Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1057

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
C/10/580842 / HA ZA 19-776
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De (herhaalde) van toepassing verklaring van algemene voorwaarden "including the [..] arbitration clause" in e-mails waarin geen overeenkomst is belichaamd, is onvoldoende voor het overeenkomen van arbitrage ten aanzien van een buitencontractuele vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/580842 / HA ZA 19-776

Vonnis van 29 januari 2020

in de zaak van

1. de onderlinge waarborgmaatschappij

E.O.C. ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,

gevestigd te Meppel,

2. de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. P.E. van Dam te Capelle aan den IJssel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROTTERDAM WORLD GATEWAY B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. D. Komen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna E.O.C. c.s. en RWG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bevat de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 14 augustus 2019;

  • -

    de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 20 van de zijde van E.O.C. c.s.;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid met producties 1 en 2 van de zijde van RWG;

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;

  • -

    de nadere akte in het bevoegdheidsincident met producties 3 en 4 van de zijde van RWG;

  • -

    de antwoordakte in het bevoegdheidsincident.

1.2.

Partijen hebben vonnis in het incident gevraagd.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

RWG vordert – kort gezegd – dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen van E.O.C. c.s. kennis te nemen en E.O.C. c.s. in de proceskosten zal veroordelen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

Daartoe stelt RWG – samengevat weergegeven – het volgende.

2.1.1.

Tussen RWG en [verweerster] (hierna: [verweerster] ) is door talrijke verwijzingen door RWG het arbitraal beding in de algemene voorwaarden van de Vereniging van Rotterdamse Terminal Operators (VRTO-voorwaarden) van toepassing. RWG heeft, immers, sedert september 2015 in wekelijkse correspondentie met [verweerster] over belading en lossing van het binnenschip ‘ [naam binnenschip] ’ bij de terminal van RWG de VRTO-voorwaarden van toepassing verklaard met de volgende verwijzingsclausule:

“RWG/VRTO CONDITIONS: All our activities and services conducted by RWG [..] are subject to the general terms and conditions of the Rotterdam Terminal Operators’ Association (VRTO), as filed at the Registry of the District Court of Rotterdam on 2 September 2009 including the TAMARA arbitration clause unless specifically agreed upon otherwise in writing. [..] the VRTO Conditions will be supplied on request free of charge or can be downloaded from the website www.rwg.nl. [..]”

[verweerster] heeft de toepasselijkheid van het arbitraal beding in de VRTO-voorwaarden aanvaard door nimmer in de jarenlange, wekelijkse correspondentie bezwaar te maken tegen die van toepassing verklaring.

2.1.2.

De VRTO-voorwaarden bevatten in artikel 8.2 – aangehaald voor zover voor deze beoordeling van belang – het volgende arbitraal beding:

“Alle geschillen onder of in verband met genoemde rechtsbetrekkingen worden onderworpen aan arbitrage te Rotterdam overeenkomstig het TAMARA Arbitrage Reglement.”

2.1.3.

De rechtsverhouding tussen RWG en [verweerster] laat zich kwalificeren als (een serie van) laad- of losovereenkomsten. Bij de totstandkoming van elk van de overeenkomsten heeft RWG de VRTO-voorwaarden met het arbitraal beding van toepassing verklaard. Omdat de vorderingen van E.O.C. c.s. betrekking hebben op de uitvoering door RWG van de laadovereenkomst van 4 augustus 2018, is dat arbitraal beding ook van toepassing op de onderhavige vorderingen van E.O.C. c.s.

2.1.4.

Zoals ook voortvloeit uit artikel 1020 Rv, is voor de toepasselijkheid van een arbitraal beding, overigens, niet vereist dat de rechtsverhouding tussen partijen als een overeenkomst wordt aangemerkt.

