Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10808

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
8498132
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vernietiging ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8498132 VZ VERZ 20-8742

uitspraak: 8 september 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigden: mr. L. Groeneveld en mr. F. Laros,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. Reinis,

gevestigd te Spijkenisse,

verweerster,

verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigden: mr. J.B.B. Heinen en mr. E. Wies.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ” en “Reinis”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoeker] , met producties, ontvangen op 7 mei 2020;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek van Reinis, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling en de bij die gelegenheid door de gemachtigden van partijen overgelegde pleitnota’s.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigden. Namens Reinis zijn verschenen haar HR-manager [naam 1] en haar directeur [naam 2] , bijgestaan door voornoemde gemachtigden. Partijen hebben meegedeeld mondeling overeenstemming te hebben bereikt ter beëindiging van het geschil. Op verzoek van partijen is de behandeling voor drie weken aangehouden.

1.3

Op 24 juli 2020 is de kantonrechter bericht dat [verzoeker] geweigerd heeft de op schrift gestelde vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Partijen hebben de kantonrechter verzocht een beschikking te geven en uitspraak te doen in de verzoeken over en weer.

1.4

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Reinis is de geprivatiseerde reinigingsdienst van de gemeente Nissewaard en zij is daar

onder meer verantwoordelijk voor de inzameling van zowel huishoudelijk als

bedrijfsafval.

2.2

[verzoeker] is vanaf 1 december 2011 werkzaam geweest bij Reinis, laatst in de functie van Algemeen Medewerker III op het afvalbrengstation aan de [adres] .

2.3

Het is medewerkers van Reinis niet toegestaan om afgedankte goederen (afval) voor zichzelf te gebruiken of zich toe te eigenen. Voorheen was dit neergelegd in de “Gedragsregels N.V. Reinis” en sinds 2017 in het “Handboek N.V. Reinis”, waarin onder meer verwoord is dat afval of goederen, aangeboden door burgers en/of klanten, eigendom zijn van Reinis en niet voor eigen gebruik mogen worden meegenomen of gebruikt. [verzoeker] heeft een exemplaar van het handboek ontvangen heeft hiervoor getekend. Tijdens werkoverleggen is aan medewerkers van Reinis meegedeeld dat geen afval mag worden meegenomen van het afvalbrengstation, onder meer tijdens het werkoverleg van

2 maart 2018 waarbij [verzoeker] aanwezig was.

2.4

Naar aanleiding van een mondelinge klacht op grond waarvan het vermoeden bestond dat medewerkers van Reinis door particulieren gebracht afval, in het bijzonder metalen, zich toe-eigenden, is Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) door Reinis ingeschakeld om hiernaar onderzoek te verrichten.

2.5

Op 28 februari 2020 heeft Hoffmann geconstateerd dat [verzoeker] met medewerking van collega’s twee tassen met metalen heeft weggenomen van het afvalbrengstation en dat deze bij hem thuis in de achtertuin zijn gezet.

2.6

Op 3 maart 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen medewerkers van Hoffmann en [verzoeker] , waarbij [verzoeker] heeft verklaard dat het niet is toegestaan om goederen mee te nemen van het afvalbrengstation, dat hij soms zonder toestemming metalen meeneemt, terwijl hij weet dat deze eigendom zijn van Reinis, dat het zou gaan om ongeveer vijf tassen met metaal en dat hij van plan was de metalen te verkopen. Ook heeft hij verklaard zijn handelen als (een vorm van) diefstal te zien.

2.7

Op 4 maart 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen HR-manager [naam 1] en directeur [naam 2] van Reinis enerzijds en [verzoeker] anderzijds, waarbij [verzoeker] de door hem op

3 maart 2020 tegenover medewerkers van Hoffmann afgelegde verklaringen heeft herhaald en daarbij heeft erkend dat hij voor het wegnemen van de metalen collega’s heeft ingezet om de metalen apart te houden en af te voeren. [verzoeker] is meegedeeld dat op 5 maart 2020 een vervolggesprek met hem zou plaatsvinden.

2.8

Op 5 maart 2020 heeft [naam 2] aan [verzoeker] meegedeeld dat hij op staande voet werd ontslagen. Reinis heeft het ontslag op staande voet diezelfde dag schriftelijk bevestigd aan [verzoeker] .

