Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10690

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
8384113
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte, o&o, afboeking betalingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8384113 \ CV EXPL 20-8275

uitspraak: 16 oktober 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Bewaarder Veldkwintet,

gevestigd te Bergschenhoek,

eiseres,

gemachtigde: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F. Özer te Rotterdam (onttrokken per 8 juli 2020), daarna mr. M.G.J. Smit (onttrokken per 21 september 2020), thans procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Veldkwintet” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 28 februari 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met één productie;

  • -

    de akte uitlaten producties, met één productie.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

Tussen Veldkwintet als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst ten aanzien van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] en [adres 2] te Rotterdam (hierna: ‘het gehuurde’).

2.2.

De huurovereenkomst is ingegaan op 1 mei 2017 (ten aanzien van [adres 2] ) respectievelijk 15 juli 2017 (ten aanzien van [adres 1] ) en loopt tot en met

30 april 2022.

2.3.

De huur bedroeg tot en met de maand april 2020 € 1.140,55 en sindsdien € 1.161,60 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

[gedaagde] huurt tevens van Veldkwintet een woning aan de Slaghekstraat 57b 1e te Rotterdam.

3. De vordering

3.1.

Veldkwintet heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden, [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter algehele en vrije beschikking van Veldkwintet te stellen alsmede tot betaling aan Veldkwintet van een bedrag van 4.699,57 aan achterstallige huur (berekend tot en met de maand februari 2020), een bedrag van 23,33 aan tot en met 25 februari 2020 verschenen rente en een bedrag van € 594,95 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw), derhalve in totaal € 5.317,85, vermeerderd met de wettelijke rente over 4.699,57 vanaf 28 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft Veldkwintet gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nog te vervallen huurpenningen van € 1.140,55 per maand vanaf de maand maart 2020 tot en met de datum van ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, alsmede tot betaling van € 1.140,55 als schadevergoeding vanaf de maand na de ontruiming tot aan de expiratiedatum 30 april 2022, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.3.

Aan haar vordering heeft Veldkwintet - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat [gedaagde] , ondanks aanmaning, in gebreke is gebleven met de tijdige en volledige betaling van de huur, zodat een huurachterstand ten bedrage van

€ 4.699,57, berekend tot en met de maand februari 2020, is ontstaan. Hierdoor is er sprake van een ernstige tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de huurovereenkomst, zodat Veldkwintet gerechtigd is de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde te vorderen. Daarnaast is [gedaagde] de wettelijke rente over de huurachterstand verschuldigd geworden alsmede een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

Veldkwintet heeft bij conclusie van repliek gesteld dat de maandelijkse huurprijs per1 mei 2020 is gewijzigd en heeft haar eis gewijzigd, in die zin dat zij ten aanzien van de verschuldigde huurtermijnen vanaf de maand mei 2020 betaling vordert van € 1.161,60 per maand. Daarnaast heeft Veldkwintet bij conclusie van repliek een actuele specificatie van de huurachterstand, berekend tot en met de maand juni 2020, in het geding gebracht en gesteld dat de huurachterstand berekend tot en met de maand juni 2020 € 4.546,57 bedraagt.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. De huurachterstand tot en met februari 2020 bedraagt € 2.862,57. In de door Veldkwintet bij dagvaarding overgelegde specificatie ontbreken de betalingen d.d. 17 april 2018 van € 200,00, d.d. 23 oktober 2018 van € 200,00 en d.d. 19 december 2018 van € 1.000,00. Daarnaast is er aan waarborgsom een bedrag van € 2.157,70 betaald en niet slechts € 1.850,00, zoals Veldkwintet stelt. Veldkwintet heeft dit ook zelf bevestigd in haar brief aan [gedaagde] van 18 april 2018. [gedaagde] betwist incassokosten verschuldigd te zijn. De algemene bepalingen, waarnaar Veldkwintet verwijst, zijn niet van toepassing. Voorts heeft [gedaagde] geen sommaties ontvangen. [gedaagde] stelt zich tot slot op het standpunt dat hij vanaf 1 mei 2017 een standaardkorting van € 100,00 op de verschuldigde huur heeft gekregen in verband met een discussie omtrent de door [gedaagde] verschuldigde kosten van elektriciteit.

4.2.

