Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10572

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
ROT 20/5795
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Sluiting loods (bedrijfspand en bedrijfswoning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Cocainewasserij. Spoedeisend belang ten aanzien van sluiting bedrijfspand ontbreekt. Woningsluiting voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Minderjarig kind. Niet aan woning gebonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/5795

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 november 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1. [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

3. [verzoeker 3]

4. [verzoeker 4]

5. [verzoeker 5]

6. [verzoeker 6]

7. [verzoeker 7]

8. [verzoeker 8] te Berkel en Rodenrijs, verzoekers,

gemachtigde: mr. M. Berkel,

en

de burgemeester van Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker sub 1 een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van een algehele sluiting het pand en het bijbehorende perceel [adres] te Berkel en Rodenrijs, per 3 juli 2020 tot en met 2 juli 2021 om 15:00 uur, verzegeling van het pand per 3 juli 2020 en aanbrenging van een kennisgeving op de toegangsdeur(en) van het pand waarop is vermeld dat het pand op last van de burgemeester is gesloten per 3 juli 2020 tot en met 2 juli 2021 15:00 uur.

Bij uitspraak van 19 augustus 2020 (bij partijen bekend onder nummer ROT 20/4046) heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst voor wat betreft het woon- en bedrijfsgedeelte (waar geen illegale activiteiten zijn aangetroffen) tot zes weken na datum van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 1 oktober (het bestreden besluit) heeft verweerder (onder verbetering van de motivering) de bezwaren van verzoekers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter (opnieuw) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. [verzoeker 5] en [verzoeker 6] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam persoon 1] .

Overwegingen

1. Verzoekster sub 1, waarvan verzoeker sub 5 ( [verzoeker 5] ) bestuurder is, is eigenaar

van het pand met ondergrond en erf. Het pand bestaat uit één grote loods waarvan in een gedeelte een woning is gecreëerd. In deze woning wonen verzoekers sub 5 tot en met 8. Het overige gedeelte van de loods bestaat uit een bedrijfsgedeelte dat bij verzoekers sub 1 tot en met 4 in gebruik is (een constructiehal en een opslagruimte) en een bedrijfsgedeelte dat wordt verhuurd. Op 1 juli 2020 heeft de politie een inval gedaan in het pand waarbij in het aan [naam persoon 2] verhuurde bedrijfsdeel een inwerking zijnde cocaïnefabriek en middelen als bedoeld in lijst I behorende bij de Opiumwet zijn aangetroffen. Buiten de loods op het bedrijventerrein werden de resten van het verpakkingsmateriaal (kartonpulp) en de chemicaliën opgeslagen.

2. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Spoedeisend belang

3.1

Ten aanzien van de woning waarin verzoekers verblijven, acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aanwezig. Verzoekers menen dat zij ook een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het bedrijfsgedeelte van de loods waar geen illegale activiteiten zijn aangetroffen.

3.2

Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang op zichzelf geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan anders zijn als door de sluiting onomkeerbare gevolgen ontstaan voor verzoekers, zoals een faillissement. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoekers hebben een heel groot deel van de machines, gereedschappen en staal meegenomen toen het bedrijfspand werd gesloten. Verzoeker kan hiermee in principe op een andere locatie zijn werkzaamheden voortzetten, zoals hij tot nu toe ook heeft gedaan. Verzoeker sub 5 heeft ter zitting verklaard dat er tot nu toe ook nog werkzaamheden plaatsvonden en dat er nog opdrachten uitstaan, waaronder een opdracht voor het bouwen van 85 stallen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij binnenkort zijn alternatieve locatie moet verlaten. Volgens de verklaring van het administratiekantoor van verzoekers van 5 augustus 2020 zouden verzoekers eind september niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Daarbij is volgens de verklaring geen rekening gehouden met het huren van een vervangende bedrijfsruimte omdat dit gecompliceerd is (“looptijd, alle materialen en machines staan in de bedrijfshal aan de [adres] ”) en is uitgegaan van een omzetdaling van 40%. Daargelaten dat deze verklaring niet recent is, is er in de verklaring ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de machines, gereedschappen en staal zijn verplaatst naar een alternatieve locatie. Dat verzoekers geen nieuwe (betaalbare) locatie hebben kunnen vinden, is niet onderbouwd met stukken. Ook blijkt uit de door verzoekers overgelegde financiële stukken niet waarom het bedrijf, nu verzoeker wel over apparatuur beschikt om werkzaamheden voort te zetten, het met (enige) omzetdaling niet zou kunnen redden. De voorzieningenrechter ziet ten aanzien van het bedrijfsgedeelte daarom onvoldoende spoedeisend belang en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het bedrijfsgedeelte om die reden af.

