Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10736

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
C/10/606785 / JE RK 20-2968
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De moeder van het ongeboren kind is minderjarig en daardoor onbevoegd tot het gezag. De raad verzoekt de rechtbank de GI per direct te belasten met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind op grond van de artikelen 1:2 en 1:241, tweede lid, BW. De rechtbank wijst het verzoek toe, echter niet eerder dan met ingang van het tijdstip van de geboorte. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:10737

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/17 met annotatie van Graaf, J.H. de
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Meervoudige kamer

zaakgegevens: C/10/606785 / JE RK 20-2968

datum uitspraak: 3 november 2020

beschikking voorlopige voogdij

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

het nog ongeboren kind van mw. [naam minderjarige] ,

hierna te noemen het ongeboren kind.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam minderjarige] ,

hierna te noemen (de minderjarige moeder) [voornaam minderjarige] , wonende te [woonplaats] ,

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder van [voornaam minderjarige] , wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van

27 oktober 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.

Op 3 november 2020 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De zaak is tegelijk behandeld met het verzoek van de Raad met zaaknummer C/10/606789 / JE RK 20-2971.

Gehoord zijn:

- [voornaam minderjarige] , die tevens voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,

- de moeder van [voornaam minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat mr. K.J. Hoogerwerf,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI), mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De feiten

[voornaam minderjarige] is geboren op [geboortedatum minderjarige] 2005 te [geboorteplaats] . Zij is zwanger van het voornoemde ongeboren kind en is op 18 november 2020 uitgerekend.

[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.

Het verzoek van de Raad

Het verzoek strekt tot voorziening in de voorlopige voogdij over het ongeboren kind. De maatregel is volgens de Raad dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening over het ongeboren kind te voorzien. Verzocht wordt de maatregel met ingang van vandaag uit te spreken en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er is sprake van een gezagsvacuüm, omdat [voornaam minderjarige] nog minderjarig is. De Raad wil dat het ongeboren kind als geboren wordt aangemerkt, zodat de voorlopige voogdij met ingang van vandaag kan worden uitgesproken. De komende periode wil de Raad onderzoeken wie het beste belast kan worden met de voogdij over het nu nog ongeboren kind.

De standpunten

De GI heeft ter zitting toegelicht dat zij bereid is om de voorlopige voogdij op zich te nemen en het gezin te begeleiden.

De moeder van [voornaam minderjarige] heeft ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder wil belast worden met de voogdij over het ongeboren kind. Er is een verzoek hiervoor ingediend bij het familieteam van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank zal dit verzoek echter pas behandelen als er een geboorteakte kan worden overlegd.

[voornaam minderjarige] heeft zich aangesloten bij het standpunt van de moeder. [voornaam minderjarige] zal haar kind samen met de moeder gaan opvoeden. Ook wil [voornaam minderjarige] beginnen met school en een bijbaan vinden. Zij wil zelf verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van haar kind.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:241, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de Raad, indien blijkt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, de rechter verzoeken in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien.

Op grond van artikel 1:241, tweede lid, van het BW kan de kinderrechter op verzoek van de Raad een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

[voornaam minderjarige] is vijftien jaar en zwanger van haar eerste kind. Zij is op 18 november 2020 uitgerekend. Bij de geboorte van haar kind krijgt [voornaam minderjarige] niet automatisch het gezag over haar kind. Volgens artikel 1:246, eerste lid, van het BW zijn minderjarigen namelijk onbevoegd tot het gezag. Er zal daarom vanaf de geboorte van het nu nog ongeboren kind sprake zijn van een gezagsvacuüm.

De rechtbank constateert dat er vanaf het moment van de geboorte van het voornoemde ongeboren kind sprake zal zijn van een gezagsvacuüm. De minderjarige moeder [voornaam minderjarige] is onbevoegd tot het gezag en de moeder van [voornaam minderjarige] kan niet direct vanaf de geboorte belast worden met de voogdij over het kind, aangezien haar verzoek daartoe pas na de geboorte door de rechtbank kan worden behandeld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzochte maatregel dringend en noodzakelijk is teneinde de belangen van het voornoemde ongeboren kind te kunnen behartigen.

Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat een voorlopige voogdijmaatregel pas in kan gaan vanaf het tijdstip van de geboorte van het ongeboren kind, omdat vanaf dat moment pas sprake kan zijn van uitoefening van het gezag. Een moeder oefent tot aan de geboorte immers nog geen gezag uit over haar ongeboren kind.

De rechtbank belast de GI met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind met ingang van het tijdstip van de geboorte voor de duur van maximaal drie maanden.

De komende periode zal de Raad onderzoek doen en bezien bij wie de voogdij het beste belegd kan worden voor de lange termijn.

De beslissing

De rechtbank:

belast met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, met ingang van het tijdstip van de geboorte van het voornoemde ongeboren kind voor de duur van maximaal drie maanden;

verstaat dat deze maatregel van rechtswege vervalt na verloop van voormelde termijn, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechter een voorziening in het gezag over het voornoemde ongeboren kind is verzocht;

bepaalt dat met ingang van het tijdstip van de geboorte van het ongeboren kind aan de gecertificeerde instelling alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van het voornoemde ongeboren kind die in het belang van dit kind noodzakelijk zijn, worden toegekend;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter en tevens kinderrechter, en

mr. A.C. Enkelaar en mr. F. Aukema-Hartog, kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Ruijgrok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 november 2020.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.