Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1076

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
C/10/583725 / HA ZA 19-946
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering op grond van artikel 843a en 843b Rv afgewezen wegens onvoldoende rechtmatig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/583725 / HA ZA 19-946

Vonnis in incident van 12 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VANAD CONTACT CENTERS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. G.J.R. Kalsbeek te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUNQ B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. N. Peters te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Vanad en bunq worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 oktober 2019, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende vordering tot bevel afgifte afschriften van bescheiden ex artikel 843a en art. 843b Rv;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord inzake vordering ex artikel 843a en 843b Rv, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten, voor zover van belang in het incident

2.1.

Vanad verleent diensten op het gebied van klantondersteuning (customer support).

2.2.

Bunq drijft een onderneming die zich bezighoudt met het digitaal verlenen van bancaire diensten.

2.3.

Partijen hebben met elkaar samengewerkt, in die zin dat Vanad supportwerkzaamheden heeft verricht voor bunq.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

Vanad vordert – verkort weergegeven – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis bunq te veroordelen tot betaling aan Vanad van € 296.718,94, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, en een bedrag van € 3.942,80 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van bunq in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Vanad baseert haar vordering op nakoming ex artikel 3:296 lid 1 BW van een door Vanad gestelde betalingsverplichting van bunq jegens Vanad.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Bunq vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. Vanad te bevelen binnen 7 dagen na dit vonnis afschriften te verstrekken van de volgende bescheiden:

  1. roosters en andere bescheiden met betrekking tot trainingen – inclusief het trainingsprogramma, trainingsrapportages, voortgangsrapportages van individuele werknemers, oproepingsberichten en presentielijsten waaruit blijkt wie welke training wanneer heeft ontvangen – die werden verzorgd voor medewerkers van Vanad ten behoeve van de werkzaamheden voor bunq;

  2. de cv’s van de werknemers die werden ingezet voor de werkzaamheden van bunq;

  3. agenda’s, notulen en agendastukken, met bijlagen, van het bestuur van Vanad voor zover daarin wordt gesproken over de samenwerking met bunq;

  4. de volgende bescheiden van Vanad in de periode tussen september 2018 en 1 juli 2019 die betrekking hebben op de samenwerking met bunq:

  • -

    a) interne memo’s;

  • -

    b) e-mailcorrespondentie tussen [naam 1] en [naam 2] ;

  • -

    c) e-mailcorrespondentie tussen [naam 1] en [naam 3] ;

  • -

    d) e-mailcorrespondentie tussen [naam 1] en [naam 4] ;

  • -

    e) e-mailcorrespondentie tussen [naam 3] en [naam 4] ;

  • -

    f) e-mailcorrespondentie tussen [naam 2] en [naam 3] ; en

  • -

    g) e-mailcorrespondentie tussen [naam 2] en [naam 4] ;

5. de WhatsApp-correspondentie tussen [naam 3] en [naam 5] ; en

6. de WhatsApp-correspondentie tussen [naam 6] en [naam 5] ;

zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag(deel) dat Vanad in gebreke blijft de afschriften te verstrekken; en

II. Vanad te veroordelen in de kosten van dit incident, te vermeerderen met nakosten ad € 157,00 zonder betekening en € 239,00 in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van die dag tot aan de dag der algehele voldoening, indien betaling niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.

4.2.

Bunq grondt haar vordering op de artikelen 843a en 843b Rv. Zij stelt – verkort weergegeven – dat Vanad wanprestatie heeft gepleegd bij de uitvoering van haar werkzaamheden, waardoor bunq schade heeft geleden ten bedrage van € 552.997,00. De prestaties van Vanad zouden ver ondermaats zijn, zulks in strijd met de gedane toezeggingen en de (geest van de) gemaakte afspraken. Bovendien heeft Vanad zich volgens bunq niet gekweten van haar inspanningsverplichtingen. Bunq stelt zich voorts op het standpunt dat de facturen van Vanad in strijd zijn met de gemaakte afspraken en dat eerdere facturen (gedeeltelijk) onverschuldigd zijn betaald. Mede ter bepaling van haar juridische positie en om te voorkomen dat Vanad in het vervolg van de procedure opnieuw een of meer standpunten in strijd met de waarheid inneemt, aldus bunq, vordert zij op grond van artikel 843a en 843b Rv de afgifte van afschriften van de in rechtsoverweging 4.1 genoemde bescheiden.

