Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10751

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
KTN-8589922_19112020
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

betalingsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8589922 \ CV EXPL 20-2904

uitspraak: 19 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZANDVLINDER B.V.,
gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.F.M. Konings,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Zandvlinder” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 26 mei 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende een vermindering van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek, met één productie.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

  1. Tussen partijen is met ingang van 30 augustus 2019 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen (hierna: de overeenkomst) ten behoeve van de opvang van het minderjarige kind van [gedaagde] voor 50 uur per week, tegen betaling van een bedrag van € 8,02 per uur. Op deze overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden van Zandvlinder van toepassing verklaard.

  2. Partijen hebben in november 2019 een betalingsregeling getroffen van € 50,- per maand.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1

Zandvlinder heeft – na vermindering van eis – gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van in totaal € 2.812,06 – zijnde € 2.734,75 aan hoofdsom, € 45,15 aan tot en met 15 juli 2020 verschenen rente en € 482,16 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw, verminderd met een bedrag van in totaal € 450,- aan betalingen – te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 16 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Zandvlinder aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is uit hoofde van de overeenkomst gehouden tot betaling van de overeengekomen opvangwerkzaamheden als gefactureerd op 25 juli 2019, 25 augustus 2019 en 25 september 2019. [gedaagde] is tekortgeschoten in de tijdige betaling van deze facturen. Voorts is zij in de maand mei 2020 in gebreke gebleven in de tijdige nakoming van de tussen partijen getroffen betalingsregeling, zodat het restant van de achterstand, de rente en kosten direct opeisbaar zijn geworden.

3.3

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen zij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1

[gedaagde] heeft de door Zandvinder gestelde overeenkomst en facturen niet weersproken en evenmin betwist dat zij in het kader van de betalingsregeling de termijn van mei 2020 te laat heeft betaald. Nu [gedaagde] daarmee tekortgeschoten is in de nakoming van de betalingsregeling, is Zandvlinder in beginsel gerechtigd de betalingsregeling te beëindigen en het op dat moment openstaande bedrag met rente en kosten direct op te eisen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de incassogemachtigde van Zandvlinder bij e-mailbericht van 11 mei 2020 heeft bericht dat zij de termijnen van mei 2020 tegelijk met die van juni 2020 zou betalen, hetgeen zij ook heeft gedaan, maar Zandvlinder heeft betwist dat haar incassogemachtigde dan wel zijzelf dit e-mailbericht heeft ontvangen. Echter ook indien het
e-mailbericht van [gedaagde] door Zandvlinder is ontvangen, is voor het voortduren van de betalingsregeling van belang of Zandvlinder [gedaagde] voor deze termijn uitstel van betaling heeft verleend. Dat is niet gebleken. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat ‘ [naam] ’ er telefonisch mee heeft ingestemd dat [gedaagde] maandelijks € 50,- zou blijven betalen, maar aangezien door haar niet is onderbouwd wanneer deze toezegging is gedaan, dat deze toezegging zag op de maand mei 2020 en verder evenmin dat deze persoon bevoegd was akkoord te gaan met een wijziging van de betalingsregeling, kan niet worden vastgesteld dat (de incassogemachtigde van) Zandvlinder met uitstel van betaling heeft ingestemd. Zandvlinder heeft de betalingsregeling dan ook op goede gronden beëindigd, zodat [gedaagde] gehouden is tot betaling van het openstaande bedrag van € 2.734,75.

4.2

Zandvlinder maakt voorts aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De gevorderde vergoeding van € 482,16 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw komt voor toewijzing in aanmerking, nu gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van het zesde lid van artikel 6:96 BW is verzonden en ook overigens aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Nu Zandvlinder de in het kader van de regeling van [gedaagde] ontvangen betalingen van in totaal € 450,- op grond van artikel 6:44 lid 1 BW eerst op deze kosten in mindering heeft mogen brengen, zal een bedrag worden toegewezen van € 32,16.

4.3

Alle door [gedaagde] gestelde betalingen tot en met de maand juni 2020 zijn door Zandvlinder op de vordering in mindering gebracht. [gedaagde] heeft bij dupliek nog een betalingsbewijs overgelegd van een betaling op 30 juli 2020. Nu Zandvlinder hierop niet heeft kunnen reageren kan met deze betaling geen rekening worden gehouden. Indien deze betaling door (de incassogemachtigde van) Zandvlinder is ontvangen dient deze vanzelfsprekend in mindering te strekken op de toegewezen bedragen.

4.4

De onweersproken gebleven rente zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

4.5

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:


veroordeelt [gedaagde] om aan Zandvlinder te betalen € 2.812,06 aan hoofdsom, verschenen rente en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 2.734,75 vanaf 16 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zandvlinder vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 420,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze bedragen te rekenen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

590