De tekortkoming van [gedaagde] rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde niet. Eind 2019 is de vriendin van [gedaagde] overleden, waardoor [gedaagde] voor het regelen van de begrafenis genoodzaakt was naar Nigeria te gaan, zodat hij tijdelijk geen kapperswerkzaamheden heeft kunnen verrichten en geen inkomsten genoot. Daarnaast werd [gedaagde] geconfronteerd met de corona-maatregelen, waardoor hij vanaf eind maart 2020 tot 11 mei 2020 de deuren van zijn kapperszaak moest sluiten. Ontruiming van het gehuurde zou betekenen dat [gedaagde] niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. [gedaagde] heeft problemen ondervonden bij het aanvragen van financiële steun bij de overheid, maar hij verwacht dat dit op korte termijn zal zijn verholpen, waarna hij een betaling van de overheid verwacht. Ten slotte verzoekt [gedaagde] om hem een terme de grâce te verlenen.

5. De beoordeling

5.1.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de huurachterstand. Ter zake wordt het volgende overwogen.

5.2.

Veldkwintet heeft bij conclusie van repliek uiteengezet dat [gedaagde] een bedrag van € 2.287,00 aan waarborgsom moest voldoen. Bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft hij € 1.850,00 voldaan. Op 10 juli 2017 heeft [gedaagde] van Veldkwintet een vergoeding voor stroomgebruik van € 300,00 gekregen. Dit bedrag is in mindering gebracht op het nog openstaande bedrag van de waarborgsom. Vervolgens heeft [gedaagde] op 30 augustus 2017 € 1.150,00 betaald. Met deze betaling is de achterstand tot en met die maand van € 1.142,30 voldaan. Het resterende bedrag van € 7,70 is afgeboekt op het nog openstaande bedrag van de waarborgsom. Deze bedragen (€ 1.850,00 + € 300,00 + € 7,70) leveren tezamen het in de brief van 18 april 2018 door Veldkwintet genoemde bedrag van € 2.157,70 op, waar [gedaagde] naar verwijst. De bedragen van € 300,00 en € 1.150,00 zijn allebei in de door Veldkwintet bij conclusie van repliek overgelegde specificatie van de huurachterstand tot en met juni 2020 verwerkt, aldus Veldkwintet.

[gedaagde] heeft deze stellingen van Veldkwintet bij conclusie van dupliek niet, althans onvoldoende concreet betwist, zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan.

5.3.

Daarnaast heeft Veldkwintet bij conclusie van repliek gesteld dat de betaling van

17 april 2018 van € 200,00 inderdaad aanvankelijk was afgeboekt op de achterstand van het gehuurde, maar dat [gedaagde] op 22 oktober 2018 - tijdens de mondelinge behandeling in een procedure in verband met een huurachterstand ten aanzien van de door [gedaagde] van Veldkwintet gehuurde woning - heeft verklaard dat deze betaling bestemd was voor de huur van de woning. Daarom heeft Veldkwintet dit bedrag op 23 oktober 2018 overgeboekt naar de woning. Veldkwintet heeft in dit verband verwezen naar het door [gedaagde] als productie 6 bij conclusie van antwoord overgelegde betalingsoverzicht van de beheerder van Veldkwintet ten aanzien van de huurachterstand van het gehuurde en gesteld dat weliswaar bij de tegenboeking op 23 oktober 2018 het minteken is weggevallen, maar dat uit de som van alle in het betalingsoverzicht vermelde bedragen blijkt dat op 23 oktober 2018 geen sprake is geweest van een betaling van [gedaagde] , maar van een tegenboeking van € 200,00. Uit dit overzicht en uit de brief van de gemachtigde van Veldkwintet van 6 juni 2019 blijkt voorts dat de door [gedaagde] op 19 december 2018 verrichte betaling van € 1.000,00 ook aanvankelijk op de huurachterstand van het gehuurde was afgeboekt maar dat diezelfde dag weer een tegenboeking heeft plaatsgevonden omdat deze betaling bestemd was voor de huurachterstand van de woning, aldus Veldkwintet.

[gedaagde] heeft ook deze stellingen van Veldkwintet bij conclusie van dupliek niet, althans onvoldoende concreet betwist en ook anderszins niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij ter zake van het gehuurde meer heeft betaald dat uit het bij repliek overgelegde overzicht blijkt. Daarom zal van de juistheid van dit overzicht worden uitgegaan.

5.4.

Dat [gedaagde] recht zou hebben op een standaardkorting van € 100,00 op de huur vanaf 1 mei 2017, is door hem eerst bij conclusie van dupliek gesteld. Gelet hierop en nu ook overigens enige onderbouwing van deze stelling ontbreekt, is de kantonrechter van oordeel dat de goede procesorde zich verzet tegen een voortzetting van het debat op dit punt en gaat zij aan deze stelling voorbij.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aan huurachterstand tot en met de maand juni 2020 een bedrag van € 4.546,57 zal worden toegewezen.