De vordering van E.O.C. c.s. is gegrond op de stelling dat het stuurhuis van de ‘ [naam binnenschip] ’ op 4 augustus 2018 tijdens belading met containers door RWG is beschadigd door een fout van de kraanmachinist van RWG en dat laatstgenoemde ingevolge artikel 6:170 BW voor de gevolgen van die fout aansprakelijk is. Door de van toepassing verklaring van het arbitraal beding in de VRTO-voorwaarden is dit beding ook van toepassing op zodanige op onrechtmatige daad gegronde rechtsbetrekking tussen partijen.

2.2.

De conclusie van E.O.C. c.s. strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van RWG in de kosten van het incident bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

Daartoe voert E.O.C. c.s. – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.2.1.

E.O.C. c.s. is met RWG ten aanzien van het onderhavige geschil geen arbitrage als door RWG gesteld overeengekomen.

2.2.2.

Tussen partijen geldt geen contractuele rechtsverhouding. [verweerster] heeft de toepasselijkheid van (het arbitraal beding in de) VRTO-voorwaarden niet aanvaard.

De inderdaad talrijke, wekelijkse correspondentie tussen partijen heeft geen andere strekking dan het doorgeven van feitelijke voor de belading of lossing van de ‘ [naam binnenschip] ’ vereiste informatie. De correspondentie levert geen overeenkomst(en) op tussen partijen.

Op 4 augustus 2018 en op alle andere tijdstippen tot dan toe bracht [verweerster] de ‘ [naam binnenschip] ’ naar de terminal van RWG ter uitvoering van een vervoerovereenkomst met DP Chartering B.V. (hierna: DPC). [verweerster] diende ingevolge die overeenkomst de ‘ [naam binnenschip] ’ bij de terminal van RWG te laten beladen of lossen. Ten behoeve van die belading of lossing diende [verweerster] een laadplan, losplan of stuwplan te maken en dat naar RWG te sturen, waarop laatstgenoemde vervolgens reageerde.

[verweerster] had niet de bedoelding om daardoor enige contractuele relatie met RWG aan te gaan of enig arbitraal beding te aanvaarden.

2.2.3.

[verweerster] heeft geen laad- of losovereenkomst(en) met RWG gesloten. Ingevolge de overeenkomst met DPC en de wet was het aan DPC om de ‘ [naam binnenschip] ’ te beladen en aan de betreffende ontvanger om de ‘ [naam binnenschip] ’ te lossen. Waar RWG de ‘ [naam binnenschip] ’ op 4 augustus 2018 belaadde deed RWG dat niet in opdracht van [verweerster] , maar van DPC of een ander.

2.2.4.

De verwijzingsclausule op de berichten van RWG heeft niet de strekking om het arbitraal beding van toepassing te maken op een niet op overeenkomst gegronde vordering.

2.2.5.

RWG heeft de VRTO-voorwaarden nimmer aan [verweerster] ter hand of ter beschikking gesteld. Op de website van RWG staan de VRTO-voorwaarden niet vermeld. Indien de VRTO-voorwaarden of het beding “including the TAMARA arbitration clause” al van toepassing zijn geworden tussen [verweerster] en RWG, doet E.O.C. c.s. een beroep op vernietiging van die voorwaarden.

2.3.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, om de volgende redenen.

2.3.1.

Een arbitraal beding kan op twee manieren tussen partijen gelding krijgen: hetzij indien het uitdrukkelijk (al dan niet naar aanleiding van een gestelde aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad) ‘ad hoc’ tussen partijen wordt overeengekomen, hetzij doordat het (uitdrukkelijk of door middel van verwijzing naar algemene voorwaarden) in een contractuele rechtsverhouding tussen partijen is overeengekomen.

2.3.2.

Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen ‘ad hoc’ arbitrage is overeengekomen ter beslechting van de onderhavige vorderingen van E.O.C. c.s..

2.3.3.

Voor zover RWG betoogt dat de rechtsverhouding tussen haar en [verweerster] als een contractuele moet worden aangemerkt en dat daarop het arbitraal beding van toepassing is, verwerpt de rechtbank dat betoog om de volgende redenen.