4.3.

Vanad concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van bunq, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in de kosten van het incident, te voldoen binnen zeven dagen na dit vonnis, bij gebreke waarvan bunq wettelijke rente is verschuldigd over die proceskosten vanaf datum vonnis.

4.4.

Vanad legt bij haar incidentele conclusie van antwoord vrijwillig de door bunq gevorderde WhatsApp-correspondentie tussen [naam 3] (werknemer van Vanad) en [naam 5] (voormalig [naam functie] van bunq), zie onder 4.1 sub 5, over. Ten aanzien van de WhatsApp-correspondentie tussen [naam 6] (werknemer van Vanad) en [naam 5] , zie onder 4.1 sub 6, voert zij aan dat [naam 6] deze niet (meer) beschikbaar heeft, waardoor Vanad deze niet kan delen. Met betrekking tot de overige gevorderde bescheiden voert Vanad – kort samengevat – aan dat bunq geen rechtmatig belang heeft bij afschrift daarvan, dat de gevorderde bescheiden onvoldoende concreet zijn bepaald, dat gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten en dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder overlegging van de bescheiden gewaarborgd is.

4.5.

Op de stellingen van partijen in het incident wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

De gevorderde afgifte van afschriften van de hiervoor onder 4.1 sub 1 tot en met 4 bedoelde bescheiden is gebaseerd op artikel 843a Rv. Dit artikel bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Degene die over de bescheiden beschikt, is niet gehouden om aan de vordering te voldoen indien daartoe gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Artikel 843a Rv biedt een partij de mogelijkheid kennis te nemen van een (schriftelijk) bewijsmiddel dat haar in beginsel wel bekend is, maar niet in haar bezit is.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van bunq niet aan de hiervoor vermelde eisen voldoet.

5.3.

Uit de onderbouwing van de incidentele vordering kan de rechtbank niet afleiden dat bunq is aan te merken als een partij die een rechtmatig respectievelijk rechtstreeks en voldoende belang in de zin van artikel 843a Rv heeft bij het verkrijgen van afschriften van de bedoelde bescheiden. Volgens bunq zou de wanprestatie van Vanad, onder meer, eruit bestaan dat de medewerkers van Vanad geen trainingen ontvingen, dat Vanad, in weerwil van de afspraken, (relatief) laag personeel inzette, dat de werknemers van Vanad nagenoeg geen begeleiding ontvingen bij hun werkzaamheden en dat er amper maatregelen werden getroffen om de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen/verbeteren. Niet valt in te zien wat het belang van de genoemde bescheiden zou kunnen zijn voor de onderbouwing of ten bewijze van deze – in de hoofdzaak aan te voeren – stellingen. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

5.4.

De gevorderde afgifte van “roosters en andere bescheiden met betrekking tot trainingen” (zie hiervoor onder 4.1 sub 1) betreft geen bewijsmiddelen die bunq bekend zijn, maar die zij niet in haar bezit heeft en die bunq baat kunnen brengen en tot bewijslevering kunnen strekken voor de vaststelling van haar rechtspositie jegens Vanad. De gevorderde bescheiden hebben betrekking op trainingen die werden verzorgd voor medewerkers van Vanad ten behoeve van de werkzaamheden voor bunq. Nu bunq zich op het standpunt stelt dat de betreffende medewerkers in het geheel geen training van Vanad hebben ontvangen en dat zij evenmin werden getraind als er klachten waren over hun functioneren, valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien hoe de gevorderde bescheiden van belang kunnen zijn voor de onderbouwing of ten bewijze van de stellingen van bunq. De stellingen van bunq impliceren immers dat de betreffende bescheiden niet zouden bestaan. Voor zover bunq afgifte van de bescheiden vordert voor het geval Vanad haar stellingen zou betwisten of zich het recht voorbehoudt dit ten principale te doen, is van een (voldoende) concreet en rechtstreeks belang in elk geval geen sprake.

5.5.

