Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10949

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
10/700509-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

18 jaar gevangenisstraf voor moord.

Voorbedachte rade is bewezen nu uit de camerabeelden met tijdsaanduiding en de verklaring van een getuige volgt dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0909
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700509-19

Datum uitspraak: 1 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde (moord) alsmede bewezenverklaring van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat verdachte dient te worden vrijgesproken van moord, nu geen sprake is van voorbedachte rade. Verdachte heeft in een opwelling gehandeld. Het slachtoffer is op de avond van zijn overlijden twee keer bij de avondwinkel van verdachte geweest. Het slachtoffer heeft na zijn eerste bezoek bij de avondwinkel tegen verdachte gezegd: ‘Ik ga en ik kom je zo schieten flikker’. Enkele dagen daarvoor had het slachtoffer bedreigende voice-notes gestuurd. Toen het slachtoffer tien minuten na dat eerste bezoek voor de tweede keer met de auto bij de avondwinkel van verdachte stopte, zag verdachte dat het slachtoffer een doorlaadbeweging maakte. Verdachte heeft in reactie op deze concrete dreiging gehandeld met de bedoeling het slachtoffer te stoppen. Er was geen bedenktijd, verdachte moest gelijk handelen.

4.2.2.

Beoordeling

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In de avond van 6 november 2019 heeft een dodelijke schietpartij plaatsgevonden aan de [plaats delict] in Rotterdam ter hoogte van avondwinkel [naam nachtwinkel] , waarvan verdachte eigenaar is. Op 6 november 2019 is het slachtoffer, [naam slachtoffer 1] , samen met [naam slachtoffer 2] twee keer naar deze avondwinkel gereden. Het slachtoffer is beide keren meegereden als bijrijder in de auto van [naam slachtoffer 2] .

Op camerabeelden van Sexshop ‘ [naam erotiek-winkel] ’ (gelegen aan de [adres] in Rotterdam) is het volgende te zien.

Vanaf 20:50 uur bevindt zich een forse man, naar later blijkt getuige [naam getuige] , voor de avondwinkel en hij gaat regelmatig naar binnen en naar buiten.

Omstreeks 21:43 uur rijdt de auto van [naam slachtoffer 2] de [plaats delict] in en parkeert ter hoogte van avondwinkel [naam nachtwinkel] . [naam slachtoffer 2] stapt uit de auto en loopt bij [naam nachtwinkel] naar binnen. Om 21:46 uur stapt [naam slachtoffer 2] weer in de auto en rijdt weg. Om 22:00:52 uur komt de auto weer in beeld. Om 22:01:13 uur parkeert [naam slachtoffer 2] zijn auto voor de avondwinkel van verdachte. Getuige [naam getuige] loopt naar de rand van het trottoir als de auto parkeert en loopt weer terug naar de ingang van de avondwinkel. Om 22:01:20 uur loopt verdachte in een normale looppas naar de bijrijderszijde van de auto. [naam slachtoffer 2] verlaat op datzelfde moment de auto en rent weg in de richting van de overzijde van de [plaats delict] .

Om 22:01:22 uur versnelt verdachte zijn looppas in de richting van de bijrijderszijde en houdt zijn armen gestrekt voor zich uit, gericht op de bijrijderszijde waar op dat moment het slachtoffer zit. Om 22:01:24 uur houdt verdachte zijn armen nog steeds voor zich uitgestrekt en op dat moment onstaat voor de eerste keer mondingsvuur ter hoogte van de handen van verdachte. [naam getuige] staat op dat moment buiten nabij de ingang van de avondwinkel.

