Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10982

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
10/711007-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde vrijspraak van bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van heroïne, nu de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte niet is komen vast te staan.

Gemotiveerde vrijspraak van het voorhanden hebben van ruim 16 kilogram heroïne, nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte de wetenschap had van de aankomst van deze lading en evenmin dat hij hier beschikkingsmacht over had.

Bewezenverklaring van het voorhanden van ruim 20 gram heroïne. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 weken met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/711007-20

Datum uitspraak: 25 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ( [postcode verdachte] ) te [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. L.C. Visser, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne en voor zover dit ziet op de pleegperiode vanaf

1 december 2019;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. In de woning van de verdachte, de [adres verdachte] , zijn goederen aangetroffen die duiden op het produceren, bereiden en verwerken van een goed. Dat dit goed heroïne betreft blijkt uit het feit dat op 21 januari 2020 drie brandblussers zijn aangetroffen met daarin heroïne. Deze brandblussers hadden als bestemming de [adres] . Uit de ontsleutelde Encrochat berichten op de PGP-telefoons van medeverdachten [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) en [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) blijkt dat er een eerdere levering is geweest op voornoemd adres. Ook wordt in de woning van de verdachte een open brandblusser aangetroffen met daarin residu van heroïne. Bovendien zijn op de telefoon van de verdachte videofragmenten aangetroffen waarop is te zien dat [naam medeverdachte 1] aan het versnijden is. Ook is daarop een foto aangetroffen van de versnijdingstafel die kennelijk door de verdachte is aangeschaft. Tot slot is door het observatieteam gezien dat de verdachte op de dag van zijn aanhouding in een smartshop spullen heeft gekocht. Het is bekend dat in smartshops ook goederen voor het versnijden van drugs worden verkocht.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

De verdachte heeft zijn woning ter beschikking gesteld aan in ieder geval [naam medeverdachte 1] . Ook verbleef de verdachte zelf gedurende de ten laste gelegde periode in die woning. Weliswaar is op de videofragmenten, die op de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen, te zien dat [naam medeverdachte 1] bezig is met het versnijden van een goed, maar het is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte hier enige, actieve bijdrage aan heeft geleverd. Het zich niet distantiëren van de situatie is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. De handelingen die de verdachte heeft verricht duiden eerder op medeplichtigheid aan het ten laste gelegde feit, hetgeen niet is ten laste gelegd.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De woning, waar op 21 januari 2020 ruim zestien kilogram heroïne in de drie brandblussers naartoe gebracht zouden worden, is van de verdachte. De verdachte was deze dag ook in de woning aanwezig. De verdachte ontkent ergens van te weten. Gelet op de tapgesprekken die zich in het dossier bevinden, inhoudende dat de verdachte wil dat [naam medeverdachte 1] uit de woning gaat, is dit ongeloofwaardig. In zijn woning zijn bovendien goederen met daarop poeders en een versnijdingstafel aangetroffen. Voorts is door het observatieteam gezien dat de verdachte op de dag van zijn aanhouding in een smartshop spullen heeft gekocht. Smartshops staan er om bekend onder andere goederen met betrekking tot het versnijden van drugs te leveren. De verklaring van de verdachte geeft onvoldoende opheldering over zijn rol, anders dan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim zestien kilogram heroïne. Dat de verdachte de ruim zestien kilogram heroïne in de brandblussers niet zelf in zijn handen heeft gehad, is voor een bewezenverklaring van het medeplegen niet vereist. Indien de politie een aantal minuten later tot aanhouding van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] was overgegaan, was de tas met de drie brandblussers met ruim zestien kilogram heroïne, in de woning van de verdachte geweest.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid bij de brandblusser die in de woning van de verdachte is aangetroffen, nu er geen sporenonderzoek is verricht, of wel is verricht, maar geen belastend materiaal heeft opgeleverd. Bovendien blijkt uit het dossier dat meerdere personen toegang hadden tot de woning van de verdachte.

Uit het telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 1] en [naam persoon] op 11 januari 2020 blijkt dat de verdachte wenst de anderen niet meer in de woning te hebben. Ook blijkt uit dit gesprek dat de verdachte niets te zeggen had over wat er wel of niet in die woning plaatsvond.

Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte “NN1” is die tijdens de observatie naar de smartshop is geweest. Bovendien is deze observatie nietszeggend, nu niet duidelijk is wat in de smartshop is gekocht.

De enkele aanwezigheid van de verdachte in de woning, de daar aangetroffen attributen en de op de telefoon van de verdachte videofragmenten zeggen niets over de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde, ook niet in voorwaardelijke zin met betrekking tot de wetenschap en beschikkingsmacht over de hoeveelheid heroïne die in de brandblusser in de woning is aangetroffen. De raadsvrouw verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:2365).

Evenmin is gebleken dat de verdachte op enige wijze een bijdrage aan het ten laste gelegde heeft geleverd in de zin van betrokkenheid en/of medeplegen of beschikkingsmacht heeft gehad.

4.2.3.

Beoordeling

De verdachte is op 21 januari 2020 aangetroffen in zijn woning aan de [adres verdachte] te Rotterdam en aldaar door de politie aangehouden. De verdachte woonde destijds in die woning. Diezelfde dag is tijdens de doorzoeking van deze woning een kleine hoeveelheid bruin poeder aangetroffen, dat na onderzoek 20,3 gram heroïne blijkt te zijn. De bewoner van een woning wordt in beginsel geacht bekend te zijn met datgene wat zich in de woning bevindt, tenzij anders is gebleken. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. De verdachte heeft over de heroïne in zijn woning enkel verklaard dat hij van niets wist. Echter, de heroïne zat in een open brandblusser in een slaapkamer (dus niet verborgen). Voorts zijn voor zijn woning vlak daarvoor [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aangehouden/staandegehouden met een sporttas met drie brandblussers die alle drie - zo blijkt uit later onderzoek - heroïne bevatten. In totaal gaat het om ruim zestien kilogram heroïne en [naam medeverdachte 1] was vaker in de woning van de verdachte en verrichtte daar versnijdingswerkzaamheden.

Uit al deze omstandigheden in onderling verband wordt afgeleid dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de aangetroffen 20,3 gram heroïne en dat hij hier ook over kon beschikken. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

Nu ook medeverdachte [naam medeverdachte 1] wetenschap van en beschikkingsmacht over deze hoeveelheid heroïne had en nu de verdachte en [naam medeverdachte 1] ook van elkaar wisten dat zij in de woning aanwezig waren, acht de rechtbank voldoende aangetoond dat er sprake was van medeplegen ten aanzien van het aanwezig hebben van deze hoeveelheid heroïne.

Dit is anders voor de ruim zestien kilogram heroïne die voor de woning van de verdachte is aangetroffen. Weliswaar blijkt uit het dossier dat deze lading heroïne als bestemming de woning van de verdachte had, maar niet blijkt uit het dossier dat de verdachte ook de wetenschap had van de aankomst van deze lading en evenmin dat hij hier beschikkingsmacht over had. De verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.2.4.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen, voor zover dit ziet op de hoeveelheid heroïne die in de woning van de verdachte is aangetroffen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 21 januari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,opzettelijk aanwezig heeft gehad 20,3 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

In de woning waar de verdachte destijds woonde heeft de verdachte ruim 20 gram heroïne opzettelijk voorhanden gehad.

Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevorderen verschillende vormen van criminaliteit, die te maken hebben met de handel en het gebruik van verdovende middelen. Het voorhanden hebben hiervan is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

14 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank komt hierbij uit op een lagere staf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de verdachte deels zal vrijspreken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in beslag genomen geldbedrag (te weten € 698,05) terug dient te worden gegeven aan de verdachte, nu de verdachte tijdens de verhoren niet is gevraagd naar de herkomst van dit geld en er

- gelet op de hoeveelheid ervan - onvoldoende aanleiding is te zeggen dat dit geldbedrag afkomstig is uit drugshandel.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg;

beslist dat het geldbedrag à € 698,05, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen dient te worden teruggeven aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en R.E. Drenth, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16.192,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2019 tot en met 21 januari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.