Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10576

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
8172584 / CV EXPL 19-49940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; onderbetaling werknemer; overdracht om niet van klantenbestand naar gelieerde vennootschap; schadebegroting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1431
INS-Updates.nl 2020-0321
OR-Updates.nl 2021-0008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer / rolnummer: 8172584 / CV EXPL 19-49940

uitspraak: 20 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. G.P. Geelkerken te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] vestigingsplaats: [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. R.H. Steensma te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2020 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de conclusie van dupliek namens [gedaagde 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] is van 12 december 2014 tot 6 augustus 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij [naam uitzendbureau] (hierna: [naam uitzendbureau] ).

2.2.

[gedaagde 2] is, althans: was in de hier relevante periode, (indirect) de bestuurder van [naam uitzendbureau] .

2.3.

Bij vonnis van 15 augustus 2018 is [naam uitzendbureau] in staat van faillissement verklaard.

2.4.

In zijn openbaar faillissementsverslag van 14 september 2019 vermeldt de curator met betrekking tot de oorzaak van faillissement onder andere het volgende:

De bedrijfsactiviteiten alsmede alle activa en passiva zijn reeds eind 2016 overgenomen door [gedaagde 1] . Alle lopende arbeidsovereenkomsten (voornamelijk weekcontracten) zijn hierbij ook beëindigd of zijn overgenomen door [gedaagde 1] .

Verder zijn door het Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid (faillissementsaanvrager) alsmede de Stichting naleving cao voor uitzendkrachten boetes opgelegd vanwege het niet hanteren van het minimumloon en niet naleving van de cao […].

Verder vermeldt het verslag dat aangifte is gedaan bij het meldpunt faillissementsfraude.

2.5.

[gedaagde 2] is tevens (indirect) bestuurder van [gedaagde 1] .

2.6.

Bij vonnis van 2 juni 2020 van deze rechtbank is (ook) [gedaagde 1] failliet verklaard.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat het volgende, verkort weergegeven, een en ander bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aansprakelijk zijn voor het door [naam uitzendbureau] onbetaald gelaten loon;

  2. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 3.338,26 netto ter zake de eindafrekening en € 1.008,76 netto ter zake van pensioengelden, vermeerderd met rente;

  3. [gedaagde 2] te bevelen aan [eiseres] inzage te verlenen en afschriften te verstrekken van in de dagvaarding genoemde stukken, op straffe van een dwangsom;

  4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de rente.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1.

Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter verstaan dat de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 1] op grond van artikel 29 Fw is geschorst. Het hiernavolgende heeft daarom alleen betrekking op de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde 2] .

4.2.

[eiseres] stelt dat zij tijdens haar dienstverband bij [naam uitzendbureau] te weinig salaris heeft ontvangen en ook dat [naam uitzendbureau] te weinig pensioenpremie heeft afgedragen. Volgens [eiseres] is op [naam uitzendbureau] geen verhaal mogelijk. [eiseres] meent dat [gedaagde 2] voor de ontbrekende betalingen op grond van zijn (toenmalige) positie als bestuurder van [naam uitzendbureau] aansprakelijk is. Hieraan legt [eiseres] ten grondslag dat binnen [naam uitzendbureau] stelselmatig werknemers werden onderbetaald, dat naar aanleiding daarvan boetes zijn opgelegd door de in het faillissementsverslag genoemde stichting die niet door [naam uitzendbureau] zijn voldaan en dat [naam uitzendbureau] vervolgens haar activa, bestaande uit opdrachten van inleners, aan [gedaagde 1] heeft overgedragen zonder daarvoor een tegenprestatie te ontvangen. [naam uitzendbureau] is achtergebleven met louter schulden en vervolgens op verzoek van het Ministerie van SZW failliet verklaard, aldus [eiseres] . [gedaagde 2] heeft als bestuurder van zowel [naam uitzendbureau] als [gedaagde 1] bij dit alles een leidende rol gespeeld. Volgens [eiseres] wist [gedaagde 2] of behoorde hij te weten dat crediteuren van [naam uitzendbureau] door de overdracht om niet van activa aan [gedaagde 1] benadeeld zouden worden.

4.3.

