Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10679

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
8507488
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vaststellingsovereenkomst, uitleg contractuele boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8507488 \ CV EXPL 20-13878

uitspraak: 16 oktober 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. drs. P.A. Visser te Rotterdam.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 29 april 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] is met [eiseres] een franchiseovereenkomst aangegaan met als ingangsdatum 1 november 2017.

2.2.

In onderling overleg hebben partijen besloten de franchiseovereenkomst tussentijds te beëindigen. In verband met deze beëindiging hebben partijen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een door beide partijen in april 2018 getekende vaststellingsovereenkomst.

2.3.

De vaststellingsovereenkomst luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

“(…)

1. DEFINITIES

(…)

Schikkingsbedrag: Het schikkingsbedrag bestaat uit twee delen: enerzijds de door [gedaagde] aan [eiseres] uit hoofde van deze vaststellingsovereenkomst te betalen som ad EUR 4.000,= en anderzijds de door [gedaagde] te betalen som ad EUR 6.000,= excl. BTW (welke som [gedaagde] in twaalf (12) gelijkluidende maandelijkse termijnen zal betalen aan [eiseres] .

(…)

2. MINNELIJKE REGELING

(…)

2.2.

[gedaagde] betaalt EUR 4.000,= van het Schikkingsbedrag aan [eiseres] door overboeking op de door [eiseres] bij ING Bank aangehouden rekening met nummer [rekeningnummer] , onder vermelding van ‘schadevergoeding’. Het bedrag ad EUR 4.000,= dient uiterlijk op 1 juli 2018 te zijn bijgeschreven op de door [eiseres] aangehouden rekening.

2.3.

[gedaagde] betaalt aan [eiseres] EUR 6.000,= excl. BTW van het Schikkingsbedrag in 12 gelijke maandstermijnen door overboeking op de door [eiseres] bij ING Bank aangehouden rekening met nummer [rekeningnummer] , onder vermelding van ‘fee’. De eerste termijn ad EUR 610,= incl. BTW (€ 500,= excl. BTW) dient te zijn bijgeschreven op uiterlijk 15 april 2018, de tweede termijn op uiterlijk 1 mei 2018, enz. Indien een betaaltermijn valt in een weekeinde dan is de uiterste betaaltermijn de maandag volgende op he weekeinde. [eiseres] zal voor de maandelijkse termijnbetalingen aan [gedaagde] facturen uitreiken.

2.4.

Indien een termijn niet is betaald op de overeengekomen datum, dan zullen de resterende termijnen onmiddellijk opeisbaar zijn. Bij iedere te late of gemiste termijn is [gedaagde] naast het termijnbedrag een bedrag ad EUR 100,= verschuldigd aan [eiseres] .

(…)”

2.4.

[eiseres] heeft op 2 juli 2018 het in artikel 2.2. van de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag van € 4.000,00 van [gedaagde] ontvangen.

2.5.

[eiseres] heeft naar aanleiding van de in artikel 2.3. van de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsregeling de navolgende betalingen van [gedaagde] ontvangen:

03-04-2018 € 610,00

30-04-2018 € 610,00

31-05-2018 € 610,00

03-08-2018 € 610,00

03-09-2018 € 610,00

08-10-2018 € 610,00

13-11-2018 € 610,00

04-03-2019 € 610,00

11-03-2019 € 610,00

2.6.

Bij brief van 19 februari 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] er op gewezen dat hij de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en heeft [eiseres] , op grond van artikel 2.4. van de vaststellingsovereenkomst, de resterende termijnen van de betalingsregeling onmiddellijk opgeëist en aanspraak gemaakt op de contractuele boete.

2.7.

De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] meerdere malen aangemaand de verschuldigde hoofdsom, vermeerderd met de contractuele boete en buitengerechtelijke kosten, alsnog te voldoen.

2.8.