3. Het geschil

het verzoek

3.1

[verzoeker] verzoekt (naar de kantonrechter begrijpt) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding Reinis te

veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 2.664,- bruto per maand,

te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 5 maart

2020 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen

rechtsgeldig is geëindigd; en

II. primair:

1. het ontslag op staande voet te vernietigen;

2. Reinis te verplichten om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen

beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat Reinis in gebreke blijft;

3. Reinis te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoeker] van € 2.664,- bruto per maand vanaf 5 maart 2020 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

subsidiair,

Reinis te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van:

1. € 35.564,40 bruto dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag aan billijke vergoeding;

2. € 8.336,44 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

3. € 8.161,- (bruto) aan transitievergoeding;

meer subsidiair,

voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op

staande voet,

Reinis te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van:

1. € 8.161,- (bruto) aan transitievergoeding;

alsmede primair en subsidiair,

Reinis te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van:

4. € 2.148,75 aan ten onrechte verrekende studiekosten te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

5. de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

III. Reinis te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van

de gemachtigde daaronder begrepen.

3.2

Aan de verzoeken legt [verzoeker] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat zijn arbeidsovereenkomst op 5 maart 2020 niet rechtsgeldig is opgezegd omdat er geen dringende reden voor ontslag op staande voet was, althans is er sprake van feiten en omstandigheden die afdoen aan de dringendheid op grond waarvan Reinis van het ontslag had moeten afzien.

3.3

Reinis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

het voorwaardelijk tegenverzoek

3.4

Reinis verzoekt, voor het geval het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter geen stand houdt, bij beschikking:

I. de arbeidsovereenkomst tussen Reinis en [verweerder] te ontbinden,

primair:

wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] als bedoeld in

artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder e, BW;

subsidiair:

wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669,

aanhef en onder g, BW;

meer subsidiair:

op grond van artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder i, BW;

II. bij het bepalen van de ontbindingsdatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, aangezien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] ;

III. te bepalen dat [verweerder] geen aanspraak kan maken op de transitievergoeding, aangezien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] ;

IV. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.

3.5

Aan het verzoek legt Reinis - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [verweerder] zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen, althans het vertrouwen van Reinis in hem onherstelbaar heeft beschadigd, althans een combinatie hiervan zich voordoet, door meerdere tassen met metalen mee te (laten) nemen van zijn werk, zonder toestemming daarvoor van Reinis, waardoor van Reinis niet kan worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.

3.6

[verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek, want hij wil blijven werken bij Reinis.

het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

3.7

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de verzoeken nader besproken.

4. De beoordeling

het verzoek

4.1

Gelet op artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 2, aanhef en onder d, BW zal een dringende reden onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal.

4.2

Vaststaat dat Reinis tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is overgegaan op grond van de redenen genoemd in haar brief van 5 maart 2020, namelijk hetgeen Hoffmann geconstateerd heeft op 28 februari 2020 en hetgeen [verzoeker] hierover heeft verklaard tegenover medewerkers van Hoffmann op 3 maart 2020, zoals hierboven vermeld onder 2.5 en 2.6.

4.3

De kantonrechter kan Reinis volgen in haar standpunt dat reeds de constatering dat [verzoeker] zich op 28 februari 2020 een tas met metalen heeft toegeëigend, door deze na inlevering op het afvalbrengstation apart te zetten en naar zijn woning te laten brengen, zonder toestemming daarvoor van Reinis, een dringende reden oplevert om tot onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Temeer is dit het geval nu [verzoeker] op

3 maart 2020 heeft erkend meermaals metalen van Reinis te hebben meegenomen. Het plegen van diefstal van de werkgever is nu eenmaal een ernstig feit, helemaal als dit herhaaldelijk is gebeurd. [verzoeker] is hiermee bekend, want hij heeft zich aanvankelijk, eerst tegenover medewerkers van Hoffmann en later tegenover [naam 1] en [naam 2] , schuldbewust opgesteld, waarbij hij vreesde voor zijn baan.

