Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10849

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
8408149
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG-vonnis. Vordering tewerkstelling in oude functie met bijbehorend loon en pensioenafdracht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8408149 VV EXPL 20-113

uitspraak: 12 juni 2020

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] , gemeente [gemeente] ,

eiser,

gemachtigde: mr. C. Uluman,

tegen

[gedaagde]

,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.J.H. Krumpelman.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1a tot en met 13, en fotobijlage;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Uluman.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 mei 2020, via een Skype verbinding. [eiser] heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door mr. Uluman. Van de zijde van [gedaagde] is hieraan deelgenomen door haar Manager Operations [naam persoon 1] en haar interim HR-manager [naam persoon 2] , bijgestaan door mr. Krumpelman.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiser] , thans 61 jaar oud, werkt vanaf 22 juli 1996 bij [gedaagde] . Hij is werkzaam geweest in de functie van Kraanmachinist tegen een bruto maandsalaris van € 3.695,54 met een persoonlijke maandelijkse toeslag van € 1.108,66 bruto per maand, tezamen € 4.804,20 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.2

Op 18 oktober 2019 heeft [eiser] , tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden op de kraan de boot [naam vaartuig] geraakt, doordat hij naar de boot, die afgemeerd lag aan de kade, is gereden terwijl zijn kraan nog naar beneden stond en met de kraan in die zogenoemde afgetopte toestand over de boot heen is gereden, waarbij zijn mast en radar zijn geraakt, gelegen op de brug / het bovendek van de [naam vaartuig] , met schade tot gevolg.

2.3

Direct na het voorval is op het werk met [eiser] gesproken. Op 22 oktober 2019 heeft wederom een gesprek met hem plaatsgevonden, waarbij mededeling is gedaan van de mogelijkheid van terugplaatsing in functie voor de duur van één jaar, als disciplinaire maatregel.

2.4

Bij brief van 19 november 2019 heeft [gedaagde] - verkort weergegeven - aan [eiser] meegedeeld dat hem een laatste kans wordt gegeven en dat hem in verband met het voorval de sanctie wordt opgelegd van definitieve plaatsing in een lagere functie, met een ander rooster, voor onbepaalde tijd, en met aanpassing van zijn beloning aan de nieuwe functie.

2.5

Na afwezigheid wegens ziekte heeft [eiser] op 5 december 2019 het werk bij [gedaagde] hervat in de functie van Operationeel / Terminal Medewerker, met een salaris van

€ 3.147,74 bruto per maand.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert - verkort weergegeven en zo de kantonrechter begrijpt - bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

1. a. om hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk weder te werk te stellen in zijn eigen functie van Kraanmachinist met de daarbij behorende taken, bevoegd- en verantwoordelijkheden, onder dezelfde primaire en secundaire voorwaarden als voorheen,

b. om met terugwerkende kracht vanaf 19 november 2019 zijn salaris, vakantietoeslag opbouw en pensioenopbouw te betalen, onder verstrekking van deugdelijke bruto/netto specificaties,

c. om hem op passende wijze, naar zijn genoegen, schriftelijk te rehabiliteren in zijn werkomgeving;

een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 3.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven hieraan te voldoen, vanaf twee dagen na betekening van het vonnis;

2. tot betaling van wettelijke verhoging van 50% over het ingehouden salaris vanaf

19 november 2019 en wettelijke rente;

3. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

4. in de proceskosten.

3.2

Aan de vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat hij zich niet kan verenigen met de opgelegde sanctie en dat hij zijn eigen functie van Kraanmachinist wil uitoefenen, met zijn volledige salaris inclusief persoonlijke toeslag. Dit laatste met terugwerkende kracht vanaf 19 november 2019, en ook de opbouw van het vakantiegeld en de pensioenafdracht dient vanaf die datum gecorrigeerd te worden, aldus [eiser] .

3.3

[gedaagde] voert verweer en concludeert - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proceskosten en de nakosten.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vordering nader besproken.

4. De beoordeling

4.1

In dit kort geding dient, op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.2

Vast staat dat [eiser] tijdens zijn werk bij [gedaagde] met de kraan die hij bestuurde schade heeft veroorzaakt aan de boot [naam vaartuig] Naar eigen zeggen is [eiser] , nadat hij via de radio had vernomen dat hij naar de [naam vaartuig] moest gaan, in allerijl van vak 4, waar hij bezig was containers te lossen, naar vak 5 gereden, waar de [naam vaartuig] aan de kade lag. De rit daarnaartoe heeft hij gemaakt met zijn kraan naar beneden en in die afgetopte toestand is hij over de boot heen gereden. Daarbij zijn de mast en de radar op de boot geraakt. Volgens [gedaagde] is [eiser] met de kraan over een groot deel van de lengte van de [naam vaartuig] heen gegaan, alvorens de kraan tot stilstand kwam.