[eiseres] heeft op 21 april 2020 ten laste van [gedaagde] conservatoir (derden)beslag gelegd onder Takeaway.com Central Core B.V. h.o.d.n. Thuisbezorgd.nl.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 3.870,00 aan hoofdsom inclusief contractuele boete tot en met april 2020, en € 583,22 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.770,00 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts heeft [eiseres] gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van € 100,00 voor iedere maand dat [gedaagde] niet of niet tijdig tot betaling van de achterstand overgaat, te rekenen vanaf mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het conservatoire beslag en de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] is de in artikel 2.3 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsregeling niet nagekomen. [eiseres] heeft op grond van artikel 2.4. de resterende termijnen onmiddellijk opgeëist. [eiseres] is uit doen hoofde een bedrag van € 1.770,00 verschuldigd. Eveneens op grond van artikel 2.4. is [gedaagde] , bij iedere te late of gemiste termijn, een bedrag van € 100,00 verschuldigd aan [eiseres] . Voornoemd artikel houdt in dat, zolang [gedaagde] zijn betalingen niet hervat, er elke maand een boete van € 100,0 in rekening kan worden gebracht. [gedaagde] heeft nimmer bezwaar gemaakt tegen de contractuele boete en heeft de vaststellingsovereenkomst voor akkoord getekend. De contractuele boete komt niet voor matiging in aanmerking. [eiseres] vordert een bedrag van € 2.100,00 aan contractuele boete, berekend tot en met de maand april 2020 en vordert daarnaast ook de boete voor iedere maand vanaf mei 2020 dat [gedaagde] niet of niet tijdig tot betaling van de achterstand overgaat.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Hoewel [gedaagde] erkent nog een restantbedrag van € 1.770,00 uit hoofde van de betalingsregeling aan [eiseres] verschuldigd te zijn, maakt [gedaagde] bezwaar tegen de gevorderde contractuele boete. Artikel 2.4. van de vaststellingsovereenkomst bepaalt niet dat per maand dat [gedaagde] in gebreke blijft c.q. nalaat enige betaling te voldoen, [gedaagde] een boete van € 100,00 verschuldigd is. Het betreffende artikel regelt slechts dat, indien een termijn niet wordt voldaan, [gedaagde] een boete van

€ 100,00 verschuldigd is. Nu nog drie maandtermijnen dienden te worden voldaan kan [gedaagde] maximaal € 300,00 verschuldigd zijn. Er is sprake van een onvoldoende duidelijk opgesteld beding, zodat het beding in het voordeel van [gedaagde] dient te worden uitgelegd.

3.4.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de contractuele boete gematigd dient te worden omdat deze, gelet op de hoogte, tot een buitensporig dan wel excessief resultaat leidt. Voorts is er geen sprake van werkelijk geleden schade aan de zijde van [eiseres] en houdt de boete feitelijk niet meer in dan punitieve sanctie. Bovendien is er slechts sprake van een geringe tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] , zodat het vorderen van een dergelijke boete onbillijk is. Ten slotte stelt [gedaagde] dat ook de coronapandemie en - maatregelen omstandigheden vormen, die aanleiding geven tot matiging van de boete.

4. De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met betaling van een restantbedrag van € 1.770,00 uit hoofde van de in artikel 2.3 van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsregeling. Dat deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.2.

Partijen worden voornamelijk verdeeld gehouden door de vraag hoe de in artikel 2.4 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen contractuele boete dient te worden uitgelegd. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de strekking van het beding is dat [gedaagde] , bij iedere te late of gemiste termijn, een bedrag van € 100,00 verschuldigd is aan [eiseres] , hetgeen inhoudt dat, zolang [gedaagde] zijn betalingen niet hervat, er elke maand een boete van € 100,00 in rekening kan worden gebracht. [gedaagde] daarentegen stelt dat het beding slechts inhoudt dat, indien er een termijn niet is voldaan, er slechts eenmaal een boete van € 100,00 in rekening mag worden gebracht.

4.3.

De kantonrechter overweegt over de inhoud en de betekenis van het boetebeding als volgt. Door middel van uitleg dient de betekenis van het boetebeding te worden vastgesteld. In het algemeen dient bij de uitleg van een schriftelijk beding niet alleen te worden gekeken naar de letterlijke bewoordingen van het beding, maar ook naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst over het boetebeding is gesproken. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst heeft opgesteld. In dat kader heeft [gedaagde] gesteld dat een overeenkomst als de onderhavige niet tot de gebruikelijke door [gedaagde] aangegane overeenkomsten behoort, zodat hij niet alle gevolgen van een dergelijk overeenkomst daadwerkelijk heeft kunnen overzien. Onder deze omstandigheden dient bij de uitleg van het boetebeding in beginsel beslissende betekenis te worden toegekend aan de letterlijke bewoordingen ervan.

