Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10984

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
10/710260-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van uitvoer harddrugs.

Bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van ruim 16 kilogram heroïne, het gedurende bijna 2 maanden bereiden, bewerken en verwerken van heroïne en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 44 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710260-19

Datum uitspraak: 25 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ( [postcode verdachte] ) te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 16 juli 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. L.C. Visser, heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne en voor zover dit ziet op de pleegperiode vanaf

1 december 2019;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering feit 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering feiten 1 en 3

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

De verdachte ontkent de tas met daarin de brandblussers in handen te hebben gehad. Ook ontkent hij iets met heroïne te maken te hebben. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de tas daadwerkelijk vast heeft gehad. De verklaringen van de observerende verbalisanten lopen op dit punt uiteen en er heeft geen DNA-of dactyloscopisch onderzoek plaatsgevonden aan de tas. Evenmin zijn de resultaten bekend van het sporenonderzoek aan de brandblussers.

Verdachte stelt dat de PGP-telefoon niet van hem is. Uit het dossier valt niet af te leiden dat deze telefoon bij de verdachte is aangetroffen. Ook kan niet onomstotelijk worden bewezen dat de verdachte de gebruiker is geweest van deze telefoon. Bovendien valt uit de op die telefoon aangetroffen gekraakte gesprekken niet af te leiden dat deze gesprekken over heroïne gaan en evenmin valt hieruit af te leiden dat degene die de gesprekken voert, wetenschap moet hebben gehad van het feit dat het ging om heroïne.

De verdachte neemt verantwoordelijkheid voor het feit dat hij zich heeft beziggehouden met het schoonmaken, prepareren en verpakken van versnijdingsmiddelen, maar niet van heroïne. De verdachte heeft zich geenszins met heroïne beziggehouden. Dit blijkt niet uit de tapgesprekken en evenmin uit de foto’s en video’s die op de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn getroffen. Bovendien is slechts in de brandblussers (waarvan zich één in de slaapkamer in de woning bevond en drie in de tas) daadwerkelijk heroïne aangetroffen.

De raadsvrouw wijst er ook op dat met tapgesprekken behoedzaam moet worden omgegaan. De raadsvrouw verwijst hierbij naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303) en van de rechtbank Amsterdam 28 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4296).

Dat in de woning geen versnijdingsmiddel is aangetroffen, komt omdat de verdachte al zijn spullen weer meenam als hij klaar was met zijn werkzaamheden. Wat achterbleef was dan ook niet van de verdachte.

Voorts blijkt uit het dossier dat meerdere personen toegang hadden tot de woning. De woning is niet van de verdachte, hij sliep er niet en hij beschikte niet over een sleutel van die woning. De verdachte kwam ook niet in de slaapkamer van de woning, maar alleen in de woon- en werkkamer. Uit het dossier blijkt het tegendeel niet.

Uit niets blijkt dat de verdachte wetenschap had van de voorwerpen met heroïneresten in de slaapkamer. Dat hij met soortgelijke voorwerpen een maand eerder op een filmpje te zien is, is een te ver verwijderd verband. Je kunt met die voorwerpen immers ook versnijdingsmiddel prepareren.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de pleegperiode van het onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat deze verkort dient te worden tot de periode vanaf half december 2019. De verdachte stelt immers dat hij zich vanaf half december 2019 met de werkzaamheden met betrekking tot versnijdingsmiddel heeft beziggehouden.

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 21 januari 2020 vindt een observatie plaats met de verdachte als subject. Om 20:30 uur ziet een verbalisant dat onder anderen de verdachte met gebruikmaking van een sleutel het pand aan de [adres 1] te Rotterdam binnen gaat. Om 20:37 uur zien twee verbalisanten dat een Nissan Micra wordt geparkeerd op de [straatnaam] te Rotterdam. Zij zien dat de verdachte en NN2 (later blijkt dit medeverdachte [naam medeverdachte 2] te zijn, hierna: [naam medeverdachte 2] ) uit de Nissan stappen en een gevulde sporttas meenemen en richting het portiek [adres 2] te Rotterdam lopen, alwaar de verdachte en [naam medeverdachte 2] aangehouden/staandegehouden worden. De verdachte probeert bij het zien van de politie eerst te vluchten.

Eén van de verbalisanten heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de tas loodzwaar was en dat dit te zien was aan de wijze van tillen. Volgens de verbalisant hebben de verdachte en [naam medeverdachte 2] samen de tas op de rand van kofferbak gezet en heeft de verdachte de tas op zijn schouder gehesen en is met de tas van de auto weggelopen. Een andere verbalisant heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de tas door beide mannen uit de kofferbak werd getild en dat zij beiden moeite moesten doen om de tas op te tillen.