4.3

Gelet op het voorgaande lijkt het voorval het gevolg te zijn geweest van het aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijden en bedienen van de kraan, zodat [eiser] naar het zich thans laat aanzien grove schuld heeft hieraan. Niet alleen is hierdoor aanzienlijke schade ontstaan, ook heeft [eiser] een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd, zowel voor personen aan boord van de [naam vaartuig] als voor personen aan wal, onder wie hijzelf, omdat de kraan had kunnen omvallen. Dit had dodelijk letsel tot gevolg kunnen hebben. Het is dan ook begrijpelijk dat [gedaagde] het voorval op 18 oktober 2019 zeer hoog heeft opgenomen.

4.4

[gedaagde] heeft onderbouwd aangevoerd dat zich al eerder incidenten hebben voorgedaan, ook in het recente verleden. In sommige gevallen is disciplinair opgetreden. In 2016 en 2017 heeft [eiser] officiële waarschuwingen gehad voor fysiek geweld tegen een collega.

Op 26 juli 2017 is [eiser] , wegens een schadevoorval, gedurende negen maanden, te weten van 27 juli 2017 tot 27 april 2018, geplaatst in een eerst lagere functie. In die periode heeft [eiser] op 3 maart 2018 een berisping gekregen in verband met het afleggen van een onjuiste verklaring over een schadevoorval op 24 januari 2018. In verband met een schadevoorval op 6 september 2018 is [eiser] ook een berisping gegeven. Op

8 februari 2019 en 6 maart 2019 hebben zich weer schadevoorvallen voorgedaan.

4.5

[eiser] erkent dat hij op 18 oktober 2019 een stommiteit heeft begaan, maar lijkt de ernst van het voorval niet te onderkennen, althans geeft daarvan in deze procedure onvoldoende blijk.

4.6

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het voorval van 18 oktober 2019 dermate ernstig en verwijtbaar dat [gedaagde] op een beëindiging van de arbeidsverhouding met [eiser] had kunnen aansturen. Dat is (vooralsnog) echter niet gebeurd.

4.7

[gedaagde] heeft besloten tot een disciplinaire maatregel die minder ver gaat, namelijk [eiser] te ontheffen uit de functie van kraanmachinist, met verlies van het bijbehorende salaris, onder gelijktijdige aanstelling van hem in de functie van Operationeel / Terminal Medewerker, met toekenning van het bij die functie behorende salaris.

4.8

Gelet op de ernst van het voorval en de recidive alsmede de belangen van [gedaagde] bij een veilige werkomgeving ziet de kantonrechter op dit moment geen grond voor het oordeel dat [gedaagde] niet als een goed werkgever heeft gehandeld door het opleggen van de maatregel. Het beroep van Kraanmachinist brengt zware verantwoordelijkheden met zich mee en [eiser] geeft er onvoldoende blijk van zich dat te realiseren. Het is aannemelijk dat [gedaagde] deze stap wel moést nemen om erger te voorkomen en door niet over te gaan tot ontslag, maar te kiezen voor een minder vergaande sanctie betoont [gedaagde] zich juist een goed werkgever.

4.9

Bij deze stand van zaken is geen sprake van een situatie waarin de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

4.10

Evenmin ziet de kantonrechter reden om bij wijze van ordemaatregel het gevorderde toe te wijzen. In dit verband is van belang dat [eiser] werk heeft en loon ontvangt van [gedaagde] , zodat de nood minder hoog is dan het geval zou zijn geweest als hij gedwongen thuis zou zitten zonder inkomen. Daarbij komt dat de kans bestaat dat [eiser] het door hem gevorderde loon niet zal kunnen terugbetalen als de disciplinaire maatregel in een bodemprocedure stand houdt, wat naar het zich thans laat aanzien het geval zal zijn.

4.11

Daarom wordt het gevorderde afgewezen.

4.12

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde, en in de nakosten.

5. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 721,- aan salaris voor de gemachtigde en indien [eiser] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig hieraan heeft voldaan, begroot op €60,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465