4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter valt uit de tekst van het boetebeding redelijkerwijs niet de door [eiseres] voorgestane uitleg af te leiden, inhoudende dat - zolang [gedaagde] zijn betalingen niet hervat - er elke maand een boete van € 100,00 in rekening kan worden gebracht. Artikel 2.4. zegt niets meer of minder dan dat [gedaagde] bij iedere te late of gemiste termijn, naast het termijnbedrag, een bedrag van € 100,00 aan [eiseres] verschuldigd zal zijn. De vervaldatum van de termijnbetalingen was telkens de eerste dag van de betreffende maand. Het bestaan van een specifieke vervaldatum impliceert dat een betalingstermijn slechts eenmaal kan worden ‘gemist’ of ‘te laat’ kan worden voldaan. Op grond van de letterlijke bewoordingen van het beding kan er dan ook slechts eenmaal per gemiste of te laat betaalde termijn een boete van € 100,00 in rekening worden gebracht.

4.6.

Deze laatste uitleg is redelijk en in overeenstemming met wat partijen vanuit objectief gezichtspunt moeten hebben bedoeld. De door [eiseres] voorgestane uitleg zou er immers toe leiden dat de verschuldigde boetes al snel de achterstallige termijnbedragen zouden overstijgen, zoals ook volgt uit de berekening die [eiseres] in de dagvaarding heeft gemaakt. Dat kan geen redelijk handelend contractspartij bedoeld hebben op zich te nemen of de ander mee te belasten. Daardoor zouden de verschuldigde boetes ook los raken van het belang dat het boetebeding dient: enerzijds een prikkel te zijn voor [gedaagde] tot tijdige nakoming van zijn betalingsverplichting, anderzijds een fixering op voorhand van de (ten minste) verschuldigde schadevergoeding bij gebreke daarvan. De kantonrechter betrekt hierbij ook dat het [eiseres] is, die de vaststellingsovereenkomst - en daarmee het boetebeding - heeft opgesteld en een beroep op het beding doet, zodat er reden is om de voor [gedaagde] als wederpartij meest gunstige uitleg te laten prevaleren. Dat [gedaagde] niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen de gevorderde boete verandert niets aan dit oordeel, nu dit niet met zich brengt [gedaagde] daarmee zijn recht zou hebben verspeeld in onderhavige procedure alsnog verweer te voeren.

4.7.

Nu als uitgangspunt zal worden genomen dat [gedaagde] per gemiste of te laat betaalde termijn eenmaal een boete van € 100,00 verschuldigd is, dient de totale hoogte van de boete vastgesteld te worden. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] een drietal termijnen volledig onbetaald heeft gelaten. Daarnaast heeft [gedaagde] , blijkens de door hem overgelegde betalingsbewijzen, de termijnen van de maand augustus 2018 (voldaan op 3 augustus 2018), oktober 2018 (voldaan op 8 oktober 2018), november 2018 (voldaan op 13 november 2018), december 2018 (voldaan op 4 maart 2019) en januari 2019 (voldaan op 11 maart 2019) alle te laat voldaan. Dit leidt tot de slotsom dat [gedaagde] een totaalbedrag van € 800,00 aan boetes verschuldigd is (8 x € 100,00).

4.8.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de contractuele boete. De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf brengt mee dat de rechter pas gebruik mag maken van de bevoegdheid tot matiging als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ6638, NJ 2007/262 (Intrahof/Bart Smit)). Hierbij wordt opgemerkt dat de bevoegdheid tot matiging van de boete terughoudend gehanteerd moet worden.

4.9.

In dat verband heeft te gelden dat, op grond van hetgeen hiervoor bij r.o. 4.7 is overwogen, de door [eiseres] gevorderde contractuele boete van € 2.100,00 reeds is teruggebracht tot een bedrag van € 800,00. Gelet hierop is er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake (meer) van een buitensporige hoogte van de boete. De kantonrechter ziet geen aanleiding de boete verder te matigen. De omstandigheid dat [eiseres] niet heeft onderbouwd wat de werkelijk door haar geleden schade is, is niet voldoende voor matiging. Dat geldt zonder meer als de boete (voornamelijk) bedoeld is als prikkel tot nakoming te dienen, hetgeen in onderhavige kwestie het voornaamste doel lijkt te zijn.

