Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10785

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
596752
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0305
JERF Actueel 2020/392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: 596752 / HA ZA 20-470

Vonnis van 2 december 2020

in de zaak van

[persoon A] en [persoon B],

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat: mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

1 [persoon C] ,

wonende te [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] ),

2. [persoon D],

wonende te [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] ),

3. [erflaatster],

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [persoon F],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

advocaat: mr. E.J. Lievense te Rotterdam.

Hoewel niet gebruikelijk in een vonnis maar omdat de achternaam niet onderscheidend werkt, worden partijen hierna bij hun voornaam ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’, ‘ [persoon C] ’, ‘ [persoon D] ’, ‘ [persoon E] ’ en ‘ [persoon F] ’ genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 mei 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,

van 1 juli 2020;

  • -

    de overgelegde producties;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de zaak op 23 oktober

2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 17 juli 2013 overleed [erflaatster] (hierna: ‘erflaatster’). [persoon A] (getrouwd met [persoon B] ) en [persoon C] (getrouwd met [persoon D] ) zijn haar broers. [persoon E] (getrouwd met [persoon F] ) is haar nicht. Partijen zijn betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

2.2

De bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster betrokken partijen hebben in 2018 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst staat, voor zover nu van belang:

• Partijen op 10 april 2018 ten kantore van de executeur tot een alomvattende minnelijke oplossing zijn gekomen, inhoudende dat alle geschillen die hen verdeeld houden bij de afwikkeling van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] – en daardoor tevens bij de afwikkeling van de nalatenschappen van wijlen de heer [persoon G] en wijlen mevrouw [persoon H] – in onderling overleg en zonder (verdere) tussenkomst van de rechter finaal worden beëindigd, genoemde procedure wordt beëindigd en door middel van onderhavige vaststellingsovereenkomst hun rechtsverhouding wordt vastgesteld.

KOMEN ALS VOLGT OVEREEN:

(…)

3. Partijen komen overeen dat de als bijlage 1 aan deze vaststellingsovereenkomst gehechte boedelbeschrijving – welke bijlage onlosmakelijk is verbonden met deze vaststellingsovereenkomst – geldt als definitieve boedelbeschrijving.

(…)

6. Partijen verklaren dat zij met inachtneming van de definitieve boedelomschrijving wensen over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflaatster. Partijen 1 t/m 6 geven door ondertekening ieder opdracht aan de executeur om na het eindigen van diens taak als executeur over te gaan tot verdeling van de nalatenschap. Partijen verklaren op eerste verzoek alle benodigde medewerking te zullen verlenen aan de verdeling.

7. Partijen hebben na effectuering van hetgeen in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd niets meer van elkaar te vorderen met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster. Zij verlenen elkaar derhalve voor alsdan finale kwijting over en weer.

(…)

11. Partijen doen over en weer afstand van het recht om geheel of gedeeltelijke ontbinding of geheel of gedeeltelijke vernietiging van deze vaststellingsovereenkomst te vorderen of zich op nietigheid te beroepen, uit welke hoofde dan ook en al dan niet bij wijze van verweer, dan wel om ex. art. 6:230 BW wijziging van de vaststellingsovereenkomst te verzoeken.

3. Het geschil

3.1

[persoon A] en [persoon B] vorderen in conventie [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] te veroordelen tot het verstrekken aan mr. Autar van een opdracht tot het doen realiseren van de verdeling(en) waarbij aan [persoon A] een bedrag van € 71.109,80 wordt uitbetaald en aan [persoon B] een bedrag van € 30.213,81 , zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] in gebreke blijven dusdanige medewerking te verlenen.

3.2

[persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] vorderen, naast veroordeling van [persoon A] en [persoon B] in de daadwerkelijk door hen in conventie en in reconventie gemaakte kosten, in reconventie:

I [persoon A] en [persoon B] te veroordelen binnen één week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, inhoudende dat zij hun onvoorwaardelijke medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de nalatenschap van erflaatster zoals is overeengekomen en zij conform artikel 6 van deze overeenkomst alle benodigde medewerking zullen verlenen aan de verdeling door mr. Autar met inachtneming van de definitieve boedelbeschrijving zoals deze is gehecht aan de vaststellingsovereenkomst;

II te bepalen dat indien en voor zover [persoon A] en [persoon B] na het verstrijken van de in het in deze zaak te wijzen vonnis bepaalde termijn in gebreke blijven hun medewerking te verlenen, het in deze zaak te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [persoon A] en [persoon B] gezamenlijk dan wel afzonderlijk waaruit hun onvoorwaardelijke medewerking volgt

3.3

Partijen betwisten elkaars vorderingen. Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee partijen de vorderingen en het verweer daartegen (verder) onderbouwen.

4. De beoordeling

4.1

[persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] voeren twee ontvankelijkheidsverweren maar de rechtbank laat deze verweren onbesproken. Het is duidelijk waar het partijen uiteindelijk inhoudelijk om gaat in deze zaak. Daar moet een oordeel over komen en het is in niemands belang dat een oordeel over die kwestie strandt bij het oordeel dat [persoon A] en [persoon B] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.