Om 22:01:29 uur staat verdachte nog steeds naast de bijrijderszijde van de auto en hij houdt zijn rechterarm gestrekt in de richting van de bijrijderszijde waarna opnieuw mondingsvuur te zien is aan het uiteinde van zijn rechterhand. Om 22:01:33 uur staat verdachte nog bij de auto, hij neemt op dat moment geen houding gelijkend op een schiethouding meer aan. Om 22:01:45 uur rijdt een witte Peugeot 108 voorbij en [naam getuige] loopt naar de bestuurderszijde waarna hij omloopt naar de bijrijderskant en instapt. Om 22:01:57 uur buigt verdachte zich voorover in de richting van het slachtoffer. Om 22:02:03 uur loopt verdachte bij de auto weg. De auto waar [naam getuige] is ingestapt rijdt dan weg. Om 22:02:12 uur gaat verdachte de avondwinkel binnen. Na 16 seconden, namelijk om 22:02:28 uur, loopt hij de winkel weer uit, stapt in zijn auto en rijdt weg in dezelfde richting als de Peugeot 108.

Uit pathologisch onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer blijkt dat er sprake is van meerdere schotletsels, te weten 11 doorschoten en 3 inschoten, welke het overlijden van het slachtoffer tot gevolg hebben gehad. Verdachte heeft bekend dat hij degene is geweest die de schoten op het slachtoffer heeft afgevuurd.

Heeft verdachte gehandeld met voorbedachte rade?

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naast de hiervoor geschetste vaststaande feiten leidt de rechtbank uit de overige bewijsmiddelen het navolgende af.

Uit de voornoemde camerabeelden blijkt dat getuige [naam getuige] zich gedurende het incident buiten, voor de winkel bevond. [naam getuige] is een vriend van verdachte en is op verzoek van de verdediging op de terechtzitting als getuige gehoord. [naam getuige] heeft verklaard dat hij in de avondwinkel was tijdens het eerste bezoek van [naam slachtoffer 2] . Nadat [naam slachtoffer 2] en het slachtoffer weg waren gereden, heeft verdachte tegen [naam getuige] gezegd dat de man die hem eerder via voicenotes had bedreigd iets had gezegd in de trant van ‘jij gaat zien’. Met deze man wordt het slachtoffer bedoeld.

[naam getuige] heeft voorts verklaard dat hij hierna met verdachte naar buiten is gegaan om te kijken of zij de auto nog konden zien en om polshoogte te nemen, “omdat je nooit weet wat er kan gebeuren”. [naam getuige] is vervolgens met verdachte buiten blijven staan totdat zij de auto van [naam slachtoffer 2] weer aan zagen komen rijden. Ook [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte met een ander buiten stond toen hij kwam aanrijden. [naam getuige] heeft verklaard dat het leek alsof het slachtoffer iets van de grond van de auto wilde pakken op het moment dat [naam slachtoffer 2] de auto voor de avondwinkel parkeerde. Verdachte stond op dat moment naast hem met zijn gezicht naar de straat. [naam getuige] heeft verklaard dat hij het gevoel had dat het mis was en dat dit het moment was dat verdachte naar de auto liep. Verdachte heeft verklaard dat hij buiten zijn winkel stond op het moment dat [naam slachtoffer 2] de auto parkeerde. Verdachte stond toen met zijn rug naar de straat en was bezig om de winkel af te sluiten. Verdachte heeft verklaard iets te hebben “gevoeld” waardoor hij zich om heeft gedraaid. Vervolgens zag hij het slachtoffer een ‘doorlaadbeweging’ maken waardoor hij dacht ‘het is hij of ik’, waarna hij heeft geschoten. Hij had zijn wapen in een tasje op zijn buik.

Dat het slachtoffer een beweging zou hebben gemaakt waarbij hij een wapen doorlaadde, vindt geen steun in overige bewijsmiddelen. Op de camerabeelden is te zien dat [naam getuige] gedurende het incident steeds buiten heeft gestaan. [naam getuige] heeft verklaard naast verdachte te hebben gestaan op het moment dat [naam slachtoffer 2] zijn auto parkeerde. Op de terechtzitting is verdachte [naam getuige] in het kader van het getuigenverhoor gevraagd of hij een doorlaadbeweging heeft gezien. [naam getuige] heeft daarop geantwoord dat hij geen doorlaadbeweging heeft gezien, maar dat het leek alsof het slachtoffer op de grond naar iets aan het zoeken was.

