Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10823

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
8460960 CV EXPL 20-12164
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering betaling € 3.961,- uit hoofde van stallingsovereenkomst. Beroep op verrekening met € 4.800,- i.v.m. onverschuldigde betaling gepasseerd (6:136 BW). Eiseres mocht gebruikmaken van retentierecht (inhoud stalkasten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8460960 CV EXPL 20-12164

uitspraak: 20 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 2 april 2020,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: Rijnland Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Spijkenisse,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procederend in persoon,

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

 de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

 de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie;

 de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen partijen bestond met ingang van 1 maart 2014 een huurovereenkomst stalling (hierna: stallingsovereenkomst) op grond waarvan de paarden [paard 1] , [paard 2] en [paard 3] van [gedaagde] bij [eiseres] waren gestald.

2.2.

Bij brief van 8 mei 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] gemaand een bedrag van € 3.961,00 aan haar te betalen.

2.3.

Per 31 mei 2019 is de stallingsovereenkomst beëindigd.

2.4.

Bij brief van 8 januari 2020 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om binnen 14 dagen na ontvangst van die brief het bedrag van € 3.961,00 te voldoen, met aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten in geval van niet tijdige betaling.

2.5.

Bij brief van 6 februari 2020 heeft de gemachtigde van [eiseres] een herinnering gestuurd aan [gedaagde] .

2.6.

Bij e-mail van 14 februari 2020 heeft [gedaagde] op de brief van 6 februari 2020 gereageerd en gesteld dat hij de vordering niet zal betalen, omdat hij eerst van [eiseres] zijn eigendommen terug wil.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiseres] heeft in conventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 4.565,25 (te weten € 3.961,00 aan hoofdsom, € 83,15 aan verschenen rente en € 521,10 aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.961,00, gerekend vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder begrepen verschotten en een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] .

3.2.

[gedaagde] heeft, na wijziging van eis, in reconventie gevorderd de achterstallige stallingskosten te verminderen met de door hem teveel betaalde penningen voor de buitenweitjes van in totaal € 4.800,- en [eiseres] te veroordelen tot betaling van de door [gedaagde] geleden schade als gevolg van het openbreken en ontvreemden van zijn eigendommen, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.3.

Ter onderbouwing van haar vordering en bij wijze van verweer tegen de vordering van [gedaagde] heeft [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Op grond van de stallingsovereenkomst heeft [eiseres] opeisbaar van [gedaagde] te vorderen een bedrag van € 3.961,00. [eiseres] heeft, ook na herinneringen, geen betaling van [gedaagde] kunnen verkrijgen. Daardoor zag zij zich genoodzaakt haar incassogemachtigde in te schakelen. Zij vordert daarom ook een bedrag van € 521,10 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is [eiseres] gerechtigd de wettelijke rente over de hoofdsom te vorderen. Deze bedraagt tot de dag van de dagvaarding € 83,15. Er is geen grond voor verrekening. [eiseres] betwist voorts dat [gedaagde] schade heeft geleden, laat staan dat zij hiervoor verantwoordelijk is. [eiseres] heeft niets ontvreemd of gestolen maar heeft de spullen van [gedaagde] slechts veilig gesteld. [eiseres] heeft [gedaagde] per WhatsApp-bericht van 16 mei 2019 laten weten dat hij de spullen en paspoorten kon ophalen na betaling van de vordering. Het feit dat [gedaagde] hier met een ‘duimpje’ op heeft gereageerd kan [eiseres] niet anders zien dan een akkoord op deze gang van zaken. Zij verzoekt de kantonrechter dan ook om de eis van [gedaagde] in reconventie af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] heeft bij wijze van verweer tegen de vordering van [eiseres] en ter onderbouwing van zijn vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft gedurende vier jaar gebruik gemaakt van twee privé buitenweitjes op het terrein van [eiseres] . Hiervoor betaalde hij contant € 300,00 per maand aan de voormalig bedrijfsleidster. In 2018 kwam [gedaagde] erachter dat hij elke maand € 100,00 per maand te veel betaalde vergeleken met andere pensionklanten. In totaal heeft [gedaagde] € 4.800,00 te veel betaald. [gedaagde] wil dit bedrag verrekenen met de achterstallige stallingskosten. Eind april 2019 heeft [gedaagde] ervoor gekozen om de stalling van zijn paarden op te zeggen en uit te kijken naar een ander onderkomen. Op 8 mei 2019 werd hem medegedeeld dat één van zijn paarden in een quarantainebox zou worden geplaatst als [gedaagde] de achterstallige stallingskosten niet direct zou betalen. [gedaagde] is die dag direct met zijn paarden vertrokken. De paardenbenodigdheden en de paspoorten die in de stalkasten aanwezig waren zou hij later ophalen. Drie dagen later ontving [gedaagde] via een andere pensionklant twee foto’s van de stalkasten die door [eiseres] waren opengebroken. Alle eigendommen van [gedaagde] waren weggehaald. [gedaagde] vordert daarom schadevergoeding.