RWG betwist niet dat [verweerster] de ‘ [naam binnenschip] ’ in het onderhavige geval van 4 augustus 2018 (en de overige keren) naar de (stuwadoors)terminal van RWG bracht ter uitvoering van de overeenkomst tussen [verweerster] en DPC. Onder de overeenkomst tussen [verweerster] en DPC diende de ‘ [naam binnenschip] ’ te worden beladen of gelost bij RWG.

In de relatie tussen de eigenaar of exploitant van een binnenschip en diens bevrachter of afzender, respectievelijk ontvanger is het de verantwoordelijkheid van de bevrachter of afzender, respectievelijk ontvanger om te zorgen voor belading, respectievelijk lossing van de goederen in, respectievelijk uit het schip (vgl. artikel 3, lid 2 en artikel 6, lid 4 CMNI en artikel 8:929 BW). Er bestond voor [verweerster] daarom geen aanleiding om met RWG te contracteren ten aanzien van de belading of lossing van de ‘ [naam binnenschip] ’.

Voor het beladen of lossen van een binnenschip is niet vereist dat een (hulp)overeenkomst wordt gesloten tussen de eigenaar of exploitant van het schip en de (stuwadoors)terminal waar het schip beladen of gelost wordt.

Dat beladen of lossen vormt een feitelijk handelen, dat de (stuwadoors)terminal, hetzij doet in opdracht van een derde (hetgeen de afzender of bevrachter of ontvanger van het betreffende binnenschip kan zijn), hetzij doet voor zichzelf (bijvoorbeeld als de terminal zich voor een bepaald vervoerstraject heeft verbonden). Met dat enkele beladen of lossen ontstaat geen contractuele relatie tussen de terminal en het schip.

Het vorenstaande wordt niet anders doordat de eigenaar of exploitant van het binnenschip vóór of na de belading aan de beladende of ontvangende terminal een laadplan of stuwplan of losplan doorgeeft. Het doorgeven van die informatie door of aan de eigenaar of exploitant van het binnenschip kan niet worden aangemerkt als het aangaan van een overeenkomst. Uit de bewoordingen van de overgelegde uitgewisselde mededelingen tussen [verweerster] en RWG van losplannen en laadlijsten van de ‘ [naam binnenschip] ’ (producties 1 en 2 van RWG) valt geen bedoeling tot het aangaan van enige contractuele relatie tussen deze partijen af te leiden.

2.3.4.

De enkele omstandigheid dat RWG in haar contacten met [verweerster] over laadplannen, laadlijsten, stuwplannen of losplannen een verwijzingsclausule opnam waarin de VRTO-voorwaarden “including the TAMARA arbitration clause” van toepassing werden verklaard, levert onvoldoende grond om daarop te kunnen baseren dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten tot arbitrage over de onderhavige vorderingen van E.O.C. c.s., dan wel een overeenkomst tot arbitrage over welke toekomstige rechtsbetrekking tussen partijen dan ook. Zonder andere contractuele grondslag tussen partijen – die de rechtbank zoals gezegd niet aanwezig acht – levert die verwijzingsclausule geen basis voor de toepasselijkheid van een arbitraal beding tussen partijen.

2.4.

Op het vorenstaande stuit de vordering tot onbevoegdverklaring af.

2.5.

De rechtbank zal RWG als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident veroordelen.

De rechtbank zal de aan de zijde van E.O.C. c.s. tot deze uitspraak in het incident gevallen kosten begroten op € 814,50 (1,5 punten in Liquidatietarief II).

Zoals door E.O.C. c.s. gevorderd en door RWG niet zelfstandig bestreden, zal de rechtbank de proceskostenveroordeling bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

RWG is aan het woord voor het nemen van de conclusie van antwoord. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident:

4.1.

wijst het gevorderde af;

4.2.

veroordeelt RWG in de kosten van het incident, aan de zijde van E.O.C. c.s. tot op heden begroot op € 814,50;

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 maart 2020 voor conclusie van antwoord door RWG.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.1

1 1928/615