Evenmin biedt het dossier enig objectief aanknopingspunt waaruit blijkt dat het slachtoffer op 6 november 2019 iets (anders) heeft gedaan wat voor verdachte aanleiding zou (kunnen) zijn geweest om te handelen zoals hij heeft gedaan. Dat het slachtoffer na zijn eerste bezoek iets bedreigends naar verdachte zou hebben geroepen – nog los van de vraag of dit handelen van verdachte dan een proportionele reactie zou zijn geweest – wordt door niemand bevestigd en door getuige [naam slachtoffer 2] ontkend.

De ter plaatse gearriveerde politie heeft waargenomen dat de ruit van de auto aan de bijrijderszijde vernield was en dat het bijrijdersportier op slot zat. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat het slachtoffer, op het moment dat verdachte op hem schoot, het portier dicht had en het raam gesloten was.

In de auto, noch bij verdachte, heeft de politie een vuurwapen aangetroffen.

Op basis van de hierboven beschreven uiteenzetting van de diverse voor het bewijs redengevende bevindingen en verklaringen stelt de rechtbank vast dat:

  • -

    verdachte – met een geladen pistool in een tasje op zijn buik - buiten stond op het moment dat [naam slachtoffer 2] en het slachtoffer de [plaats delict] in reden voor een tweede bezoek aan de avondwinkel van verdachte;

  • -

    verdachte de auto met daarin [naam slachtoffer 2] en het slachtoffer aan zag komen rijden;

  • -

    verdachte rustig naar deze auto is gelopen op het moment dat [naam slachtoffer 2] de auto parkeerde;

  • -

    verdachte zijn looppas heeft versneld op het moment dat [naam slachtoffer 2] uitstapte;

  • -

    het portier aan de bijrijderszijde dicht en op slot zat en ook het raam aan die zijde dicht was;

  • -

    het slachtoffer geen wapen bij zich had en er ook in de auto geen wapen is aangetroffen;

  • -

    er tussen het moment dat de auto met het slachtoffer aan kwam rijden op de [plaats delict] (22:00:52) en het eerste schot ruim een halve minuut zit en tussen het moment dat de auto geparkeerd werd (22:01:13 uur) en het eerste schot elf seconden;

  • -

    verdachte van korte afstand 14 keer gericht op het slachtoffer heeft geschoten;

  • -

    er tussen de eerste kogelreeks en de tweede een pauze van 5 seconden zit;

  • -

    verdachte niet direct is weggelopen, maar nog even bij de auto is blijven staan en zich voorover heeft gebogen in de richting van de auto waarna hij zijn sleutel (aldus verdachte zelf) in de winkel is gaan halen en rustig is weggereden.

Hieruit volgt dat verdachte ruim de tijd heeft gehad om zich te beraden voordat hij op het slachtoffer is afgelopen en heeft geschoten. Van handelen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is geen sprake. Integendeel, het handelen van verdachte dat op de beelden is te zien, past eerder bij een doelgericht handelen dan iemand die in paniek verkeert en vreest voor zijn leven, zoals verdachte heeft verklaard. De voicenotes die het slachtoffer heeft gestuurd aan verdachte zijn niet dusdanig dreigend van aard dat daar een reële vrees voor gevaar uit volgt.

Er zijn verder geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte rade in de weg staan. Verdachte heeft met voorbedachte rade gehandeld en moord is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.2.3.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 06 november 2019 te Rotterdam opzettelijk met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte na kalm beraad en rustig overleg, met dat opzet, met een

vuurwapen kogels van korte afstand en gericht afgevuurd op

enin de richting van die [naam slachtoffer 1] , waardoor die [naam slachtoffer 1] door

meerdere van die kogels in het lichaam en het hoofd/de hals is getroffen,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 06 november 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 CategorieIII onder 1º van

de Wet wapens en munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie

III van de Wet wapens en munitie te weten bij dit wapen behorende,

kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 06 november 2019 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Opel), toebehorende aan [naam slachtoffer 2] ,heeft vernield .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

5.1.