3.5.

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de conventionele en de reconventionele vorderingen zullen deze gezamenlijk worden gehandeld.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] terecht een bedrag van € 3.961,00 aan achterstallige stallingskosten vordert van [gedaagde] . [gedaagde] dient dit bedrag daarom te betalen aan [eiseres] . Dit is alleen anders als [gedaagde] zich terecht op verrekening beroept.

4.3.

Voor verrekening is vereist dat sprake is van wederkerig schuldenaarschap: [eiseres] moet een vordering op [gedaagde] hebben en [gedaagde] moet een vordering hebben op [eiseres] .

4.4.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat hij zich op het standpunt stelt een bedrag van € 4.800,-- onverschuldigd aan [eiseres] te hebben voldaan.

4.5.

Ingevolge artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.

4.6.

[gedaagde] heeft gesteld dat hij met de voormalig bedrijfsleidster heeft afgesproken dat hij € 300,- per maand betaalde voor de weitjes. Nu aan die betalingen een afspraak ten grondslag lag, zijn de betalingen niet zonder rechtsgrond verricht. Deze kunnen dan ook niet (deels) teruggevorderd worden op grond van artikel 6:203 BW. Dat door de bedrijfsleidster met andere personen andere afspraken zijn gemaakt, zoals [gedaagde] nog heeft gesteld, doet daar niet aan af.

4.7.

Aldus is niet gebleken dat [gedaagde] een voor verrekening vatbare vordering heeft op [eiseres] .

4.8.

Dat betekent dat het door [eiseres] in conventie gevorderde bedrag van € 3.961,00 zal worden toegewezen en dat de op verrekening gerichte vordering van [gedaagde] in reconventie zal worden afgewezen.

4.9.

De over het bedrag van € 3.961,00 door [eiseres] gevorderde wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is als onbetwist en op de wet gegrond toewijsbaar.

4.10.

[eiseres] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht is door [gedaagde] niet betwist. Voor de hoogte van de vergoeding zoekt de kantonrechter aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het gevorderde bedrag van € 521,10 komt overeen met de in dit Besluit genoemde tarieven en is dan ook toewijsbaar.

4.11.

Met betrekking tot de eigendommen van [gedaagde] die zich in de stalkasten bevonden wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat [eiseres] de eigendommen van [gedaagde] die zich in deze stalkasten bevonden onder zich heeft en niet aan [gedaagde] heeft afgegeven. [eiseres] beroept zich in dit verband op een retentierecht.

4.12.

Uit het bepaalde in artikel 3:290 BW in verbinding met artikel 6:52 BW vloeit voort dat een schuldeiser ( [eiseres] ) de nakoming van zijn verplichting tot afgifte van een zaak (de inhoud van de stalkasten) aan zijn schuldenaar ( [gedaagde] ) mag opschorten totdat haar eigen - opeisbare - vordering op de schuldenaar door hem is voldaan indien tussen die verplichtingen voldoende samenhang bestaat om die opschorting te rechtvaardigen.

4.13.

Zoals hiervoor geoordeeld, is [gedaagde] aan [eiseres] nog een bedrag van € 3.961,00 aan stallingskosten verschuldigd. Dit bedrag is opeisbaar. Tussen enerzijds de verschuldigde stallingskosten en anderzijds de afgifte van de inhoud van de stalkasten bestaat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende samenhang om het door [eiseres] ingeroepen retentierecht te rechtvaardigen. Een deel van de vordering betreft blijkens de specificatie in de brief van 8 mei 2019 immers de huur van de stalkasten waarin de eigendommen van [gedaagde] lagen opgeslagen. Dit brengt mee dat [eiseres] de afgifte van de inhoud van de stalkasten mag opschorten totdat [gedaagde] de vordering van [eiseres] ter zake van de stallingskosten heeft voldaan.

4.14.

Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiseres] zich bereid en in staat heeft verklaard de inhoud van de stalkasten aan [gedaagde] terug te geven zodra de openstaande vordering door hem is betaald.

4.15.

Dat betekent dat ook het op schadevergoeding gerichte deel van de vordering van [gedaagde] in reconventie zal worden afgewezen.

4.16.

[gedaagde] wordt, als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] in conventie vastgesteld op € 585,73 aan verschotten (€ 86,73 aan dagvaardingskosten en € 499,00 aan griffierecht) en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 240,00). In reconventie worden de kosten begroot op nihil vanwege de samenhang met de vordering in conventie.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 4.565,25, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 3.961,00 vanaf 2 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 585,73 aan verschotten en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478