Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10737

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
C/10/606789 / JE RK 20-2971
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De minderjarige, die binnenkort zal bevallen, en haar gezag-dragende moeder weigeren vanwege hun geloofsovertuiging toestemming te geven voor een mogelijk noodzakelijke bloedtransfusie tijdens de bevalling. De minderjarige is door twee psychiaters wilsonbekwaam geacht. Er is voldaan aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, sub b, BW. Het verzoek tot gedeeltelijke schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag wordt toegewezen voor de noodzakelijk geachte medische behandeling tijdens de bevalling en de eerste uren postpartum. Voor dat deel van het gezag wordt de GI belast met de voorlopige voogdij. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:10736

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0297
JPF 2021/18
RFR 2021/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Meervoudige kamer

zaakgegevens: C/10/606789 / JE RK 20-2971

datum uitspraak: 3 november 2020

beschikking gedeeltelijke schorsing van het ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2005 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van

27 oktober 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.

Op 3 november 2020 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De zaak is tegelijk behandeld met het verzoek van de Raad met zaaknummer C/10/606785 / JE RK 20-2968.

Gehoord zijn:

- [voornaam minderjarige] , die tevens voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. K.J. Hoogerwerf,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI), mw. [naam vertegenwoordigster 2] (als informant).

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] is 15 jaar oud, zwanger van haar eerste kind en op 18 november 2020 uitgerekend.

[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.

Het verzoek van de Raad

De Raad heeft verzocht de moeder gedeeltelijk te schorsen in de uitoefening van het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot een (mogelijk noodzakelijke) medische behandeling bij [voornaam minderjarige] . De medische behandeling betreft een bloedtransfusie ten tijde van de bevalling en de eerste uren postpartum. De moeder en [voornaam minderjarige] weigeren op grond van hun geloofsovertuiging in te stemmen met bedoelde bloedtransfusie. [voornaam minderjarige] is door een psychiater wilsonbekwaam beoordeeld om een dergelijke beslissing te nemen. Verzocht wordt om de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] voor de duur van de schorsing.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De artsen van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) maken zich zorgen dat er complicaties kunnen ontstaan wanneer er tijdens de bevalling geen bloed bij [voornaam minderjarige] toegediend mag worden. Dit kan levensbedreigend zijn voor [voornaam minderjarige] en het ongeboren kind. De kans is klein dat een bloedtransfusie nodig is, maar de artsen willen geen risico nemen. De artsen moeten direct kunnen ingrijpen als dat nodig is.

De standpunten

De GI heeft ter zitting toegelicht dat zij bereid is om de voorlopige voogdij op zich te nemen en het gezin te begeleiden.

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder is trots op [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] is in een nare situatie beland en zwanger geworden. [voornaam minderjarige] is geen probleemjongere en voelt zich verantwoordelijk. Zij komt alle afspraken tijdens haar zwangerschap na en denkt goed na over de keuzes die zij moet maken in het belang van het ongeboren kind. Zowel de moeder als [voornaam minderjarige] zijn Jehova getuigen. [voornaam minderjarige] heeft zelf de keuze gemaakt om ook Jehova getuige te worden. [voornaam minderjarige] heeft zelf een weloverwogen beslissing genomen om geen bloed toegediend te krijgen tijdens de bevalling. De moeder staat achter de keuze van haar dochter en steunt haar. Beiden vinden het belangrijk dat het geloof op een goede manier wordt uitgeoefend. Een bloedtransfusie is in strijd met hun geloofsovertuiging. [voornaam minderjarige] en de moeder willen dat er wordt gekeken naar de alternatieven mocht er tijdens de bevalling sprake zijn van teveel bloedverlies. Alternatieven voor een bloedtransfusie zijn bijvoorbeeld het verwijderen van de baarmoeder of het toedienen van vloeistof. De artsen hebben deze alternatieven afgewezen zonder nadere uitleg daarbij. De moeder en [voornaam minderjarige] zijn zich bewust van de gevolgen, maar zij vinden de alternatieven minder ingrijpend dan het krijgen van een bloedtransfusie.

De mening van [voornaam minderjarige]

heeft ter zitting verteld dat het geloof een belangrijke rol speelt in haar leven. Zij heeft een weloverwogen keuze gemaakt en heeft de wens geen bloed toegediend te krijgen tijdens de bevalling. Zij wil dat er wordt gekeken naar de alternatieven, zodat een bloedtransfusie niet noodzakelijk zal zijn. [voornaam minderjarige] wil dat zij samen met de artsen op één lijn komt en dat een beslissing wordt genomen waar zij zich goed bij voelt. [voornaam minderjarige] zal het moeilijk vinden als de rechtbank anders besluit, maar zij zal de uitspraak van de rechtbank respecteren.

De beoordeling

Op grond van artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is voor verrichtingen ter uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst ten aanzien van een minderjarige patiënt, die de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet van zestien jaar heeft bereikt, zowel de toestemming van de minderjarige patiënt als van de met het gezag beklede ouder vereist.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub b, van het BW een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag kan schorsen, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en een ouder die het gezag uitoefent toestemming daarvoor weigert.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] op zeer jonge leeftijd zwanger is geraakt. Zij is op 18 november 2020 uitgerekend en zal bevallen in het ziekenhuis. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de artsen van het EMC hebben aangegeven dat bij een bevalling de kans op overmatig bloedverlies bij een vijftienjarige vrouw groter is dan bij een volwassen vrouw. Volgens de artsen is daarom een bloedtransfusie tijdens de bevalling wellicht noodzakelijk om ernstig gevaar voor de gezondheid van [voornaam minderjarige] en haar kind af te wenden. Indien er geen bloedtransfusie kan plaatsvinden, kunnen de artsen gedwongen zijn de baarmoeder te verwijderen om overlijden te proberen te voorkomen. Zowel de artsen als de Raad vinden dit een zeer ingrijpende beslissing.

Op de vraag of [voornaam minderjarige] in staat moet worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake van een medische behandeling, zoals een bloedtransfusie, concludeert de psychiater [naam psychiater 1] , mede namens de psychiater [naam psychiater 2] , dat [voornaam minderjarige] wilsonbekwaam is ter zake het weigeren van bloedproducten in een levensbedreigende situatie. De psychiater heeft op 22 juli 2020 met [voornaam minderjarige] (deels in aanwezigheid van de moeder) gesproken en naar aanleiding daarvan geconcludeerd:

“ [voornaam minderjarige] is minderjarig en staat onder directe invloed van de opvoeding van moeder die consistent uitdraagt dat vanwege haar geloofsovertuiging (Jehova) geen bloedproducten ontvangen mogen worden, ook als dit verregaande gevolgen heeft als het verwijderen van de baarmoeder of overlijden. [voornaam minderjarige] volgt de redenatie van moeder en toont, mede op basis van haar leeftijd, de onderliggende ASS en verminderde begaafdheid, momenteel onvoldoende cognitieve vaardigheden om een zelfstandige afweging te maken inzake het weigeren van bloedproducten. Daarbij heeft zij een concretistische en rigide manier van redeneren en toont zij onvoldoende inzicht in de ingrijpende gevolgen die het weigeren van bloedproducten op haar en het (ongeboren) kindje heeft.”

Hoewel de rechtbank ziet dat [voornaam minderjarige] zeker geen probleemjongere is en zij haar mening duidelijk kan verwoorden, neemt de rechtbank de conclusie van de psychiaters over en is daarom van oordeel dat [voornaam minderjarige] in de gegeven omstandigheden voor wat betreft de medische behandeling niet in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen, en dus ter zake wilsonbekwaam is.

Daarnaast staat vast dat de moeder vanwege haar geloofsovertuiging weigert toestemming te geven voor een mogelijk noodzakelijke bloedtransfusie. Door de weigering van de moeder kan de gezondheid van [voornaam minderjarige] en het ongeboren kind ernstig in gevaar komen. Ter zitting heeft de moeder de noodzaak van een bloedtransfusie weersproken en gesteld dat er acceptabele alternatieven zijn. Zowel [voornaam minderjarige] als de moeder zouden de alternatieven, zoals het verwijderen van de baarmoeder of het toedienen van vloeistof, minder ingrijpend vinden dan het krijgen van een bloedtransfusie.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat deze alternatieven, voor zover al uitvoerbaar, zeer ingrijpend zijn voor een meisje van vijftien jaar en niet in het belang van de gezondheid van [voornaam minderjarige] en de ongeboren baby. Een bloedtransfusie zal, in het geval deze door de artsen medisch noodzakelijk wordt geacht, moeten worden uitgevoerd om ernstig gevaar voor de gezondheid van [voornaam minderjarige] en de baby te voorkomen. De rechtbank gaat er wel vanuit dat, voor zover medisch verantwoord, de artsen zo veel mogelijk de wensen van [voornaam minderjarige] en haar moeder zullen volgen.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, sub b BW is voldaan en zal het verzoek tot gedeeltelijke schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag toewijzen voor zover het betreft een tijdens de bevalling en het beloop kort daarna door de behandelend artsen noodzakelijk geachte medische behandeling. De medische behandeling betreft het uitvoeren van een bloedtransfusie ten tijde van de bevalling en de eerste uren postpartum.

Omdat door deze schorsing een gezagsvacuüm ontstaat, zal de rechtbank op grond van artikel 1:268, derde lid, BW de GI belasten met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] voor de duur van de schorsing. De GI heeft ter zitting aangegeven bereid te zijn de voogdij op zich te nemen en indien nodig de vervangende toestemming te verlenen.

De beslissing

De rechtbank:

schorst [naam moeder], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over [voornaam minderjarige] voor zover het betreft een tijdens de bevalling door de behandelend artsen noodzakelijk geachte medische behandeling, inhoudende het uitvoeren van een bloedtransfusie ten tijde van de bevalling en de eerste uren postpartum;

belast voor dat deel van het gezag de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter en tevens kinderrechter, en

mr. A.C. Enkelaar en mr. F. Aukema-Hartog, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 november 2020.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.