Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10704

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
8720915 VV EXPL 20-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG m.b.t. overlast toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8720915 VV EXPL 20-339

uitspraak: 18 september 2020

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.J.R. Reinders.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Woonstad’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 26 augustus 2020, met producties;

  • -

    de email van Woonstad van 2 september 2020 met een productie;

  • -

    de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2020. Bij de mondelinge behandeling is namens Woonstad mevrouw [naam persoon] , medewerker sociaal beheer, verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van Woonstad. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Woonstad als verhuurster en [gedaagde] als huurder bestaat met ingang van 9 januari 2014 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: de woning).

2.2.

Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Woonstad (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 6.3 van de algemene voorwaarden is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

“Het is huurder niet toegestaan overlast aan omwonenden en/of andere huurders te veroorzaken en/of te doen veroorzaken door huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of de gemeenschappelijke ruimten bevinden. Huurder dient de woning dusdanig te stofferen dat hij geen geluidsoverlast veroorzaakt.”

2.3.

Op 13 maart 2019 heeft de buurvrouw van [gedaagde] per e-mail geklaagd dat [gedaagde] overlast veroorzaakt. Nadat Woonstad een aantal klachten had ontvangen, heeft zij [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek op 16 mei 2019 en 21 juni 2019. [gedaagde] is bij deze gesprekken niet verschenen.

2.4.

Bij brief van 26 juni 2019 heeft Woonstad [gedaagde] – voor zover van belang – het volgende bericht:

“We hebben de afgelopen drie maanden meerdere overlastklachten ontvangen. De meldingen bestaan uit geluidsoverlast en agressief gedrag naar uw buren. Uw buren hebben de politie gebeld, en zij zijn meerdere malen bij u aan de deur geweest. Ik heb u naar aanleiding van de klachten uitgenodigd op kantoor om dit te bespreken, u bent twee keer naar de balie van Woonstad Rotterdam geweest om aan te geven dat u niet zal verschijnen. Ook heeft u ons een e-mail verstuurd waarin u aangaf dat u geen overlast veroorzaakt. Helaas hebben wij opnieuw klachten ontvangen van omwonenden.

De overlast bestaat uit:

Geluidsoverlast, stampen in de woning, sloopgeluiden, boorgeluiden en muziek hard draaien.

Bedreiging en racistische uitlatingen.

Etensresten naar beneden gooien.

Uw buren voelen zich onveilig doordat u zich zo gedraagt.

(…)

We sommeren u ook per direct om te stoppen met de overlast. Dit houdt in dat u:

Geen geluidsoverlast mag veroorzaken, niet schreeuwen in de woning en ook geen hard muziek te luisteren.

Niet stampen in de woning.

Niemand bedreigen of zich racistisch uit te laten naar uw buren.

Ook geen etensresten of andere dingen zoals afval naar beneden gooien. (…)”

2.5.

Woonstad heeft hierna opnieuw klachten ontvangen, waarna op 30 oktober 2019 een incident tussen [gedaagde] en zijn buurvrouw heeft plaatsgevonden. Van dit incident is door de buurvrouw aangifte gedaan.

2.6.

Bij brief van 12 november 2019 heeft de gemachtigde van Woonstad [gedaagde] een laatste waarschuwing gegeven. [gedaagde] heeft hier bij e-mail van 16 november 2019 en bij brief van 3 december 2019 op gereageerd. In zijn e-mail heeft [gedaagde] het over zijn buurvrouw als “een turkse terrorist” en “die turkse hoer”. In zijn brief heeft [gedaagde] aangegeven dat hij in zijn beleving geen overlast veroorzaakt, maar dat het de buurvrouw is die overlast veroorzaakt en alles aangrijpt om hem uit de woning te krijgen.

2.7.

Kort na de brief van 3 december 2019 heeft Woonstad opnieuw klachten van de buurvrouw en een andere omwonende ontvangen. Beiden hebben naar Woonstad een overlastdagboek gestuurd over de periode van 21 oktober 2019 tot en met 12 december 2019. Een maand later is ook een overlastdagboek over de maand januari 2020 overgelegd.

2.8.

Woonstad heeft op 9 februari 2020 een klachtmelding van een andere (derde) bewoner ontvangen.

2.9.

Woonstad heeft op 5 maart 2020 aan een recherchebureau opdracht te geven voor een onderzoek. Op 2 juli 2020 is het rapport uitgebracht. Hierin verklaren drie omwonenden structureel overlast te ervaren van [gedaagde] , bestaande uit geluidsoverlast (stampen, bonken, gillen), schelden, bedreiging en spugen.

2.10.

Woonstad heeft ook over de periode 30 april 2020 tot en met 26 mei 2020 een overlastdagboek ontvangen.

2.11.

In juni 2020 is de voormalige buurvrouw van [gedaagde] met een urgentieverklaring verhuisd.

2.12.

