Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10689

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
8552521
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur, ontbinding en ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8552521 \ CV EXPL 20-17333

uitspraak: 16 oktober 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer te Rotterdam.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Vestia” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 20 mei 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 31 augustus 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het faxbericht van 24 september 2020 van de zijde van Vestia, met aanvullende producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 oktober 2020, die via een beeld- en geluidverbinding (Skype voor bedrijven) heeft plaatsgevonden en waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

Tussen Vestia als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] (hierna: ‘het gehuurde’).

2.2.

De huur bedroeg tot en met de maand juni 2020 € 550,86 en sindsdien € 562,66 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3. Het geschil

3.1.

Vestia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde alsmede tot betaling aan Vestia van een bedrag van 2.473,68 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand mei 2020, een bedrag van 33,55 aan tot 20 mei 2020 verschenen rente en een bedrag van € 79,69 aan buitengerechtelijke kosten, inclusief btw, derhalve in totaal € 2.568,92, vermeerderd met de wettelijke rente over 2.473,68 vanaf

20 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft Vestia gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nog te vervallen huurpenningen van € 550,86 - of zoveel hoger als bij wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten - per maand vanaf de maand juni 2020 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst, en als schadevergoeding wegens huurderving na ontbinding van de huurovereenkomst een bedrag van € 550,86 - of zoveel hoger als bij wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten - per maand dat [gedaagde] het gehuurde in gebruik houdt, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering legt Vestia - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] , ondanks aanmaning, in gebreke is gebleven met de tijdige en volledige betaling van de huur, zodat een huurachterstand ten bedrage van

€ 2.473,68, berekend tot en met de maand mei 2020, is ontstaan. De huurachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. Daarnaast is [gedaagde] de wettelijke rente over de huurachterstand verschuldigd geworden alsmede een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

Vestia heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 oktober 2020 een actuele specificatie van de huurachterstand, berekend tot en met de maand september 2020, in het geding gebracht en gesteld dat de huurachterstand, berekend tot en met de maand september 2020, in totaal € 1.223,68 bedraagt.

3.4.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd. [gedaagde] was tot november 2019 aangewezen op een WW-uitkering. Zij heeft problemen ondervonden bij de aanvraag van een (aanvullende) bijstandsuitkering. Per 1 april 2020 ontvangt [gedaagde] een bijstandsuitkering van 40% van het wettelijk minimumloon. Voorts is er sprake van psychische problematiek. De financiële situatie van [gedaagde] is inmiddels gestabiliseerd. De lopende huur wordt weer tijdig en volledig voldaan. [gedaagde] verwacht daarnaast (na)betalingen van zowel het UWV als haar voormalige werkgever. Vestia heeft geen in redelijkheid te respecteren belang bij ontruiming van het gehuurde. De huurachterstand is te laag om ontbinding van de huurachterstand te rechtvaardigen. Daarnaast zal door ontbinding van de huurovereenkomst een noodtoestand voor [gedaagde] ontstaan.

Ten slotte betwist [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn. Zij heeft geen brief ontvangen, die aan de vereisten van artikel 6:96 BW voldoet.

4. De beoordeling

4.1.

Vestia heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling de huurachterstand nader gespecificeerd tot een bedrag van € 1.223,68, berekend tot en met de maand september 2020. [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Dat betekent dat de door Vestia gevorderde huurachterstand van € 1.223,68 zal worden toegewezen.

4.2.

Vestia heeft, gelet op de hoogte van de huurachterstand, haar vordering voor wat betreft de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde ingetrokken, zodat dat deel van de vordering thans geen verdere bespreking meer behoeft.

4.3.

Nu Vestia de vordering ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde heeft ingetrokken, begrijpt de kantonrechter dat Vestia thans enkel de vordering ten aanzien van de betaling van de bestaande huurachterstand handhaaft en niet langer ten aanzien van de nog te vervallen huurpenningen vanaf oktober 2020. In het geval de vordering ten aanzien van de nog te vervallen huurpenningen wel gehandhaafd was zou deze overigens zijn afgewezen, nu [gedaagde] onbetwist heeft gesteld dat haar financiële situatie is gestabiliseerd, de lopende huur wordt betaald en zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet valt in te zien waarom Vestia onder deze omstandigheden een rechtens te respecteren belang heeft bij een veroordeling op dit punt.

4.4.

De gevorderde tot 20 mei 2020 verschenen wettelijke rente van € 33,55 alsmede de wettelijke rente vanaf 20 mei 2020 tot de dag der algehele voldoening zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.5.

Vestia maakt aanspraak op een vergoeding voor de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 lid 6 BW vereist voor toewijzing van deze vordering dat [gedaagde] door Vestia (kosteloos) is aangemaand tot betaling. Vestia heeft een veertiendagenbrief van 22 mei 2019 overgelegd. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW dient een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, in dit geval de veertiendagenbrief, om haar werking te hebben, die persoon te hebben bereikt. [gedaagde] heeft betwist de brief van 22 mei 2019 te hebben ontvangen. Nu Vestia zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept, is het op grond van artikel 150 Rv aan Vestia om te bewijzen dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Nu deze brief niet aangetekend is verzonden en Vestia heeft aangegeven geen nader bewijs van de ontvangst van de brief te kunnen leveren, valt niet met zekerheid vast te stellen dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. Dit brengt mee dat de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden afgewezen.

4.6.

[gedaagde] zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Vestia te betalen € 1.223,68 aan achterstallige huur, berekend tot en met de maand september 2020, en € 33,55 aan tot 20 mei 2020 verschenen wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan, vanaf 20 mei 2020 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 601,96 aan verschotten (waarvan € 499,00 aan griffierecht en

€ 102,96 aan dagvaardingskosten) en € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487