Uit de conclusie van antwoord (een namens zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] ingediend gezamenlijk stuk) en uit de conclusie van dupliek leidt de kantonrechter de volgende verweren van [gedaagde 2] af:

  • -

    [naam uitzendbureau] is haar verplichtingen jegens haar werknemers wel degelijk nagekomen;

  • -

    uit het feit dat de eindafrekening van het dienstverband tussen [naam uitzendbureau] en [eiseres] in augustus 2016 heeft plaatsgevonden, moet “impliciet” worden afgeleid dat [naam uitzendbureau] aan haar verplichtingen heeft voldaan;

  • -

    niet vaststaat dat [naam uitzendbureau] niet aan haar verplichtingen heeft voldaan;

  • -

    de hoogte van de vordering wordt betwist en [gedaagde 2] kan deze niet beoordelen omdat de administratie van [naam uitzendbureau] bij de curator ligt;

  • -

    uit het feit dat ook [gedaagde 1] failliet is gegaan blijkt dat de door [naam uitzendbureau] aan [gedaagde 1] overgedragen assets niet zo waardevol zijn geweest.

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens [eiseres] . Hij licht dit oordeel als volgt toe.

4.5.

[eiseres] heeft gesteld dat [naam uitzendbureau] bij het einde van haar dienstverband niet correct met haar heeft afgerekend. Concreet ontbreekt volgens [eiseres] een (volledige) vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en vakantiegeld. [eiseres] heeft deze stellingen onderbouwd door overlegging van loonstroken en aan de hand van een concrete berekening in de dagvaarding. Deze berekening komt uit op een totaalbedrag van € 3.338,26 dat volgens [eiseres] niet door [naam uitzendbureau] is voldaan. Verder heeft [naam uitzendbureau] volgens [eiseres] gedurende haar dienstverband geen pensioenpremie afgedragen. Ook deze stelling heeft [eiseres] onderbouwd aan de hand van de loonstroken (waarop geen afdracht wordt vermeld) en met een concrete berekening in de dagvaarding. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 2] deze stellingen niet voldoende concreet betwist. In feite ontbreekt in zijn verweer iedere concretisering en onderbouwing van zijn betwisting. Het enkele feit dat [gedaagde 2] niet meer zou beschikken over de administratie van [naam uitzendbureau] maakt niet dat geen enkele vorm van concretisering mogelijk was geweest. Daarbij komt dat het betoog van [eiseres] mede wordt ondersteund door het – onbetwiste – feit dat aan [naam uitzendbureau] boetes zijn opgelegd wegens het onderbetalen van werknemers.

4.6.

Een en ander leidt de kantonrechter tot het oordeel dat uitgangspunt bij de verdere beoordeling moet zijn dat [naam uitzendbureau] tot het door [eiseres] gevorderde bedrag niet aan haar verplichtingen jegens [eiseres] heeft voldaan. Als vaststaand moet ook worden aangenomen dat [naam uitzendbureau] voor deze vorderingen geen verhaal biedt. Het faillissementsverslag biedt geen aanknopingspunt voor een andersluidende conclusie en de stellingen van [gedaagde 2] op dit punt zijn speculatief en zonder enige onderbouwing.

4.7.

In het geval een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

4.8.

Uit de stellingen van [eiseres] moet worden afgeleid dat het [gedaagde 2] is geweest die bij [naam uitzendbureau] aan de touwtjes trok. Gesteld noch gebleken is immers dat er naast of in plaats van [gedaagde 2] nog een ander is geweest die bepalende invloed had op hetgeen aan werknemers werd betaald. Om dezelfde reden moet worden aangenomen dat [gedaagde 2] heeft bewerkstelligd dat het klantenbestand van [naam uitzendbureau] naar [gedaagde 1] is overgegaan zonder dat [gedaagde 1] daarvoor enige vergoeding behoefde te betalen. Volledigheidshalve herinnert de kantonrechter eraan dat (uit de onbetwiste stellingen van [eiseres] volgt dat) [gedaagde 2] het ook binnen [gedaagde 1] voor het zeggen had. In het algemeen mag worden aangenomen dat een klantenbestand een zekere bedrijfseconomische waarde vertegenwoordigt. Waar het gaat om een uitzend- of verloningsbedrijf, zoals hier, mag in beginsel ook worden aangenomen dat een dergelijk bestand een voor het bedrijf wezenlijke asset betreft. Met het om niet overdragen van het klantenbestand vanuit de ene naar de andere – gelieerde – vennootschap heeft [gedaagde 2] daarom toegelaten dat [naam uitzendbureau] niet meer in staat was om haar verplichtingen jegens haar werknemers, althans [eiseres] , na te komen. Hij behoorde in de gegeven omstandigheden te weten dat dit het gevolg was van de overdracht. Zonder klanten kan een uitzendbureau immers geen omzet genereren en dus ook zijn werknemers niet betalen. Hiervan moet [gedaagde 2] daarom persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij is dus aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door [eiseres] geleden schade.