Strafbaarheid

5.1.1.

Standpunt verdediging

noodweer

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging met betrekking tot het impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag, nu sprake zou zijn van noodweer. Verdachte heeft zich geweerd tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het slachtoffer. Verdachte was en is ervan overtuigd dat het slachtoffer gewapend voor de deur van zijn avondwinkel stond. Het slachtoffer heeft verdachte bij het eerste bezoek aan de avondwinkel bedreigd en de tweede keer dat het slachtoffer voor kwam rijden heeft hij een doorlaadbeweging gemaakt. Het handelen van verdachte was in het kader van de voorgeschiedenis en hetgeen hij concreet die dag had meegemaakt ruim toepasselijk in het kader van de beginselen van de proportionaliteit en de subsidiariteit. Verdachte kon zich op dat moment niet meer aan de aanranding onttrekken. Er was voor verdachte geen reële mogelijkheid om te vluchten.

5.1.2.

Beoordeling

De raadsman heeft alleen een beroep gedaan op noodweer bij een bewezenverklaring van doodslag. Nu moord bewezen wordt geacht komt de rechtbank aan de beoordeling van noodweer dan ook niet meer toe. Daarbij komt dat de rechtbank de lezing dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van een ogenblikkelijke aanranding waarbij verdediging noodzakelijk was, niet gelooft, zoals hiervoor al is overwogen.

De bewezen feiten leveren op:

1. moord;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

3. vernieling.

5.1.3. Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het geval de rechtbank zou oordelen dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces dan wel omdat hij in redelijkheid kon menen dat er sprake was van een ophanden zijnde ogenblikkelijke werderrechtelijke aanranding en er aldus sprake is van putatief noodweer.

6.2.

Beoordeling

noodweerexces

De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen het bestaan van een noodweersituatie niet aan te nemen, zodat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.

putatief noodweer
Van putatief noodweer is sprake wanneer iemand verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Er moet dan geoordeeld worden dat er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die een verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij of een ander dreigde te worden aangevallen. Anders gezegd: de verdachte dacht - en mocht denken - dat hij of een ander werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen, maar dit bleek niet het geval.

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen.

De rechtbank verwerpt de verweren.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Verdachte heeft het slachtoffer, een 30-jarige man, om het leven gebracht door hem op de openbare weg van zeer dichtbij dood te schieten. Het slachtoffer bevond zich in een auto waarvan de deuren en ramen dicht waren en had geen schijn van kans toen verdachte gewapend op hem af kwam. De aanleiding voor deze liquidatie zou een ruzie zijn over een vriendschapsverzoek en het sturen van berichten op Facebook van de zijde van het slachtoffer aan de partner van verdachte. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij - voor zover dit het daadwerkelijke motief zou zijn - om een dusdanig futiele aanleiding naar een wapen grijpt en vervolgens veertien kogels op het slachtoffer afvuurt. Wat het motief nu uiteindelijk ook is geweest: verdachte is koelbloedig en gewetenloos te werk gegaan. Hij heeft in twee salvo’s geschoten, waarbij het leven van het slachtofer hem niets waard lijkt te zijn geweest en dat midden in een drukbewoonde woonwijk.

