Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10806

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
8705958
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8705958 VV EXPL 20-326

uitspraak: 22 september 2020

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: [naam] ,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H. Ruys.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 24 augustus 2020, met producties;

  • -

    de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2020 via Skype. [eiseres] heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] heeft ook hieraan deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Bij de mondelinge behandeling hebben partijen een regeling getroffen en deze vastgelegd in een op schrift gestelde vaststellingsovereenkomst, waarin onder meer is voorzien in een beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] .

1.3

Per e-mailbericht van 17 september 2020, gericht aan mr. Ruys en aan de griffier, heeft haar gemachtigde meegedeeld dat [eiseres] gebruik maakt van haar recht als bedoeld in artikel 7:670b lid 2 BW en dat zij de vaststellingsovereenkomst ontbindt.

1.4

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiseres] is sinds 1 januari 2018 in dienst bij [gedaagde] in de functie van (laatstelijk) Medewerkster/Bedrijfsleidster en is laatst werkzaam geweest in een tabakswinkel op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen een basissalaris van € 1.007,37 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten op basis van een

24-urige werkweek.

2.2

[eiseres] heeft zich in november 2019 ziek gemeld. De door [gedaagde] ingeschakelde bedrijfsarts heeft [eiseres] op 14 januari 2020 op zijn spreekuur gezien en vastgesteld dat sprake is van ziekte, waarvoor [eiseres] gespecialiseerde behandeling volgt die langere tijd zal vergen, gedurende welke tijd [eiseres] niet beschikbaar is voor haar werk en dat zij vanwege haar medische problematiek dermate beperkt is dat zij niet met werk belastbaar is. Daarnaast is melding gedaan van werk gerelateerde problematiek. De datum 5 november 2019 is gehanteerd als eerste ziektedag.

2.3

Bij e-mailbericht van 22 februari 2020 heeft [gedaagde] [eiseres] uitgenodigd voor een re-integratiegesprek op 25 februari 2020.

2.4

Op 24 februari 2020 is [eiseres] wederom door de bedrijfsarts gezien, die heeft vastgesteld dat [eiseres] vanwege intensieve behandeling niet beschikbaar is voor werk voor de duur van drie à vier maanden.

2.5

Bij schrijven van 24 februari 2020 is (de gemachtigde van) [gedaagde] meegedeeld dat de bedrijfsarts [eiseres] vanwege haar medische problematiek dermate beperkt acht dat zij niet met werk belast kan worden en dat het maken van een plan van aanpak op dit moment niet zinvol is geacht. Voor het geval [gedaagde] een andere mening is toegedaan, is voorgesteld dat [eiseres] samen met haar gemachtigde het plan van aanpak gedeeltelijk invult en het formulier toestuurt.

2.6

Tussen partijen is discussie ontstaan over de bereikbaarheid van [eiseres] voor [gedaagde] , waarbij [eiseres] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij haar per e-mail kan bereiken.

2.7

Op 4 juni 2020 heeft de bedrijfsarts [eiseres] telefonisch gesproken en vernomen dat haar dagbehandeling vanwege de corona-situatie is opgeschort, waardoor zij vertraagd is in haar herstel en haar re-integratie. In verband met de medische toestand van [eiseres] is vastgesteld dat zij beperkt is in haar functioneren, waardoor het werk in de winkel niet passend is geacht.

2.8

Naar aanleiding van een aanvraag om een deskundigenoordeel heeft het UWV op

22 juni 2020 - verkort weergegeven - aan [gedaagde] bericht dat haar verzekerings-geneeskundige het plausibel acht dat [eiseres] gedurende vier maanden niet beschikbaar is voor werk vanwege een intensief behandeltraject en dat haar arbeidsdeskundige, gelet hierop, van oordeel is dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever en de werknemer tot dan toe voldoende zijn geweest.

2.9

Het loon over de maanden november 2019 en januari 2020 is later dan te doen gebruikelijk uitbetaald aan [eiseres] , nadat zij [gedaagde] heeft aangeschreven om tot loonbetaling over te gaan. Vanaf februari 2020 heeft [gedaagde] de loonbetaling aan haar gestopt.

3. De vordering

3.1

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis:

  1. € 7.049,- netto aan achterstallig loon over de maanden februari tot en met augustus 2020 te betalen aan [eiseres] ;

  2. 50% van het aan haar toekomende loon aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te betalen aan [eiseres] ;

  3. aan [eiseres] te verstrekken de salarisspecificatie, waarin de onder a en b vermelde betalingen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag voor elke dag dat na betekening van dit vonnis niet aan het vonnis wordt voldaan, met een maximum van € 5.000,-;

  4. de wettelijke rente te betalen over de onder a, b en c genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden daarvan tot aan de dag van algehele voldoening;

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en in de nakosten.