De sporttas blijkt als inhoud drie brandblussers te hebben die alle drie - zo blijkt uit later onderzoek - heroïne bevatten. In totaal gaat het om ruim zestien kilogram heroïne.

Bij de insluitingsfouillering van de verdachte en [naam medeverdachte 2] wordt bij beiden een mobiele telefoon van het merk BQ, type Aquarius aangetroffen, voorzien van versleutelde Encrochat berichten. Het NFI heeft de versleutelde berichten ontsleuteld en hieruit blijkt dat de gebruiker van de telefoon die bij de verdachte is aangetroffen, op 21 januari 2020 het adres [adres 3] als locatie doorgeeft waar een levering van “twee van de ene en één van de andere” moet plaatsvinden, maar dat “diegene die het komt brengen niet aan moet bellen, maar het hem moet laten weten als hij er is.”. Uit de chatgesprekken op de telefoon die bij [naam medeverdachte 2] is aangetroffen, blijkt onder andere dat de gebruiker van deze telefoon op 21 januari 2020 een chatgesprek heeft met een contact genaamd “ [naam persoon] ”. Deze “ [naam persoon] ” gaat de man van de garage bellen die het adres moet doorgeven waar “twee van de ene en één van de andere” moeten worden afgeleverd. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte eigenaar is van een garage/autowasserij gevestigd op het [naam locatie] in Rotterdam. Het contact “ [naam persoon] ” geeft aan de gebruiker van de telefoon, die bij [naam medeverdachte 2] is aangetroffen, door dat hij naar de [adres 3] moet gaan, maar dat hij niet moet aanbellen.

Tijdens de doorzoeking van de woning op 21 januari 2020 aan de [adres 1] te Rotterdam (toebehorend aan medeverdachte [naam medeverdachte 1] ) wordt in de slaapkamer een open brandblusser met daarin een kleine hoeveelheid bruin poeder aangetroffen, dat na onderzoek 20,3 gram heroïne blijkt te zijn. De verbalisant die deze brandblusser heeft aangetroffen, ziet op deze brandblusser een Turkse tekst staan en hij ziet dat op de drie brandblussers die in de sporttas zaten soortgelijke opschriften staan.

Wetenschap inhoud brandblussers (feit 1)

De verdachte had de PGP-telefoon op het moment van aanhouding onder zich en daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat hij de eigenaar en gebruiker daarvan is. Het is dan aan de verdachte om aannemelijk te maken dat de telefoon van iemand anders is. De verdachte heeft zich bij de politie en ook later ten aanzien van dit feit op zijn zwijgrecht beroepen. Zelfs ter zitting heeft de verdachte geen enkele verklaring willen afleggen over van wie de telefoon dan zou moeten zijn

Door middel van versleutelde berichten wordt gecommuniceerd over het “net als de vorige keer” bezorgen van cryptisch omschreven goederen naar een woning. Daarnaast heeft de verdachte een tas onder zich met daarin drie brandblussers met als inhoud ruim zestien kilogram heroïne. In voornoemde woning wordt vlak hierna een open, soortgelijke, brandblusser aangetroffen als de brandblussers die in de tas zijn aangetroffen, met daarin iets meer dan twintig gram heroïne. Gelet op voornoemde omstandigheden in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte wetenschap had, althans moet hebben gehad, van die inhoud. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat deze voor de verdachte belastende omstandigheden om een uitleg vragen en dat een verklaring over wat de inhoud van de tas dán zou moeten zijn, uitblijft.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk ruim zestien kilogram heroïne voorhanden heeft gehad.

Nu de verdachte samen met [naam medeverdachte 2] de tas uit de auto heeft gehaald, richting de woning aan de [adres 1] is gelopen en zij beiden op dat moment over een PGP-telefoon beschikten waarop berichten zijn aangetroffen die duiden op samenwerking, acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in een brandblusser in de woning aan de [adres 1] te Rotterdam aangetroffen heroïne opzettelijk voorhanden heeft gehad. De verdachte is immers op 21 januari 2020 in de woning geweest, hij is die dag buiten de woning gezien met een tas met soortgelijke brandblussers met heroïne en hij heeft verklaard dat hij gedurende een aantal weken in die woning is geweest. Dat de verdachte niet wist dat er een brandblusser met resten heroïne in de slaapkamer van deze woning stond, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande onaannemelijk.

Nu ook de medeverdachte [naam medeverdachte 1] wetenschap van en beschikkingsmacht over deze hoeveelheid heroïne had en nu de verdachte en [naam medeverdachte 1] ook van elkaar wisten dat zij in de woning aanwezig waren, acht de rechtbank voldoende aangetoond dat er sprake was van medeplegen ten aanzien van het aanwezig hebben van deze hoeveelheid heroïne.

