procedure kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan en hebben zij daarop kunnen reageren.

4.6

De betaling van € 1.173,06 die [gedaagde sub 1] op 6 september 2019 heeft verricht en die [eiseres] op 10 september 2019 heeft ontvangen, zou kunnen worden toegerekend op twee of meer opeisbare verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser ( [eiseres] ), te weten de resterende achterstand van december 2018, de onbetaalde huur van augustus 2019 en de onbetaalde huur van september 2019.

Op grond van artikel 6:43 lid 1 BW geschiedt de toerekening dan op de verbintenis die de schuldenaar bij de betaling aanwijst. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] bij het doen van de betaling geen verbintenis heeft aangewezen, bijvoorbeeld door in de omschrijving op te nemen de maand en het jaartal waarop de betaling volgens haar ziet. Op grond van artikel 6:43 lid 2 BW geschiedt de toerekening bij gebreke van zodanige aanwijzing in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden dan geschiedt toerekening volgens artikel 6:43 lid 2 BW in de eerste plaats op de meest bezwarende verbintenis en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] de betaling van € 1.173,06 terecht niet toegerekend op de onbetaalde huur van september 2019, nu zowel het restant van december 2018 als het volledige huurbedrag voor augustus 2019 oudere verbintenissen zijn.

[eiseres] stelt zich dus terecht op het standpunt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook de huur van september 2019 nog aan haar moeten betalen. Ook in zoverre ligt de vordering dus voor toewijzing gereed.

De schadevergoeding gelijk aan de huur over de maanden januari 2020 en februari 2020

4.7

[eiseres] heeft aan haar vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.001,60 (gelijk aan de huurprijs van € 1.000,80 voor de maanden januari en februari 2020) ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning niet correct hebben opgeleverd en dat zij ook na het einde van de huurovereenkomst per 1 januari 2020 in de woning hebben verbleven, dat sprake was van schade aan de deuren (butsen) en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning rommelig hebben achtergelaten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben deze stellingen gemotiveerd betwist en stellen bovendien dat zij de woning tijdig, namelijk in november 2019, hebben verlaten.

4.8

Tussen partijen is niet in geschil dat er bij aanvang van de huurovereenkomst geen opnamestaat in de zin van artikel 7:224 lid 2 BW van de woning is opgesteld. Het lag op de weg van [eiseres] om haar stelling - dat de oplevering van de woning niet correct is geweest en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] schade aan de woning hebben aangericht - naar behoren te onderbouwen, gelet op de betwisting door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Hetzelfde geldt voor haar stelling dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook nadat de huurovereenkomst als was geëindigd in de woning hebben verbleven, te meer nu [eiseres] naar eigen zeggen op 22 november 2019 juist had geconstateerd dat de woning niet meer bewoond werd.

4.9

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] deze onderbouwing niet heeft gegeven. Zij had dit bijvoorbeeld kunnen doen door middel van het overleggen van foto’s van die zijn gemaakt ten tijde van de aanvang van de huur door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en foto’s die zijn gemaakt op het moment waarop [eiseres] de schade constateerde (“voor en na foto’s”), alsmede van foto’s van de op 8 februari 2020 door haar naar gesteld geconstateerde (voortdurende) bewoning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Nu dergelijke foto’s ontbreken en [eiseres] ook geen andere onderbouwing van haar stellingen heeft gegeven, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De kantonrechter kan niet vaststellen dat en, zo ja, welke schade [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de woning hebben veroorzaakt, dat zij de woning niet correct hebben opgeleverd en dat zij ten onrechte pas in februari 2020 de woning hebben verlaten. Dat leidt ertoe dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning correct hebben opgeleverd en dat zij de woning na 1 januari 2020 niet meer hebben bewoond. Dit betekent dat geen grond bestaat voor toekenning van schadevergoeding ter hoogte van twee maanden huur. De kantonrechter zal die vordering daarom afwijzen.

De schadevergoeding met betrekking tot de keukengeiser ad € 235,00

4.10

Op het punt van de vordering tot schadevergoeding vanwege de ontbrekende keukengeiser - die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten - heeft [eiseres] weliswaar foto’s in het geding gebracht van de keuken, waarop enerzijds is te zien dat zich boven de spoelbak een geiser bevindt (foto uit de makelaarsfolder, productie 5) en anderzijds is te zien dat die geiser ontbreekt (productie 6), maar van deze foto’s kan niet worden vastgesteld op welke datum ze zijn gemaakt. Bovendien betekent het enkele ontbreken van de geiser ook niet zonder meer dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze hebben meegenomen. Nu [eiseres] haar stelling verder ook niet op een andere manier heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verantwoordelijk zijn voor het ontbreken van de geiser en dat zij daarmee schade hebben veroorzaakt voor [eiseres] . Reeds gelet hierop zal de kantonrechter de vordering tot schadevergoeding afwijzen.