Verdachte heeft de familie en overige nabestaanden van het slachtoffer een groot en onherstelbaar leed toegebracht, zoals tijdens de zitting indringend naar voren is gebracht tijdens de uitoefening van het spreekrecht door de partner van het slachtoffer. Voor de familie is het extra pijnlijk dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad, in die zin dat hij de schuld op het slachtoffer heeft proberen af te schuiven door vol te blijven houden dat hij niet anders kon dan het slachtoffer van dichtbij dood te schieten. Bovendien lijkt verdachte de situatie vooral erg te vinden voor zichzelf; enige vorm van oprechte spijt ten aanzien van het slachtoffer en zijn nabestaanden heeft de rechtbank niet waargenomen bij verdachte. Verdachte is vooral bezorgd over de gevolgen die deze liquidatie voor hem zelf heeft. Hij lijkt zich niet te realiseren dat hij het slachtoffer het leven heeft ontnomen en wat voor onpeilbaar verdriet dit voor de nabestaanden is. Hij is verantwoordelijk voor een kille en gewetenloze moord.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft gekeken naar het Nederlandse strafblad van verdachte van 2 november 2020 en het Curaçaose strafblad van verdachte van 8 september 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater dr. [naam psychiater] , heeft een rapport over verdachte opgemaakt, gedateerd 10 juli 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De psychiater ziet - kort gezegd - een cannabisstoornis en antisociale persoonlijkheidskenmerken bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Deze cannabisstoornis en antisociale persoonlijkheidskenmerken hebben geen doorwerking en invloed gehad op het tenlastegelegde. De psychiater spreekt over weloverwogen gedrag en acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 15 juli 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De psycholoog heeft – kort gezegd - geen aanwijzingen gevonden voor problemen met impulsbeheersing. Er zijn dwangmatige trekken in de persoonlijkheid. Op basis van eerder delictgedrag en de beperkte empathie en gewetensfunctie zijn er ook antisociale persoonlijkheidstrekken. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte heeft een cannabisstoornis, maar deze heeft geen invloed gehad op het tenlastegelegde. Verdachte lijkt spijt te hebben van hetgeen hem is overkomen en de impact op de nabestaanden niet te doorvoelen. De psycholoog acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen en door wat ook overigens uit het dossier en op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank wel enige geestelijke problemen bij verdachte ziet, maar geen relatie tussen die problemen en het gepleegde strafbare feit. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de daad van verdachte volledig aan hem kan worden toegerekend.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de straffen die in Nederland in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De specifieke feiten en omstandigheden van elke zaak zijn bepalend voor de strafmaat.

De rechtbank constateert dat er geen factoren aanwezig zijn die een strafverlagend effect zouden kunnen hebben. De daad kan volledig aan verdachte worden toegerekend en het gaat om een buitengewoon ernstig strafbaar feit.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Beoordeling

Ter terechtzitting is kort aan de orde gekomen het klaagschrift ex art 552a Sv van [naam partner verdachte] , zijnde de partner van verdachte en verder te noemen klaagster. Dit klaagschrift is kort voor de terechtzitting van 17 november 2020 door de advocaat van klaagster, mr. G.R. Stolk, aan de meervoudige kamer van de rechtbank gezonden met het verzoek dit klaagschrift ter zitting te behandelen.

Het klaagschrift ziet op de Volkwagen Golf met het kenteken [kentekennummer] die onder verdachte in beslag is genomen. Op voornoemde auto rust conservatoir beslag. De officier van justitie heeft aangegeven dat de klacht door de raadkamer van deze rechtbank reeds ongegrond is verklaard. De rechtbank zal dan ook niet op het conservatoire beslag beslissen.

9. Vorderingen benadeelde partij

9.1.