Op 30 juli 2020 heeft tussen Antes, Woonstad en [gedaagde] telefonisch overleg plaatsgevonden over een mogelijke verhuizing onder de voorwaarde van een huur-zorgovereenkomst. Bij brief van 31 juli 2020 heeft Woonstad aan [gedaagde] – voor zover van belang – hieromtrent het volgende bericht:

“Gister, 30 juli, hebben we een telefonisch overleg met u gehad. Antes had dit telefonische overleg georganiseerd, waarbij Woonstad Rotterdam was uitgenodigd om deel te nemen in een gesprek met u. Reden van dit gesprek is dat er ernstige zorgen zijn over uw psychische gezondheid en er een onderzoek is ingesteld op grond van de WVGGZ. U veroorzaakt ernstige overlast aan omwonenden, maar ook uw bejegening naar medewerkers van Woonstad Rotterdam is onacceptabel.

Antes heeft probeert het gesprek in te leiden en uitleg te geven waarom dit gesprek georganiseerd was, waarbij is aangegeven dat Woonstad Rotterdam open staat voor overleg. Echter bleek het lastig voor u om deel te nemen in dit gesprek en was u bijna continu aan het woord.

Antes heeft wel kunnen benoemen dat er een oplossing moet komen voor de inmiddels onhoudbare situatie. Antes heeft verder een verhuizing onder voorwaarde van een huurzorgovereenkomst kort benoemd, maar zij heeft het niet kunnen toelichten. Uw reactie was dat u geen hulp wil van Antes, u wilt geen huurzorgovereenkomst, u bent boos over de verhuizing van uw buurvrouw en u bent boos op Woonstad Rotterdam omtrent de ingezette renovatie. Uw buurvrouw noemt u meerdere malen een terrorist, u gaf aan dat u het er niet eens mee bent dat Woonstad Nederlanders op straat zet en “terroristen” (uw woorden) helpt aan een andere woning, dat Woonstad Rotterdam een goedkope oplossing zoekt, namelijk het renoveren van de woningen in plaats van deze te slopen.

U deelde mee geen overlast te veroorzaken. U heeft zelf ook weleens last van overlast. U stelde voor dat iedereen die overlast veroorzaakt dan maar moet verhuizen onder voorwaarden van een huurzorgovereenkomst. U beëindigde vervolgens het gesprek, ondanks het feit dat u zowel Antes als Woonstad Rotterdam amper aan het woord heeft gelaten. Aan de oorspronkelijke insteek van het gesprek, namelijk u te informeren en de mogelijkheden met u bespreken, zijn we niet toegekomen. (…)”

3. De vordering

3.1.

Woonstad heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

  • -

    om de woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen, met machtiging aan Woonstad om, als [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, de ontruiming zelf door de deurwaarder te doen bewerkstelligen;

  • -

    tot betaling van de maandelijkse huurprijs van € 518,95 voor elke maand dat [gedaagde] de woning in bezit zal houden, te rekenen vanaf 1 september 2020 tot de datum waarop Woonstad weer de beschikking over de woning verkrijgt, een ingegane maand voor een volle gerekend;

  • -

    in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Woonstad – zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

[gedaagde] veroorzaakt structureel onaanvaardbare overlast in de vorm van (onder meer) geluidsoverlast, bedreiging, het doen van racistische uitlatingen en het naar beneden gooien van etensresten. Ondanks herhaalde sommaties en gesprekken is de overlast niet verminderd. [gedaagde] is ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de wet, de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Gelet op de ernst van de door [gedaagde] veroorzaakte overlast en het totale gebrek aan uitzicht op verbetering van de situatie is de gevorderde ontruiming van de woning gerechtvaardigd.

3.2.2.

Verder vordert Woonstad een veroordeling van [gedaagde] tot voldoening van de huurprijs per maand voor het gebruik van de woning vanaf 1 september 2020 tot en met de maand waarin Woonstad weer beschikking heeft over de woning. Deze vordering is gerechtvaardigd, omdat de ervaring leert dat huurbetalingen stoppen in het zicht van een ontruiming en zelfs al in de loop van een procedure tot ontruiming.

3.2.3.

Woonstad heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat inmiddels sprake van een acute onhoudbare situatie waardoor ingrijpen noodzakelijk is. Een bodemprocedure kan daarom niet worden afgewacht.

4. Het verweer

4.1.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vordering van Woonstad, met veroordeling van Woonstad in de proceskosten. Daartoe heeft [gedaagde] – zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende aangevoerd.

4.2.