Inhoudelijk

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat een in werking zijnde cocaïnewasserij met een handelshoeveelheid van 4, 4 kilogram cocaïne is aangetroffen in de loods. Gezien de aangetroffen zaken kan er in beginsel van worden uitgegaan dat de aangetroffen cocaïne bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. Op grond van het Damoclesbeleid en de daarbij behorende handhavingsmatrix van verweerder is de woning gesloten voor de duur van een jaar nu er aanwijzingen zijn dat sprake is van georganiseerde criminaliteit.

Beoordelingskader

5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen of op een daarbij behorend erf harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

6. Verweerder voert beleid om de handel in drugs in Lansingerland tegen te gaan. Dit beleid staat in het Damoclesbeleid artikel 13b Opiumwet gemeente Lansingerland 2020. In dit beleid staat in welke gevallen verweerder in principe overgaat tot sluiting van een woning of lokaal. Op basis van dit beleid wordt in geval van het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, de woning of het lokaal in beginsel gesloten voor de duur van zes maanden. Indien sprake is van verzwarende omstandigheden, kan de burgemeester de last onder bestuursdwang verzwaren. Deze kan met maximaal zes maanden worden verzwaard indien sprake is van feiten of omstandigheden die duiden op georganiseerde criminaliteit of drugshandel in georganiseerd verband.

Bevoegdheid

7. Verweerder is bevoegd om een woning of lokaal (en daarbij behorende gebouwen) te sluiten als daarin een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen. Bij harddrugs is er sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. Niet in geschil is dat 4,4 kilogram cocaïne is aangetroffen. Dit is een zeer ruime overschrijding van de grens. Er is dus sprake van een handelshoeveelheid harddrugs. Verweerder was daarom bevoegd om het hele gebouw en bijbehorende erf te sluiten omdat het geheel heeft bijgedragen aan de verstoring van de openbare orde.

Noodzaak

8. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient vervolgens te worden beoordeeld in hoeverre sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.

9. Verzoekers stellen dat met minder ingrijpende maatregelen had kunnen worden volstaan nu er geen noodzaak is om de gedeelten waar geen illegale activiteiten werden geconstateerd te sluiten. Er zijn volgens hen geen objectieve aanwijzingen dat de openbare orde zou zijn verstoord dan wel dat het woon- of leefklimaat ter plaatse zou zijn aangetast. Er is volgens verzoekers geen reden om aan te nemen dat de geconstateerde overtreding nog steeds plaatsvindt, dat de bekendheid met de aanwezigheid van drugs doorbroken dient te worden of dat de loop eruit gehaald moet worden.

10.1

De voorzieningenrechter vindt dat verweerder de noodzaak tot sluiting van het gehele complex voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

10.2

Er is in het kader van een nationaal politieonderzoek een zeer grote handelshoeveelheid harddrugs en een in werking zijn de cocaïnewasserij aangetroffen in de verhuurde loods. Daarmee is sprake van een ernstige en omvangrijke overtreding van de Opiumwet. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat niet voor een gedeeltelijke sluiting is gekozen vanwege de grote verstoring van de openbare orde. In het laboratorium werd naar schatting voor 100 tot 150 kilo cocaïne per dag verwerkt, wat betekent dat er sprake is geweest van zware, nationale, georganiseerde criminaliteit, en wat aannemelijk maakt dat het pand en het erf een rol speelden binnen een keten van drugshandel. Ook zijn er op het erf aanzienlijke hoeveelheden drugsafval aangetroffen. De woning had uitzicht op het erf, de chemicaliën en het drugsafval. De woning is alleen bereikbaar via het erf waarop de containers met drugsafval stonden. Desondanks heeft deze locatie van de woning er niet voor gezorgd dat er voldoende toezicht werd gehouden op het overige gedeelte van het complex. Dit alles brengt mee dat verweerder hier in redelijkheid de noodzaak heeft kunnen zien om het gehele complex aan het criminele circuit te onttrekken.

10.3

Gelet op het voorgaande - de aangetroffen cocaïnewasserij met 4,4 kilogram cocaïne en 10.000 liter aan chemicaliën - heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de openbare orde is verstoord dan wel dat het woon- of leefklimaat ter plaatse is aangetast. Er is volgens verzoekers geen reden om aan te nemen dat de geconstateerde overtreding nog steeds plaatsvindt, dat de bekendheid met de aanwezigheid van drugs doorbroken dient te worden of dat de loop eruit gehaald moet worden. Uit het bestreden besluit volgt ook niet dat verweerder heeft aangenomen dat hiervan sprake is. Dat geen drugsgerelateerde overlast is geconstateerd en er ook geen loop was, doet echter, zeker gezien de grote hoeveelheid harddrugs die in het bedrijfspand is aangetroffen, geen afbreuk aan de noodzaak van de last (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 en 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333).