De verrekening met de waarborgsom

4.11

Ten aanzien van de stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , dat zij bij aanvang van de huur een waarborgsom van € 895,00 hebben voldaan en deze nooit hebben teruggekregen, oordeelt de kantonrechter als volgt.

4.12

In de huurovereenkomst is het volgende opgenomen:

Waarborgsom

10.1

Huurder zal voor de ingangsdatum een waarborgsom betalen ter grootte van een bedrag van € 895,00, Zegge -ACHTHONDERDVIJFENNEGENTIGEURO- op de in artikel 4.4 aangegeven wijze.”

4.13

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen zich terecht op het standpunt dat, anders dan waar [eiseres] van uitgaat, de huur voor de maand februari 2018 € 482,50 bedroeg en niet € 965,00. Dit staat in artikel 4.6 van de huurovereenkomst, die halverwege de maand februari 2018 is ingegaan. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor aanvang van de huurovereenkomst in ieder geval € 1.377,50 (€ 482,50 aan huur voor een halve maand + € 895,00 aan waarborgsom) aan [eiseres] dienden te voldoen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 7 februari 2018 aan de makelaar van [eiseres] een bedrag van € 1.572,50 hebben voldaan met als omschrijving: “huur administratiekosten en waarborg [adres] ”, hebben zij naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de op grond van de huurovereenkomst aan [eiseres] verschuldigde waarborgsom geheel hebben voldaan.

4.14

Uit hetgeen de kantonrechter in 4.9 heeft geoordeeld volgt dat er geen grondslag bestaat voor inhouding van de waarborgsom door [eiseres] , met het argument dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning niet correct hebben opgeleverd. [eiseres] is daarom gehouden de waarborgsom van € 895,00 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] terug te betalen. De kantonrechter zal daarom het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op verrekening honoreren.

4.15

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een bedrag van € 4.065,04 aan achterstallige huur aan [eiseres] dienen te betalen, te weten vier maal € 1.000,80 voor de maanden september, oktober, november en december 2018 en het restant van € 61,84 voor de maand december 2018. Op dit bedrag strekt in mindering de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan [eiseres] betaalde waarborgsom van € 895,00, zodat een bedrag van € 3.170,04 aan toewijsbare hoofdsom resteert. De kantonrechter zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordelen om dit bedrag aan [eiseres] te betalen.

4.16

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ook gesteld dat zij een betalingsregeling wensen. [eiseres] is volgens de wet niet gehouden in te stemmen met een betalingsregeling en de kantonrechter is gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW niet gerechtigd tot het treffen van een betalingsregeling zonder toestemming van [eiseres] . Die toestemming is in deze procedure niet gegeven. Voor het (eventueel alsnog) treffen van een betalingsregeling met [eiseres] , worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwezen naar de gemachtigde van [eiseres] .

De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW

4.17

[eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke rente over de aanvankelijke hoofdsom van € 6.066,64, die berekend tot de dag van dagvaarding volgens haar € 96,00 bedraagt. [eiseres] is echter uitgegaan van een onjuist bedrag aan toewijsbare hoofdsom, aangezien de kantonrechter al heeft overwogen dat de gevorderde schadevergoeding voor wat betreft de maanden januari 2020 en februari 2020 - die ook deel uitmaakt van de gevorderde hoofdsom - zal worden afgewezen en de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betaalde waarborgsom dient te worden verrekend. [eiseres] heeft dus ook over een te hoog bedrag aan hoofdsom de vervallen rente berekend. De wettelijke rente, die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet afzonderlijk hebben betwist en die op de wet is gegrond, zal daarom worden toegewezen zoals onder de beslissing is vermeld.

De proceskosten en de nakosten

4.18

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk

veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] worden vastgesteld op € 341,03 aan verschotten (€ 105,03 aan dagvaardingskosten en € 236,00 aan griffierecht) en € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 210,00 per punt).

4.19

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 3.170,04, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom telkens na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, vanaf de vervaldatum van de huurtermijnen tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op:

- € 341,03 aan verschotten en

- € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op € 105,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478