In de periode van januari 2014 tot maart 2019 zijn er geen klachten ingediend over [gedaagde] . Vanaf het moment dat twee van de drie klagers in het complex zijn gaan wonen, is het klagen begonnen. Het is juist de buurvrouw die overlast veroorzaakte. Omdat [gedaagde] dit bij de buurvrouw en Woonstad heeft aangegeven, is de buurvrouw overgegaan tot het indienen van talloze klachten en heeft ze zelfs meerdere malen de politie gebeld. Woonstad gaat blind uit van de juistheid van de verklaringen van de drie buren. Zelfs het ingeschakelde recherchebureau is blind afgegaan op die verklaringen. Woonstad heeft om onverklaarbare redenen nagelaten om zelf polshoogte te komen nemen. Het incident dat op 30 oktober 2019 heeft plaatsgevonden, is slechts een klein tikje tegen de wang van de buurvrouw met een leeg melkpak geweest. [gedaagde] had dit moeten nalaten, maar er is zeker geen sprake van mishandeling. Het taalgebruik van [gedaagde] richting Woonstad is ongelukkig geweest. Dit is gebeurd op het moment dat [gedaagde] ten einde raad was. De bewoordingen zijn overigens niet tegenover de buurvrouw zelf gebruikt.

5. De beoordeling van de vordering

5.1.

Voldoende is gebleken dat Woonstad een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.

5.2.

In dit kort geding moet, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, worden beoordeeld of de door Woonstad gevorderde ordemaatregel (ontruiming) geboden is. Vanwege het ingrijpende karakter van een ontruiming ligt toewijzing in kort geding slechts in de rede als sprake is van een zodanig ernstige tekortkoming van [gedaagde] dat boven redelijke twijfel is verheven dat de huurovereenkomst in de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure zal worden ontbonden en – vooruitlopend daarop – van Woonstad in redelijkheid niet worden verlangd dat [gedaagde] nog langer gebruik maakt van de woning.

5.3.

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] op grond van artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verplicht is om zich ten aanzien van het gebruik van de woning als een goed huurder te gedragen. Dit houdt onder meer in dat [gedaagde] , zoals ook in artikel 6.3 van de algemene huurvoorwaarden staat, ervoor moet zorgen dat er voor omwonenden geen overlast ontstaat ten gevolge van zijn gedragingen.

5.4.

Uit de door Woonstad overgelegde stukken blijkt dat Woonstad in de periode vanaf maart 2019 veel klachten van verschillende omwonenden heeft ontvangen over overlast door [gedaagde] . Uit die klachten volgt dat sprake is van gedrag van [gedaagde] dat niet acceptabel is, waaronder grensoverschrijdend taalgebruik en geluidsoverlast. [gedaagde] heeft de juistheid van deze klachten weliswaar bestreden en gesteld dat hij zelf juist overlast ondervindt van de klagers, maar hij heeft dit verweer op geen enkele wijze – met klachten van hem aan Woonstad hieromtrent en klachten/verklaringen van andere bewoners – onderbouwd. Gelet op de grote hoeveelheid door Woonstad overgelegde klachten had dit wel op zijn weg gelegen. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten, wordt zijn verweer in zoverre als onvoldoende onderbouwd verworpen. Dat de woningen - zoals [gedaagde] stelt - erg gehorig zijn waardoor buren wellicht normale leefgeluiden van [gedaagde] kunnen horen, doet hier niet aan af. Hetgeen [gedaagde] in de door Woonstad overgelegde klachten wordt verweten, kwalificeert niet als normale leefgeluiden die naast elkaar wonende buren van elkaar hebben te gedogen.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het gelet op het voorgaande voorshands voldoende aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de tussen partijen geldende huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Tijdens het gesprek op 30 juli 2020 (zie 2.12), hebben Woonstad en Antes geprobeerd om samen met [gedaagde] tot een oplossing te komen. [gedaagde] heeft toen verklaard dat hij geen hulpverlening nodig heeft. Hij heeft dit tijdens de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure herhaald. [gedaagde] heeft recht op zijn eigen mening, maakt dat laat onverlet dat in de gegeven omstandigheden van Woonstad niet worden gevergd om hem, zonder enig uitzicht op verbetering, nog langer in de woning te laten verblijven. [gedaagde] heeft vanzelfsprekend een groot belang bij het behoud van zijn woning aangezien hij op dit moment geen alternatieve huisvesting heeft, maar het belang van Woonstad en de omwonenden om te worden gevrijwaard van de door [gedaagde] veroorzaakte overlast weegt zwaarder. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming van de woning in dit kort geding zal worden toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

5.6.

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie wordt afgewezen, omdat dit gelet op het bepaalde in artikel 556 lid 1 Rv en artikel 557 Rv overbodig is.

5.7.

De gevorderde gebruikersvergoeding wordt ook toegewezen. Woonstad heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in het kader van de ontruiming van de woning belang heeft bij toewijzing van dit deel van de vordering.

5.8.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en de woning onder afgifte van de sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de maandelijkse huurprijs van € 518,95 voor elke maand dat [gedaagde] de woning in bezit zal houden, vanaf 1 september 2020 tot de datum waarop Woonstad weer de beschikking over de woning verkrijgt;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 226,96 aan verschotten en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken op een openbare terechtzitting.

44485