5.6.

Nu [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan van circa vier maanden, staat vast dat hij ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te (doen) ontbinden. Dat is alleen anders wanneer de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De door [gedaagde] ter zake aangevoerde persoonlijke omstandigheden, hoe vervelend deze ook voor [gedaagde] zijn, leiden niet tot het oordeel dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. Dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde vanwege een begrafenis naar Nigeria af te reizen en daardoor in die periode geen inkomsten kon verwerven, is immers een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt en die niet aan Veldkwintet als verhuurder kan worden tegengeworpen.

5.7.

De omstandigheid dat [gedaagde] zijn kapperszaak in de periode eind maart tot

11 mei 2020 verplicht heeft moeten sluiten vanwege het coronavirus, leidt evenmin tot het oordeel dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. Daarbij weegt mee dat de huurachterstand van circa vier maanden al bestond toen [gedaagde] zijn kapperszaak moest sluiten. [gedaagde] heeft bovendien juist in die periode wél de huur betaald.

5.8.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. Voor toekenning van een zogeheten ‘terme de grâce’, zoals door [gedaagde] voor dit geval verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, nu [gedaagde] geen concrete indicatie heeft gegeven over de termijn waarbinnen de huurachterstand daadwerkelijk afbetaald zal (kunnen) zijn. Dat had wel op zijn weg gelegen, temeer nu hij in zijn conclusie van antwoord heeft gesteld dat hij een betaling van de overheid verwacht maar hier in zijn conclusie van dupliek met geen woord meer over rept.

5.9.

De ontruimingstermijn zal in redelijkheid worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

5.10.

De vordering tot betaling van een bedrag van € 1.161,70 per maand aan huur dan wel schadevergoeding vanaf de maand juli 2020 tot de datum van ontruiming van het gehuurde wordt eveneens toegewezen.

5.11.

De vorderingen van Veldkwintet omvatten tevens veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade die Veldkwintet als gevolg van de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zal lijden, bestaande uit de gederfde huur vanaf de ontruiming tot aan de einddatum van de huurovereenkomst, zijnde

30 april 2022. Of de einddatum daadwerkelijk 30 april 2022 zal zijn, hangt af van het antwoord op de vraag of het Veldkwintet voor die datum lukt een andere huurder voor het gehuurde te vinden. Of dit gebeurt en zo ja wanneer, is op dit moment niet duidelijk. Over de periode na de ontruiming is begroting van de schade op grond van de beschikbare gegevens derhalve niet mogelijk. Daarom zal de kantonrechter wat dit deel van de schade betreft [gedaagde] , overeenkomstig de vordering van Veldkwintet, veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat.

5.12.

De gevorderde tot 25 februari 2020 verschenen wettelijke rente van € 23,33 en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

5.13.

Veldkwintet maakt ook aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Nu sprake is van een overeenkomst tussen twee professionele partijen, is [gedaagde] ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW zonder aanmaning een vergoeding verschuldigd voor redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte vanaf de dag volgende op de dag waarop de wettelijke of overeengekomen uiterste dag van betaling is verstreken. In tegenstelling tot wat [gedaagde] stelt, is verzending van een ‘veertiendagenbrief’ derhalve niet vereist. Veldkwintet heeft onbetwist gesteld dat haar gemachtigde een dossier heeft aangelegd, informatie heeft ingewonnen en dat er diverse keren contact is geweest met [gedaagde] over de huurachterstand. Daarmee heeft Veldkwintet voldoende onderbouwd dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Voorts geldt dat de vergoeding berekend wordt aan de hand van de toewijsbare hoofdsom. Dit betekent dat aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 579,66 toewijsbaar is.

5.14.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Veldkwintet te betalen € 4.546,57 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juni 2020, € 23,33 aan tot en met 25 februari 2020 verschenen wettelijke rente en € 579,66 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan, vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

6.2.

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen ten aanzien van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] en [adres 2] , te Rotterdam en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Veldkwintet te stellen;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan Veldkwintet te betalen € 1.161,60 met ingang van de maand juli 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

6.4.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van schade bestaande uit door Veldkwintet gederfde huurinkomsten over de periode nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden tot uiterlijk tot 30 april 2022, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

6.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Veldkwintet vastgesteld op € 601,95 aan verschotten (waarvan € 499,00 aan griffierecht en

€ 102,95 aan dagvaardingskosten) en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487