Inleiding

In dit strafproces vorderen vijf personen schadevergoeding van de verdachte. Een deel van de gevraagde vergoedingen ziet op immateriële schade en een deel ziet op materiële schade. In alle gevallen is daarnaast gevraagd om wettelijke rente, een proceskostenveroordeling en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank heeft de verschillende vorderingen samengevat in het onderstaande overzicht:

Eisende partij

Shockschade / andere aantasting in de persoon

Affectieschade

Materiele schadeposten

[naam benadeelde 1]

primair: € 30.000,-

subsidiair: € 10.000,-

€ 20.000,-

levensonderhoud:

primair: € 18.600,-

subsidiair: € 4.650,-

[naam benadeelde 2]

€ 30.000,-

€ 20.000,-

(1) uitvaart € 2.105,-

(2) vliegtickets € 947,38

(3) kleding overledene € 200,-

(4) reiskosten € 134,63

[naam benadeelde 3]

€ 17.500,-

uitvaart

primair € 2.442,30

subsidiair € 102,88

[naam benadeelde 4]

€ 17.500,-

(1) uitvaart

primair: € 2.442,30

subsidiair: € 4.781,72

(2) vliegtickets € 690,45

[naam benadeelde 5]

(1) dagwaarde auto € 1.609,-

(2) takelwagen € 80,-
(3) vervangend vervoer € 950,-

9.2.

Beoordeling

9.2.1

De vorderingen van [naam benadeelde 1]

affectieschade

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van deze procedure voldoende aannemelijk is geworden [naam benadeelde 1] de biologische zoon van het slachtoffer is. De rechtbank acht deze betrekking tussen [naam benadeelde 1] en het slachtoffer voldoende onderbouwd gelet op onder meer het overgelegde geboortekaartje van [naam benadeelde 1] en de uitnodiging voor zijn kraamfeest waarop het slachtoffer als vader staat vermeld.

Nu voorts vast is komen te staan dat aan [naam benadeelde 1] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht, zal de vordering voor het deel dat betrekking heeft op de affectieschade, ondanks de betwisting door verdachte, worden toegewezen. Het Besluit vergoeding affectieschade bepaalt dat het minderjarige kind van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gekomen, recht heeft op € 20.000,- aan affectieschade.

aantasting in de persoon

[naam benadeelde 1] zal niet-ontvankelijk verklaard worden in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de aantasting in de persoon. De beantwoording van de vraag of [naam benadeelde 1] schadevergoeding toekomt wegens aantasting in zijn persoon, betreft een complexe vraag die op basis van deze stand van zaken niet eenduidig kan worden beantwoord. De vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

kosten levensonderhoud

[naam benadeelde 1] wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het deel van de vordering dat betrekking heeft op het (primair en subsidiair) gevorderde bedrag aan kosten voor levensonderhoud, zodat ook dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat het slachtoffer bijdroeg in de kosten van levensonderhoud van [naam benadeelde 1] .

9.2.2

De vorderingen van [naam benadeelde 2]

affectieschade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. Het Besluit vergoeding affectieschade bepaalt dat de levensgezel van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gekomen, recht heeft op € 20.000,- aan affectieschade.

shockschade

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. De rechtbank stelt vast dat mevrouw [naam benadeelde 2] in aanmerking komt voor shockschade. Mevrouw [naam benadeelde 2] heeft het slachtoffer geidentificeerd en heeft daarbij gezien hoe het gezicht van het slachtoffer is verminkt door een schot in de kaak. Voorts heeft zij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat ze lijdt aan PTSS. Er moet voor de hoogte van de van shockschade gekeken worden welk geestelijk letsel de benadeelde partij heeft geleden of nog zal lijden door de confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf en welk bedrag dan passend is. Dat is een complexe vraag die op dit moment niet volledig kan worden beantwoord. Gelet op de wijze waarop mevrouw [naam benadeelde 2] met de directe gevolgen van het misdrijf is geconfronteerd, is het wel evident dat zij meer schade heeft geleden dan het verlies van haar partner door een misdrijf. De rechtbank zal daarom naast het toegekende bedrag aan affectieschade een bedrag € 10.000,- naar billijkheid aan shockschade toewijzen. De vordering levert voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

materiële kosten

Deze gevorderde materiële kosten zullen integraal worden toegewezen: zij zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd.

9.2.3.