Evenredigheid en verwijtbaarheid

11. Als sluiting van de woning noodzakelijk wordt geacht, neemt dit niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn.

12. Verzoekers voeren aan dat hen niets te verwijten valt. Zij waren niet op de hoogte van de criminele activiteiten en hebben in hun visie gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mocht worden om drugscriminaliteit te voorkomen. Vanuit de woning is er geen directe toegang naar de loods. Verzoeker sub 5 heeft toegelicht waarom hij in zijn visie redelijkerwijs geen wantrouwen hoefde te hebben ten aanzien van de ‘kartonpulp’ op het erf. Met de huurder was een huurovereenkomst gesloten waarbij de huurder zich heeft geïdentificeerd en de huurbetalingen werden tijdig per bank voldaan. Ook hebben verzoekers in hun visie voldoende controles uitgevoerd in de loods.

Voorts voeren verzoekers aan dat bij de belangenafweging onvoldoende rekening is gehouden met dat de minderjarige dochter (verzoekster sub 7) van verzoekster sub 6 als gevolg van de sluiting van de woning een (te) grote afstand naar haar school moet afleggen terwijl een andere school vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige dochter onwenselijk is (overgelegd is een verklaring van de mentor). Ook heeft de moeder van verzoeker sub 5 aangegeven dat zij verzoekers niet langer op kan vangen. Onvoldoende is meegewogen dat het gelet op zijn gezondheid van belang is dat verzoeker sub 5 in de woning kan verblijven. Hij moet vanwege (ernstige) hartklachten stress vermijden en regelmatig diverse ziekenhuizen in de buurt van Rotterdam bezoeken. Verder betwisten verzoekers dat de woning illegaal wordt bewoond.

13.1

Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) blijkt dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding, afzonderlijk of samen met andere omstandigheden, ertoe kan leiden dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft kunnen maken. Van deze situatie is echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Verzoekster sub 1, waarvan verzoeker sub 5 bestuurder is, is eigenaar van het pand met ondergrond en erf en daarmee verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om het pand. Verweerder heeft bij zijn besluit in aanmerking kunnen nemen dat het bij verzoekers vragen op had moeten roepen dat de onderhandelingen over de huurovereenkomst met een ander persoon werden gevoerd dan de huurder en dat de bedrijvigheid in de loods en op het erf niet het karakter had van alleen opslag. Dit in onderling verband en samenhang bezien met de niet verklaarde aanwezigheid van zes slaapplekken in de loods, de niet onderbouwde en niet overtuigende toelichting op de aanwezigheid van de kartonpulp op 25 of 26 juni 2020 als gevolg van wateroverlast weken eerder en de niet onderbouwde controles van het betreffende deel van het pand door verzoeker sub 5, maakt dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Bovendien heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij weliswaar controles uitvoerde, maar dat hij daarbij niet de gehele hal binnenliep waar alle machines stonden. Als verhuurder was verzoeker gehouden het verhuurde degelijk te controleren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2540).

13.2

Het inherente gevolg van de woningsluiting is dat verzoekers hun woning moeten verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid om van een woningsluiting af te zien. Dat kan anders zijn als een bewoner een specifieke binding heeft met de woning zelf, bijvoorbeeld vanwege een medische situatie. Uit wat verzoekers hebben aangevoerd, kan niet worden opgemaakt dat zij specifiek aan deze woning zijn gebonden. Dat de ontstane situatie zijn weerslag heeft op het gehele gezin is duidelijk. Dat verzoeker sub 5 onder controle staat van zijn (huis)arts en dat hij gelet op zijn medische situatie gebaat is bij een stabiele situatie is begrijpelijk, maar maakt niet dat hij specifiek aan deze woning is gebonden. Ook het feit dat de minderjarige verzoekster sub 7 - na het primaire besluit - is ingeschreven op een school waar zij speciaal onderwijs volgt en dat zij kwetsbaar is, maakt niet dat zij specifiek aan deze woning is gebonden om passend onderwijs te kunnen volgen.

13.3

Voor zover verzoekers betwisten dat de gecreëerde woning illegaal wordt bewoond omdat er op het perceel geen woonbestemming rust, is dit niet door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze stelling behoeft daarom geen verdere bespreking.

13.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden niet maken dat het handelen overeenkomstig het Damoclesbeleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het Damoclesbeleid te dienen doelen. Verweerder heeft daarom in redelijkheid over kunnen gaan tot sluiting van het gehele complex voor de duur van twaalf maanden.

14. Uit het voorgaande volgt dat in beroep het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 november 2020.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.