Werkzaamheden in de woning (feit 3)

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij werkzaamheden in de woning aan de [adres 1] heeft verricht, maar dat dit slechts betrekking had op het schoonmaken, preparen en verpakken van versnijdingsmiddel, ongeloofwaardig.

In de woning zijn geen versnijdingsmiddelen aangetroffen. De verdachte wordt bovendien met brandblussers met heroïne aangetroffen en is aanwezig geweest in de woning waar een open brandblusser met residu van heroïne staat. Voorts blijkt uit tapgesprekken van de verdachte dat hij op 22 december 2019 met iemand spreekt over de kwaliteit van de door de verdachte geleverde monsters. In dit gesprek wordt onder meer besproken dat de monsters gerookt worden en dat één van de monsters die de verdachte had geleverd, niet ging bobbelen als opium. De rechtbank merkt op dat dit impliceert dat de andere monsters opium bevatten.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk heroïne heeft bereid, bewerkt en verwerkt.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank het eens dat de pleegperiode dient te worden verkort. De rechtbank volgt hierin de officier van justitie en gaat uit van een pleegperiode vanaf 1 december 2019.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit samen met (een) ander(en) heeft gedaan. De verdachte zal van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.3.3.

Conclusie

Het onder 1 en 3 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 21 januari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad 16.192,30 gramvan een materiaal bevattende heroïne,

zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 21 januari 2020 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock (17 Gen 4), kaliber 9mm en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijfentwintig, voor het vuurwapen geschikte kogelpatronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in de periode van 1 december 2019 tot en met 21 januari 2020 te Rotterdam,

opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte is aangetroffen met ruim zestien kilogram heroïne en heeft gedurende bijna twee maanden heroïne bereid, bewerkt en verwerkt.

Voorts heeft de verdachte in de woning van zijn vriendin, waar ook hun driejarige zoontje woont, een vuurwapen met daarnaast de houder met patronen neergelegd.

Wanneer deze grote hoeveelheid heroïne niet door de politie zou zijn onderschept, zou deze op de markt zijn gebracht, met alle schadelijke gevolgen van dien. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevorderen verschillende vormen van criminaliteit, die te maken hebben met de handel en het gebruik van verdovende middelen. Het voorhanden hebben en het bereiden, bewerken en verwerken hiervan is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Daarom wordt hier streng tegen opgetreden door middel van het opleggen van gevangenisstraffen die qua duur een afdoende afschrikwekkend en normbevestigend effect hebben.

Vuurwapenbezit is ook een ernstig feit. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op met alle gevolgen van dien.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

14 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een Opiumwetfeit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank komt hierbij op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is geëist, omdat de officier van justitie bij zijn eis is uitgegaan van de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie terwijl de rechtbank acht heeft geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de ondergeschikte rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank ziet hier echter geen aanleiding voor, nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte een ondergeschikte rol heeft vervuld.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag en de Rolex verbeurd te verklaren. De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen Audi RS6 terug te geven aan de rechthebbende.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. De verdachte heeft over het geldbedrag verklaard dat dit is verdiend met zijn bedrijf. Over het horloge heeft de verdachte verklaard dat hij deze heeft gekocht op een soortgelijke website als Marktplaats, dat hij een oud horloge heeft ingeruild en iets van € 2.500,- moest bijbetalen. Zijn verklaring wordt niet weerlegd, alsdus de raadsvrouw.

8.3.

Beoordeling

Het in beslag genomen geldbedrag zal worden verbeurd verklaard. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de bewezenverklaarde feiten die zien op harddrugs, grote geldbedragen gemoeid gaan.

Ten aanzien van het in beslag genomen Rolex horloge zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu hij een aannemelijke verklaring heeft gegeven over de verkrijging hiervan.

Ten aanzien van de in beslag genomen Audi RS6 zal de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende, nu thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 (vierenveertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 3 het geldbedrag à € 2.835,75;

- gelast de teruggave aan verdachte van het Rolex horloge;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de Audi RS6 met kenteken [kentekennummer] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en R.E. Drenth, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16.192,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2020 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock (17 Gen 4), kaliber 9mm en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijfentwintig, bij het vuurwapen behorende, althans voor het vuurwapen geschikte kogelpatronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2019 tot en met 21 januari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne,

zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2019 tot en met 21 januari 2020 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of te (Lissabon), althans ergens in Portugal

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) meermalen, althans eenmaal, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van (een) verdovend(e) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.