Vorderingen van de ouders van het slachtoffer

affectieschade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen door het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. De ouders van het slachtoffer, de heer [naam benadeelde 3] en mw. [naam benadeelde 4] , vorderen ieder voor zich € 17.500,- als vergoeding van affectieschade. De rechtbank zal deze vorderingen toewijzen.

Dit is namelijk het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding affectieschade geldt voor ouders van een meerderjarig, niet thuiswonend kind dat als gevolg van een misdrijf is overleden.

materiële kosten

Aan de heer [naam benadeelde 3] wordt ter zake van de door hem gevorderde materiële kosten het door hem subsidiair gevorderde bedrag van € 102,88 toegewezen. Deze kosten zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd.

Aan mevrouw [naam benadeelde 4] wordt wordt ter zake van de door haar gevorderde materiële kosten het door haar subsidiair gevorderde bedrag van € 4.781,72 toegewezen alsmede het bedrag van € 690,45 dat zij heeft betaald aan vliegtickets om haar zoon uit Nederland op te halen om op Curacao te begraven. Deze kosten zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd.

9.2.4

Vorderingen van [naam benadeelde 5]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de dagwaarde van de auto ad € 1609,- en de kosten van de takelwagen de rechtbank ad € 80,- genoegzaam zijn onderbouwd, zal de vordering ter zake van deze posten worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde kosten ter zake van het vervangende vervoer niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid naar dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen hetgeeneen onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

9.3.

Conclusies

De rechtbank zal de volgende bedragen toewijzen:

Eisende partij

Shockschade

Affectieschade

Materiele schadeposten

[naam benadeelde 1]

-

€ 20.000,-

-

[naam benadeelde 2]

€ 10.000,-

€ 20.000,-

€ 3.387,01

[naam benadeelde 3]

€ 17.500,-

€ 102,88

[naam benadeelde 4]

€ 17.500,-

€ 5.472,17

[naam benadeelde 5]

€ 1.689,-

Voor zover vorderingen niet toegewezen worden, wordt de betreffende benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn of haar vordering.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen over de toegewezen bedragen vanaf

6 november 2019. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 289 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde alsmede het onder feit 2 en onder feit 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vorderingen benadeelde partijen

veroordeelt de verdachte om de navolgende bedragen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 november 2019, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

Eisende partij

Shockschade

Affectieschade

Materiele schadeposten

[naam benadeelde 1]

€ 20.000,-

[naam benadeelde 2]

€ 10.000,-

€ 20.000,-

€ 3.387,01

[naam benadeelde 3]

€ 17.500,-

€ 102,88

[naam benadeelde 4]

€ 17.500,-

€ 5.472,17

[naam benadeelde 5]

€ 1.689,-

verklaart ieder van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen voor zover er meer of anders is gevorderd dan wat hiervoor is toegewezen;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen de navolgende bedragen, steeds vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 6 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen:

Ten behoeve van

Bedrag

Gijzeling

[naam benadeelde 1]

€ 20.000,-

90 dagen

[naam benadeelde 2]

€ 33.387,01

90 dagen

[naam benadeelde 3]

€ 17.602,88

90 dagen

[naam benadeelde 4]

€ 22.972,17

90 dagen

[naam benadeelde 5]

€ 1.689,-

5 dagen

beveelt dat – bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van deze bedragen – gijzeling kan worden toegepast voor maximaal de duur van het aantal dagen genoemd in bovenstaand overzicht; toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan een benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van die benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Boer, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C.R.S. van Nuss en I.M. Sinon, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 06 november 2019 te Rotterdam opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met dat opzet, met een

vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op

en/of in de richting van die [naam slachtoffer 1] , waardoor die [naam slachtoffer 1] door een of

meerdere van die kogels in het lichaam en/of het hoofd/de hals is getroffen,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 06 november 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II en/of III onder 1º van

de Wet wapens en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie

II en/of III van de Wet wapens en munitie te weten bij dit wapen behorende,

kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 06 november 2019 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Opel), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt door.