4.2

[persoon A] en [persoon B] stelden tijdens de mondelinge behandeling van de zaak dat ook zij, naast verdeling van de in hun ogen vergeten rentevordering, nakoming vorderen van de onder 2.2 genoemde vaststellingsovereenkomst. De rechtbank leest dit echter niet met zoveel woorden in de in de dagvaarding geformuleerde vordering. Van een nodeloos door [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] in reconventie ingestelde vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst is, anders dan [persoon A] en [persoon B] stellen, dan ook geen sprake. Integrale toewijzing van de vordering van [persoon A] en [persoon B] in conventie is ook niet per sé hetzelfde als een veroordeling van [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] tot nakoming van die vaststellingsovereenkomst.

4.3

Hoe dan ook, nu beide partijen nakoming van de vaststellingsovereenkomst vorderen, is dat toewijsbaar. Omdat [persoon A] en [persoon B] geen specifieke bezwaren aanvoeren tegen toewijzing van die vordering zoals geformuleerd door [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] en van de twee vorderingen (in conventie en in reconventie) alleen de vordering in reconventie tot het door beide partijen beoogde resultaat leidt, wordt de vordering toegewezen zoals in reconventie geformuleerd.

4.4

Partijen zijn de onder 2.2 genoemde vaststellingsovereenkomst aangegaan en zij vorderen allebei nakoming daarvan. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van geschil over wat rechtens tussen hen geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken, aldus artikel 7:900 BW.

4.5

Het voorgaande betekent dat met de vaststellingsovereenkomst uit 2018 (en de daaraan gehechte boedelbeschrijving per 20 juli 2016) een einde is gekomen aan geschillen tussen partijen over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Of er nu wel of geen sprake is van een vergeten rentevordering van € 8.086,00, [persoon A] en [persoon B] stellen dat dit zo is maar [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] betwisten het, het feit dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, staat discussie over die rentevordering in de weg. Het is met andere woorden wat de nalatenschap van erflaatster betreft simpelweg klaar nu. Voor zover [persoon A] en [persoon B] in deze procedure meer vorderen dan nakoming van de vaststellingsovereenkomst, is dit dan ook niet toewijsbaar.

4.6

Van misbruik van procesrecht is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had moeten blijven. De rechtbank is het met [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] eens dat [persoon A] en [persoon B] met het beginnen van deze zaak misbruik van procesrecht hebben gemaakt. Het is daarom op zijn plaats [persoon A] en [persoon B] te veroordelen in de volledige door [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] gemaakte kosten voor deze zaak, door hen, onbetwist door [persoon A] en [persoon B] , vastgesteld op een bedrag van € 7.760,02 (inclusief het betaalde griffierecht en wat de rechtbank betreft inclusief eventueel nog te maken nakosten).

4.7

[persoon A] en [persoon B] hadden moeten en kunnen weten dat hun instemming met de vaststellingsovereenkomst het einde van de (slepende) kwestie over de nalatenschap van erflaatster betekende en dat iedere vervolgstap, deze zaak bijvoorbeeld, tot niets meer zou leiden, hooguit tot door [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] onnodig te maken kosten. Dat [persoon A] dit wist, blijkt (ook) uit de verklaring die hij voorlas tijdens de mondelinge behandeling van de zaak. Uit wat [persoon A] voorlas, trekt de rechtbank de conclusie dat het hem niet zozeer om de al dan niet vergeten € 8.086,00 gaat, maar om ‘oud zeer’ dat bij hem wat deze nalatenschap betreft duidelijk nog aanwezig is. Een procedure als deze is echter niet bedoeld om, ten koste van [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] , lucht te geven aan oud zeer.

4.8

Dit vonnis wordt zoals beide partijen vorderen ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat aan de veroordelingen voldaan moet worden, ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis.

5. De beslissing

De rechtbank

- veroordeelt [persoon A] en [persoon B] ertoe binnen één week na de betekening van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van de onder 2.2 genoemde vaststellingsovereenkomst, inhoudende dat zij hun onvoorwaardelijke medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de nalatenschap van erflaatster zoals is overeengekomen en zij conform artikel 6 van deze overeenkomst alle benodigde medewerking zullen verlenen aan de verdeling door mr. Autar met inachtneming van de definitieve boedelbeschrijving zoals deze is gehecht aan de vaststellingsovereenkomst;

- bepaalt dat indien en voor zover [persoon A] en [persoon B] na het verstrijken van de hiervoor bedoelde termijn in gebreke blijven hun medewerking te verlenen, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [persoon A] en [persoon B] gezamenlijk dan wel afzonderlijk waaruit hun onvoorwaardelijke medewerking volgt;

- veroordeelt [persoon A] en [persoon B] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] vastgesteld op € 7.760,02;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders door partijen gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2020.1

414

1 type: coll: