Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10730

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
10/701047-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/701047-20

Datum uitspraak: 10 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortpelaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

raadsvrouw mr. A. Heida, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 10 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering en hij een positieve dagbesteding heeft;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Het slachtoffer is beroofd en zijn verhaal wordt bevestigd in het gesprek dat gevonden is op een inbeslaggenomen telefoon. In dat gesprek wordt de verdachte genoemd als een van de daders van de beroving.

4.1.2.

Beoordeling

Op 24 november 2019 is de aangever op straat beroofd. Hierbij heeft hij een klap op zijn achterhoofd en een schop in zijn knieholte gekregen, waardoor hij op de grond terecht kwam. Een van de daders had een mes bij zich. De daders hebben de portemonnee van de aangever weggenomen, waarin onder meer twee bankpasjes zaten.

In verband met een ander onderzoek heeft de politie op een inbeslaggenomen telefoon van [naam 1] een gesprek aangetroffen waarin ene [naam 2] op 24 november 2019 over een beroving vertelt. Het lijkt over de beroving van de aangever te gaan, aangezien het verhaal in het gesprek op belangrijke punten overeenkomt met het verhaal van de aangever, namelijk dat er een trap is gegeven en een klap op het achterhoofd van het slachtoffer. Ook de buit die wordt gemeld in het gesprek komt overeen met de spullen die van de aangever zijn weggenomen. [naam 2] vertelt in dat gesprek dat hij de beroving heeft gepleegd samen met [naam verdachte] . In de contacten van de inbeslaggenomen telefoon komt de naam [naam verdachte] voor. Het telefoonnummer dat daar staat vermeld komt overeen met het telefoonnummer van de verdachte.

Ondanks dat het gesprek tussen [naam 2] en [naam 1] sterkt wijst in de richting van de verdachte als een van de daders van de overval, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte betrokken was bij de ten laste gelegde beroving. Er is enkel een verklaring over een beroving waarbij ene [naam verdachte] betrokken zou zijn. Deze verklaring vindt echter geen steun in andere bewijsmiddelen, zodat niet kan worden vastgesteld of deze verklaring waar is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. W.J. Loorbach en A. Wijsman-van Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 september 2020.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 november 2019 te Rotterdam

op of nabij de openbare weg, de Sophoclesstraat,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte

van een portemonnaie met inhoud [onder meer 2 bankpassen en/of een OVpas

en/of een OVchipkaart en/of een NS stationspas], geheel of ten dele

toebehorende aan die [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- die [naam slachtoffer] op het achterhoofd slaan of stompen en/of

- die [naam slachtoffer] in een knieholte schoppen, tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] ten val kwam,

en/of

- die [naam slachtoffer] een mes tonen en/of voorhouden.