De afgifte van “CV’s van de werknemers die worden ingezet voor de werkzaamheden van bunq” (zie hiervoor onder 4.1 sub 2) wordt gevorderd, omdat bunq “vermoedt” dat Vanad – in weerwil van de afspraken tussen partijen –, om de kosten te drukken, (relatief) laag opgeleid personeel inzette. Dat het gaat om een vermoeden, blijkt ook uit de stelling van bunq: “Als dit inderdaad zo is, dan is dat bijzonder afkeurenswaardig”. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan bunq slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen. Daarop strandt ook de gevorderde afgifte van “agenda’s, notulen en agendastukken met bijlagen” en “interne memo’s en e-mailcorrespondentie” (zie hiervoor onder 4.1 sub 3 en 4). De stelling van bunq dat haar sterk het gevoel bekroop dat Vanad een casus belli zocht om de samenwerking te kunnen beëindigen, duidt op een vermoeden, welk vermoeden in de visie van bunq zou kunnen worden ondersteund door de gevorderde bescheiden. Daarmee is echter (nog) geen sprake van een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv.

5.6.

Daarenboven is de rechtbank met Vanad van oordeel dat de gevorderde bescheiden als hiervoor onder 4.1 sub 3 en 4 weergegeven niet aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 843a Rv voldoen. Nu bunq niet bekend is met de inhoud van de desbetreffende bescheiden, komt het er in feite op neer dat deze bescheiden informatie zouden kunnen bevatten die relevant zou kunnen zijn voor de door bunq gestelde feiten en bewijs voor wellicht door haar nog aan te voeren feiten. De enkele mogelijkheid dat bunq haar gelijk zou kunnen aantonen met de desbetreffende bescheiden, geeft aanleiding te spreken van een ‘fishing expedition’.

5.7.

De gevorderde afgifte van afschriften van de hiervoor onder 4.1 sub 5 en 6 bedoelde bescheiden is gebaseerd op artikel 843b Rv. Artikel 843b Rv bepaalt dat hij die een bewijsmiddel heeft verloren, van degene die de beschikking heeft over bescheiden die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, of die zodanige bescheiden onder zijn berusting heeft, kan vorderen daarvan te zijnen behoeve op zijn kosten, voor zover nodig, inzage, afschrift, of uittreksel te verschaffen.

5.8.

Bunq stelt dat haar voormalig [naam functie] [naam 5] zich herinnert per WhatsApp te hebben gecommuniceerd over de (gemaakte) afspraken en de verrichte werkzaamheden, zodat deze WhatsApp-correspondentie kan dienen ter verduidelijking van de juridische positie van partijen. [naam 5] zou aan bunq hebben laten weten niet meer over de desbetreffende correspondentie te beschikken. Nu voornoemde WhatsApp-correspondentie voor bunq als bewijsmiddel verloren is gegaan, maar wel kan bijdragen ten bewijze van de gemaakte afspraken, ligt het voor de hand dat Vanad wordt bevolen om afschrift te verstrekken van voornoemde WhatsApp-correspondentie, aldus bunq.

5.9.

Vanad heeft vrijwillig voldaan aan het onder 4.1 sub 5 gevorderde. Bunq heeft derhalve bij deze vordering geen belang meer. Ten aanzien van het onder 4.1 sub 6 gevorderde, acht de rechtbank de stelling van Vanad dat zij de afschriften niet (meer) ter beschikking heeft, niet onaannemelijk, aangezien in zijn algemeenheid geldt dat niet iedereen WhatsApp-correspondentie bewaart en dit bovendien in het onderhavige geval kennelijk ook geldt voor [naam 5] . Dit brengt met zich dat de vordering van bunq ook in zoverre niet toewijsbaar is.

5.10.

Het voorgaande brengt mee dat de incidentele vordering van bunq moet worden afgewezen. De overige stellingen van partijen kunnen dat niet anders maken en behoeven daarom geen bespreking.

5.11.

Bunq zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Vanad vastgesteld op € 543,00 aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt bunq in de kosten van het incident, aan de zijde van Vanad tot op heden begroot op € 543,00, en, indien voldoening niet binnen veertien dagen na het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dag waarop dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 4 maart 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.

3242/1977/1729