3.2

Aan haar vordering legt [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat zij zich op 5 november 2019 heeft ziekgemeld wegens een burn-out, terwijl zij voorafgaand aan de uitval in korte tijd driemaal een arbeidsconflict heeft gehad met een collega. Na de uitval is tevens een conflictsituatie ontstaan met haar baas [gedaagde] . Vanaf februari 2020 heeft deze de uitbetaling van haar loon stop gezet, terwijl daarvoor geen grond is geweest. In dit verband wijst [eiseres] erop dat zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts van het UWV heeft vastgesteld dat zij niet in staat is om te werken. Desondanks is [gedaagde] de op hem rustende verplichting tot loondoorbetaling niet nagekomen.

3.3

[gedaagde] betwist de vordering en concludeert - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - tot afwijzing daarvan.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vordering nader besproken.

4. De beoordeling

4.1

Anders dan van de zijde van [gedaagde] is aangevoerd, heeft [eiseres] , gelet op de aard van de vordering, spoedeisend belang bij de beoordeling daarvan. In dit verband wordt onderkend dat [eiseres] geruime tijd heeft gewacht met het instellen van de loonvordering, maar dat doet er niet aan af dat aannemelijk is dat haar financiële situatie inmiddels nijpend is. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. [eiseres] is ontvankelijk in haar vordering.

4.2

Het navolgende behelst niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Beoordeeld wordt of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het laatste doet zich voor.

4.3

Vast staat dat [eiseres] haar werk niet kan verrichten omdat zij in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte daartoe verhinderd is. In deze situatie behoudt [eiseres] in beginsel recht op 70% van haar loon, althans op tenminste het voor haar geldende wettelijk minimumloon gedurende de eerste 52 weken. Zie artikel 7:629 BW.

4.4

Van een situatie waarin [eiseres] zonder deugdelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan haar re-integratie of aan het opstellen van een plan van aanpak is geen sprake. In dit verband is van betekenis dat geen sprake is geweest van een weigering om een plan van aanpak op te stellen, maar dat dit niet zinvol is geacht onder verwijzing naar hetgeen de bedrijfsarts hierover heeft opgemerkt. Daarbij is van belang dat de bedrijfsarts in juni 2020 het werk in de winkel nog steeds niet passend heeft geacht voor [eiseres] , terwijl gesteld noch gebleken is dat hierin sindsdien verandering is opgetreden.

4.5

[gedaagde] is gestopt met het betalen van loon omdat [eiseres] geen telefonisch contact met hem wil. Onderschreven wordt dat het contact met een zieke werknemer niet alleen via de e-mail moet lopen, maar in dit geval is het begrijpelijk dat, gegeven de psychische toestand van [eiseres] en de wijze waarop partijen met elkaar communiceren, waarbij - zoals ter zitting is gebleken - de gemoederen hoog oplopen, ervoor gekozen is het contact (tijdelijk) zo te laten verlopen. Daarbij is van belang dat van de zijde van [eiseres] daadwerkelijk contact is onderhouden met [gedaagde] per e-mail en via haar gemachtigde. De aangevoerde moeilijkheid om met [eiseres] contact onderhouden, biedt onvoldoende basis om de loonbetaling te stoppen, waarbij wordt aangetekend dat [gedaagde] dit pas heeft meegedeeld in een e-mailbericht van 1 april 2020 toen al twee maanden geen loon was betaald.

4.6

Kortom, [gedaagde] heeft naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter loonbetaling aan [eiseres] ten onrechte gestopt. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van (het bruto equivalent van) het gevorderde bedrag van € 7.049,- netto aan achterstallig loon over de maanden februari tot en met augustus 2020.

4.7

Omdat tevens wordt verwacht dat in een bodemprocedure wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit loon zal worden toegekend, wordt het gerechtvaardigd geacht om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. De hoogte hiervan wordt thans bepaald op 15%

van (het bruto equivalent van) het gevorderde bedrag van € 7.049,- netto.

4.8

Het bedrag van € 7.049,- wordt toegewezen met rente. Over de loonbedragen is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd vanaf de data waarop deze uitbetaald hadden moeten worden. Over de wettelijke verhoging dient [gedaagde] deze rente te betalen vanaf het hieronder vermelde moment.

4.9

Tevens wordt [gedaagde] veroordeeld tot verstrekking aan [eiseres] van deugdelijke salarisspecificatie hiervan. Vooralsnog wordt geen reden gezien om hieraan een dwangsom te verbinden.

4.10

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 344,54 aan verschotten (griffierecht, explootkosten en informatiekosten) en € 480,- aan salaris voor de gemachtigde, met rente. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskosten-veroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 7.049,- netto aan loon over de maanden februari 2020 tot en met augustus 2020 en 15% aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dat loon, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het loon vanaf de data waarop dit maandelijks tot uitbetaling had moeten komen en over de wettelijke verhoging vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis, tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] deugdelijke salarisspecificatie te verstrekken van voormeld loon en wettelijke verhoging, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op:

  • -

    € 344,54 aan verschotten;

  • -

    € 480,- aan salaris voor de gemachtigde;

  • -

    beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Indien van toepassing dienen beide bedragen te worden vermeerderd met btw.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465