4.4

De omstandigheid dat [verzoeker] niet alleen gehandeld heeft, maar hulp gekregen heeft van collega’s bij het zich toe-eigenen van de metalen, doet niet af aan de verwijtbaarheid. Integendeel, want diefstal in vereniging is des te kwalijker. Dat die collega’s niet geconfronteerd zijn met een ontslag op staande voet doet er evenmin aan af dat er naar objectieve maatstaven gemeten sprake is van een dringende reden. Daarbij komt dat Reinis gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom zij ten aanzien van de verweten gedragingen [verzoeker] een groter verwijt maakt dan zijn collega’s die hierbij betrokken zijn geweest. Kort gezegd, is het verschil in behandeling ingegeven door de omstandigheid dat die collega’s niet in dienst zijn bij Reinis en een minder prominente rol bij de voorvallen hebben gehad, mede gelet op de verklaringen van [verzoeker] die hen buiten schot heeft willen houden. Tevens is erop gewezen dat [verzoeker] fungeerde als de vaste vervanger van de beheerder van het afvalbrengstation en dat Reinis ook tegenover andere werknemers duidelijk heeft willen maken dat zij dit gedrag niet tolereert. Reeds hierom is er geen sprake van gelijke gevallen en gaat het beroep van [verzoeker] op gelijke behandeling niet op, nog daargelaten de vraag waarop dat beroep is gestoeld en of in de contractuele, één op één relatie tussen partijen daaraan betekenis zou moeten toekomen, op een wijze die afdoet aan voormelde bevoegdheid en de wil van Reinis om daarvan gebruik te maken tegenover [verzoeker] , in een geval als het onderhavige.

4.5

De omstandigheid dat Reinis in het verleden bij diefstal van de werkplek niet heeft gereageerd met een ontslag op staande voet betekent niet dat zij het recht daartoe heeft verwerkt en evenmin dat zij in dit geval niet daartoe is kunnen overgaan. In dit verband is van belang dat Reinis haar medewerkers sinds jaar en dag erop wijst dat het hen niet is toegestaan om afgedankte goederen (afval) zich toe te eigenen, eerst via haar Gedragsregels en nadien via haar Handboek en door hieraan aandacht te besteden tijdens werkoverleggen. [verzoeker] is hiermee bekend geweest en ook is hij zich bewust geweest van de mogelijkheid van ontslag, gelet op zijn vrees voor verlies van zijn baan na te zijn geconfronteerd met de diefstal. Dat de mogelijkheid van ontslag op staande voet niet is genoemd in de Gedragsregels en het Handboek maakt niet dat de bevoegdheid daartoe ontbreekt in geval van diefstal.

4.6

Mede gelet op de aard en de ernst van het feit dat als dringende reden is aangemerkt, heeft Reinis bij haar afweging om al dan niet tot ontslag op staande voet over te gaan weinig gewicht hoeven toe te kennen aan de aard en de duur van de arbeidsovereenkomst en de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] . Daarbij is van betekenis dat er geen sprake is van een erg lang of bijzonder dienstverband. Ook is [verzoeker] niet zo oud (36 jaar), dat voor hem rekening moest worden gehouden met ernstiger gevolgen van het ontslag. De omstandigheid dat [verzoeker] in verband met een hernia gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en het verloop van het herstel nog ongewis was, heeft Reinis niet hoeven doen afzien van het ontslag. Dat geldt ook voor de uitbraak van Covid-19 en alle maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn genomen met ongunstige gevolgen voor de arbeidsmarkt. Misschien is daardoor de verwachting reëel geweest dat het voor [verzoeker] zeer moeilijk zou zijn om binnen afzienbare tijd aan ander werk te komen, maar ook dat heeft Reinis niet hoeven te weerhouden van ontslag op staande voet, want de verwijtbare gedragingen van [verzoeker] betreffen geen kleinigheid en hebben tot gevolg gehad dat van Reinis redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.7

Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat Reinis heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW gelezen in samenhang met artikel 7:677 lid 1 BW, zodat er ook geen grond is om op de voet van artikel 7:681 lid 1 BW de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen of een billijke vergoeding toe te kennen.

4.8

Daarnaast is Reinis, gelet op het bepaalde in artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW niet de transitievergoeding verschuldigd aan [verzoeker] , omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Het niet toekennen hiervan wordt niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht.

4.9

Voorts is Reinis kunnen overgaan tot verrekening van de studiekosten die zij voor [verzoeker] heeft gemaakt, omdat in de opleidingsovereenkomst die partijen zijn aangegaan een terugbetalingsverplichting in het leven is geroepen voor het geval de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden wordt beëindigd door Reinis, welke situatie zich heeft voorgedaan.

4.10

Daarom wordt het onder I en onder II primair, subsidiair en meer subsidiair verzochte afgewezen.

4.11

[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van Reinis vastgesteld op € 721,- aan salaris voor de gemachtigde. Op de voet van artikel 288 Rv wordt deze veroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

het voorwaardelijk tegenverzoek

4.12

Gezien bovenstaande uitkomst wordt het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding afgewezen.

4.13

De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek

wijst het verzochte af;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Reinis vastgesteld op € 721,- aan salaris voor de gemachtigde, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

ten aanzien van het voorwaardelijk tegenverzoek

wijst het verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465