4.9.

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat [naam uitzendbureau] sowieso niet levensvatbaar was, vanwege te hoge kosten en te lage marges. Voor zover [gedaagde 2] daarmee het vereiste causaal verband heeft willen betwisten, verwerpt de kantonrechter dat verweer. Bij repliek is [eiseres] concreet ingegaan op de levensvatbaarheid van [naam uitzendbureau] . Ook heeft zij erop gewezen dat het vooral de aan [naam uitzendbureau] opgelegde boetes waren – juist opgelegd omdat [naam uitzendbureau] haar werknemers onvoldoende betaalde – die aanleiding waren het op een faillissement te laten uitdraaien. Op dit betoog heeft [gedaagde 2] niet voldoende concreet gereageerd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 2] en de schade van [eiseres] .

4.10.

Nu [gedaagde 2] de omvang van de vordering niet gemotiveerd heeft weersproken, zal de kantonrechter de schade van [eiseres] begroten op het door haar gevorderde bedrag. Dat [eiseres] steeds spreekt van netto bedragen is niet van belang. Het gaat hier niet om een loonvordering, maar om een vordering tot vergoeding van schade. De schade kan voor [eiseres] begroot worden op het bedrag dat zij feitelijk te weinig heeft ontvangen. Ook de vordering inzake de pensioenpremie is toewijsbaar, ook al is op zichzelf juist dat [eiseres] dit bedrag bij correcte nakoming door [naam uitzendbureau] van haar verplichtingen niet zelf zou hebben ontvangen. Dat laat immers onverlet dat [eiseres] vermogensschade lijdt door het achterwege blijven van de pensioenafdracht. Niet valt in te zien dat de omvang van die schade niet op verantwoorde wijze zou kunnen worden begroot op het bedrag aan premie dat door [naam uitzendbureau] had moeten worden afgedragen.

4.11.

[eiseres] vordert de wettelijke rente met ingang van de dag der verschuldigdheid. Die dag is echter niet gespecificeerd. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de dag van dagvaarding.

4.12.

[eiseres] vordert daarnaast om op grond van artikel 843a Rv [gedaagde 2] te bevelen haar inzage te geven in een aantal stukken, met name werkbriefjes. Deze hebben betrekking op haar werkzaamheden voor [naam uitzendbureau] . [eiseres] meent dat zij aan de hand van die stukken aanvullende vorderingen kan instellen. [gedaagde 2] heeft zich onder andere verweerd met de stelling dat hij niet over die stukken beschikt, omdat deze zich bij de curator in het faillissement van [naam uitzendbureau] bevinden. Dit heeft [eiseres] niet betwist. Nu aldus vast staat dat [gedaagde 2] niet over de stukken beschikt, komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Tot het overleggen van stukken die iemand niet heeft kan diegene immers niet worden veroordeeld. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde 2] de curator kan verzoeken de stukken aan hem ter beschikking te stellen. Artikel 843a Rv biedt echter geen grondslag voor een verplichting om eerst bepaalde stukken te verwerven, om die vervolgens aan een ander ter inzage te geven.

4.13.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 2] worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] . Deze worden begroot op € 81,00 aan griffierecht, € 105,63 aan explootkosten en € 420,00 aan salaris gemachtigde. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 4.347,02, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 8 november 2019 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van [eiseres] , begroot op € 606,63, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders van [gedaagde 2] gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020.

1980/2221