Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10909

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
C/10/607776 / FA RK 20-8822
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, artikel 7:7 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), afgewezen. Betrokkene is bereid om nog twee weken in de accommodatie te blijven. Gelet hierop is er sprake van instemming, artikel 1:4 lid 3 onder a Wvggz. Ondertussen kan het vervolgtraject worden bepaald. Indien het vervolgtraject niet in een vrijwillig kader kan plaatsvinden, is dan inmiddels uit diagnostisch onderzoek gebleken of een machtiging onder de Wet zorg en dwang (Wzd) nodig en passender is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/607776 / FA RK 20-8822

Betrokkenenummer: [nummer]

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 16 november 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)

op verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,

met betrekking tot:

[naam betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,

hierna: betrokkene,

wonende aan de [adres betrokkene] , [postcode betrokkene] te [woonplaats betrokkene] ,

thans verblijvende bij Antes aan de Maasstadweg 96, 3079 DZ te Rotterdam,

advocaat mr. P.M. Iwema te Rotterdam.

1. Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 november 2020, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 12 november 2020 opgelegde crisismaatregel.


Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van

12 november 2020;

- de medische verklaring opgesteld door [naam psychiater 1] , psychiater, van

12 november 2020;

  • -

    de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz; en

  • -

    het bericht dat er geen relevante politiegegevens en strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene zijn.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op

16 november 2020.

Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

  • -

    betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat; en

  • -

    [naam psychiater 2] , psychiater, verbonden aan Antes.

1.3.

De officier is niet gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2. Beoordeling

2.1.

Uit de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en ernstige verwaarlozing. In de ochtend voorafgaand aan opname heeft betrokkene geprobeerd om zijn hart uit zijn lichaam te verwijderen met een stanleymes. Een week geleden is betrokkene van de trap gevallen, waarbij hij een hoofdwond heeft opgelopen. Betrokkene heeft beide keren niet zelf de hulpdiensten gealarmeerd, maar is (tijdig) door een naaste gevonden. Daarnaast is betrokkene de afgelopen weken toenemend somber geworden en houdt hij het contact met zijn dochters steeds meer af. Verder is betrokkene minder gaan eten en meer alcohol gaan drinken.

2.2.

Uit de medische verklaring blijkt dat vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een depressieve stemmingsstoornis. Daarnaast is er sprake van een stoornis in alcoholgebruik en een vermoeden van cognitieve achtergang. Betrokkene heeft een blanco psychiatrische voorgeschiedenis. De echtgenote van betrokkene is twee jaar geleden overleden en sindsdien is betrokkene weleens somber en angstig. Tijdens de mondelinge behandeling geeft betrokkene aan dat hij sindsdien ook meer drinkt. De psychiater verklaart dat er bij betrokkene aanwijzingen bestaan voor geheugenproblematiek. Daarom wordt het noodzakelijk geacht dat betrokkene nog enkele weken in de accommodatie blijft voor verdere diagnostiek en voor het bepalen van een vervolgtraject. Gebleken is dat betrokkene voor een periode van twee weken in de accommodatie wil blijven. Weliswaar verwacht de psychiater dat zij meer tijd nodig heeft en is de vrijwilligheid van betrokkene volgens haar wel wat discutabel, maar zij kan zich vinden in de voorlopige continuering van diagnostiek en behandeling in een vrijwillig kader. Indien verplichte zorg op een later moment toch nodig is, kan dit ten aanzien van betrokkene wellicht ook worden verzocht onder de Wzd, aldus de psychiater. Omdat er sprake is geweest van suïcidaal gedrag en het vaak onduidelijk is waar dat uit voortkomt, begrijpt de psychiater dat ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel onder de Wvggz is opgelegd. Inmiddels wordt echter vermoed dat de problematiek die op de voorgrond staat niet van psychische aard is, maar dit moet verder worden onderzocht. Namens betrokkene voert de advocaat aan dat betrokkene binnen afzienbare tijd de zaak wil afronden, en dat hij niet wil dat er opnieuw een machtiging wordt verzocht. Bij voortzetting van de crisismaatregel kan betrokkene een duidelijke einddatum voor ogen houden, terwijl er bij bovengenoemd voorstel van de psychiater geen sprake is van een concrete termijn. Daarom pleit de advocaat voor toewijzing van het verzoek. De rechtbank overweegt dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat betrokkene nog twee weken vrijwillig in de accommodatie wil blijven en dat de psychiater daar vertrouwen in heeft. Ondertussen kan het vervolgtraject worden bepaald. Wellicht kan dat in een vrijwillig kader plaatsvinden, en anders is dan inmiddels uit diagnostisch onderzoek gebleken of een machtiging onder de Wzd passender is. Gelet op de bereidheid van betrokkene is de rechtbank voor nu van oordeel dat er sprake is van instemming, zoals bedoeld in artikel 1:4 lid 3 onder a Wvggz. Hierdoor vervalt de grond voor het opleggen van verplichte zorg.

2.3.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is op 16 november 2020 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, en op 23 november 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.