4.10.

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen, beroept [gedaagde] zich er op dat zijn onderneming vanwege de door de overheid afgekondigde coronamaatregelen enkele maanden dicht is geweest. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat coronapandemie een onvoorziene omstandigheid is, die aanleiding zou moeten geven tot matiging van de boete. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stellingen. Anders dan [gedaagde] stelt, heeft [eiseres] reeds bij brief van 19 februari 2019 voor de eerste maal het boetebeding ingeroepen. Vervolgens heeft ook de gemachtigde van [eiseres] in zijn brieven van

13 januari 2020 en 28 februari 2020 een uitdrukkelijk beroep gedaan op de boetebepaling. Op het moment dat [gedaagde] het volledige hiervoor genoemde bedrag van € 800,00 aan boetes verschuldigd was (te weten maart 2019), was er van een landelijke coronacrisis en daaruit voortvloeiende verplichte sluiting van horecagelegenheden nog geen enkele sprake. Er is dan ook geen aanleiding deze omstandigheden te laten meewegen bij de vraag of de boete voor matiging in aanmerking komt.

4.11.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat, hetgeen [gedaagde] naar voren heeft gebracht, onvoldoende aanleiding vormt voor matiging van de boete. De contractuele boete zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 800,00.

4.12.

De gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de boete voor iedere maand dat [gedaagde] niet of niet tijdig tot betaling van de achterstand overgaat, te rekenen vanaf mei 2020, zal worden afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de uitleg van het boetebeding, is er immers van het verschuldigd worden van nieuwe boetes ná maart 2019 geen sprake.

4.13.

[eiseres] vordert, naast de hiervoor genoemde contractuele boete, tevens de wettelijke rente over € 1.770,00 vanaf de dag der dagvaarding. De kantonrechter overweegt dat zowel de gevorderde wettelijke rente als de gevorderde contractuele boete een vorm van schadevergoeding betreffen, die verschuldigd is bij de vertraging in de voldoening van een geldsom. Uit artikel 6:92 lid 2 BW, dat van regelend recht is, volgt dat een verschuldigde contractuele boete in de plaats treedt van een schadevergoeding op grond van de wet, zoals bijvoorbeeld de wettelijke rente. Derhalve vervangt de contractuele boete de wettelijke rente, tenzij partijen zijn overeengekomen dat zij van deze wettelijke regeling afwijken. Daarvan is echter niet gebleken. [gedaagde] is derhalve slechts de contractuele boete verschuldigd en niet tevens de wettelijke rente. De vordering tot betaling van de wettelijke rente zal daarom worden afgewezen.

4.14.

[eiseres] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Anders dan [gedaagde] stelt, is verzending van een ‘veertiendagenbrief’ als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW niet noodzakelijk, nu er in casu sprake is van een zakelijke overeenkomst. Voldoende is gebleken dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht door de gemachtigde van [eiseres] . Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De vergoeding waarop uit dien hoofde aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom en boete. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag € 462,22.

4.15.

Voorts vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de beslagkosten. Nu [gedaagde] , ondanks herhaalde aanmaning, in gebreke bleef met betaling van het op grond van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde restantbedrag en de verschuldigde boetes, kan niet gezegd worden dat [eiseres] onnodig tot beslaglegging is overgegaan ter veiligstelling van haar verhaalsmogelijkheden. Deze vordering is derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv, toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 952,87 aan verschotten en € 461,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 461,00).

4.16.

[gedaagde] zal, als in overwegende mate in het ongelijk gesteld, in de kosten van onderhavige procedure worden veroordeeld. Nu bij de hiervoor genoemde beslagkosten het bij de voorzieningenrechter verschuldigde griffierecht in verband met het conservatoire beslag reeds is toegewezen en dat griffierecht hoger is dan het voor onderhavige procedure verschuldigde griffierecht, zal aan verschotten slechts een bedrag van € 102,93 aan dagvaardingskosten worden toegewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.770,00 aan hoofdsom, een bedrag van € 800,00 aan contractuele boete en een bedrag van € 462,22 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten tot op heden begroot op € 952,87 aan verschotten (waarvan € 656,00 aan griffierecht, € 211,46 aan kosten van het beslagexploot en € 85,41 aan kosten van de overbetekening) en € 461,00 aan salaris voor de advocaat

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 102,93 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487