Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10539

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
10/750533-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mensenhandel, seksuele uitbuiting, 2 slachtoffers. Vrijspraak van feit 2 (bedreiging), feit 4 (primair) openlijk geweld en (subsidiair) mishandeling. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0876
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750533-19

Datum uitspraak: 18 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de P.I. Alphen, locatie Eikenlaan,

raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. al Mansouri heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte aangeefster [naam aangeefster 1] (hierna: [naam aangeefster 1] ) heeft bedreigd via een voicemailbericht. [naam aangeefster 1] heeft verklaard dat zij dit voicemailbericht een paar dagen na 11 september 2019 heeft ontvangen van de verdachte en dit valt volgens de officier van justitie binnen de periode ‘omstreeks 1 oktober 2019 tot en met 13 november 2019’.

4.1.2.

Beoordeling

Op 13 november 2019 heeft [naam aangeefster 1] twee audioberichten doorgestuurd naar verbalisant [naam agent] (proces-verbaal met nummer [procesverbaalnummer] , pagina 54 van zaaksdossier Briosa). [naam aangeefster 1] heeft verklaard dat het tweede audiobericht, waarin zij wordt bedreigd, afkomstig is van de verdachte. Zij zou dit bericht hebben ontvangen een paar dagen nadat zij op 11 september 2019 was gevlucht vanuit [naam hotel 1] in Middelburg.

Ten laste is gelegd een bedreiging in of omstreeks de periode 1 oktober 2019 tot en met 13 november 2019. De datum waarop [naam aangeefster 1] het audiobericht zegt te hebben ontvangen, zoals gezegd een paar dagen na 11 september 2019, valt naar het oordeel van de rechtbank te ver buiten de ten laste gelegde periode. Reeds gelet daarop dient de verdachte te worden vrijgesproken van feit 2.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Vrijspraak van het onder 4 primair (openlijk geweld) en subsidiair (mishandeling) ten laste gelegde feit

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 26 maart 2017 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aangeefster [naam aangeefster 2] (hierna: [naam aangeefster 2] ).

4.2.2.

Beoordeling

[naam aangeefster 2] heeft op 4 februari 2020 aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd op 26 maart 2017 door onder andere de verdachte. In het dossier bevinden zich naast de aangifte een FARR-verklaring van 26 maart 2017, foto’s van het letsel, alsmede de verklaring die [naam aangeefster 2] ter plaatse ten overstaan van de verbalisanten heeft afgelegd. De verklaring van [naam aangeefster 2] dat de verdachte (mede) het bij haar geconstateerde letsel heeft veroorzaakt, wordt niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 4 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feit 1

4.3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. De verklaringen van aangeefster [naam aangeefster 1] (hierna: [naam aangeefster 1] ) zijn inconsistent, onbetrouwbaar en worden niet in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Bovendien is er geen sprake van uitbuiting en dwang als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

4.3.2.

Beoordeling

De verdenking tegen de verdachte komt er – kort gezegd – op neer dat hij zich in de periode van 1 juni 2017 tot en met 13 november 2019 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de vorm van gedwongen prostitutie van [naam aangeefster 1] .

De verdachte heeft verklaard dat hij haar niet heeft gedwongen en verder heeft hij gezwegen.

Verklaringen van [naam aangeefster 1]

Door [naam aangeefster 1] zijn bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd op 16, 18, 25 en 30 oktober 2019, 6 februari 2020, 3 en 5 maart 2020 en 28 september 2020. Deze verklaringen komen op het volgende neer.

[naam aangeefster 1] heeft de verdachte in het voorjaar van 2017 ontmoet tijdens het uitgaan. In die tijd dreigde zij haar kamer via Begeleid Wonen kwijt te raken en uiteindelijk is ze haar kamer ook kwijtgeraakt. De verdachte was hiervan op de hoogte. Hij stelde voor om haar te helpen door geld te regelen, zodat zij haar verjaardag kon vieren. De verdachte zei dat [naam aangeefster 1] daar niets geks voor hoefde te doen. Op 4 juli 2017 moest zij naar een hotel om een klant gezelschap te houden die cocaïne zou gaan gebruiken. Na afloop kreeg zij hiervoor € 200,00 van de verdachte. [naam aangeefster 1] is daarna ingetrokken bij de verdachte, omdat hij dat veiliger vond. Zij is daarna nog gedurende 2 à 3 maanden, 2 à 3 keer in de week naar diezelfde klant, genaamd [naam 1] , gegaan om hem gezelschap te houden. Zij kreeg daarvoor steeds € 200,00. In deze periode voelde [naam aangeefster 1] zich niet gedwongen door de verdachte. Op enig moment kreeg zij geld van [naam 1] om een Iphone te kopen. Hierdoor kreeg zij ruzie met de verdachte, want hij vond dat hij recht had op dat geld. Hierop werd [naam aangeefster 1] door de verdachte eind 2017/begin 2018 op straat gezet.

Na een tijdje mocht zij weer terugkomen bij de verdachte, maar dan moest ze wel voor hem werken en wat meer intiem worden met [naam 1] . Eind februari 2018 is [naam aangeefster 1] weer ingetrokken bij de verdachte. [naam aangeefster 1] werd steeds door de verdachte naar [naam 1] gebracht. Vanwege een steekincident belandde de verdachte in 2018 in detentie en kwam in juni 2018 weer vrij. Na een week werd [naam aangeefster 1] door de verdachte gebeld en moest zij weer naar een afspraak met [naam 1] . Dit was de laatste keer dat zij een afspraak met hem had. Hierna kwam er geen geld meer binnen. [naam aangeefster 1] zou volgens de verdachte een schuld bij hem hebben van € 5.000,00. Dit kwam volgens de verdachte omdat hij voor [naam aangeefster 1] had vastgezeten en omdat hij in die tijd geen inkomsten had gehad. Daarnaast zou [naam aangeefster 1] hem ook geld verschuldigd zijn voor haar verblijf in zijn woning en de kosten voor zijn advocaat. [naam aangeefster 1] voelde zich toen gedwongen de schuld terug te betalen, wat zij niet op andere wijze kon doen.

Op 5 december 2018 moest [naam aangeefster 1] van de verdachte naar een klant in [naam hotel 2] in Zwijndrecht om cocaïne te brengen en intiem te zijn. Zij zou hiervoor € 300,00 krijgen, maar dit heeft zij niet gekregen.

De verdachte verlangde van haar dat zij meer geld zou gaan verdienen door seks te hebben met klanten. Zij wilde dit niet, maar de verdachte praatte op haar in en chanteerde haar. De verdachte kende een vrouw waar [naam aangeefster 1] kon gaan werken in een woning in Nijmegen, aan de Spinklosstraat. Deze vrouw heeft een advertentie op [website 1] geplaatst voor [naam aangeefster 1] . Op de foto’s in de advertentie was [naam aangeefster 1] gekleed in lingerie en zij was werkzaam onder de naam ‘ [werknaam 1] ’. Op 25 januari 2019 heeft [naam aangeefster 1] voor het eerst gewerkt bij deze vrouw, die later genaamd bleek te zijn [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] hield bij hoeveel klanten [naam aangeefster 1] op een dag had. [naam aangeefster 1] moest [naam 2] € 100,00 per dag betalen voor het verblijf in de woning. Van het geld dat zij verdiende met de prostitutie moest zij de helft aan de verdachte afstaan. [naam aangeefster 1] voelde zich deze periode wel door de verdachte onder druk gezet in verband met de door hem gepretendeerde schuld en werd door hem omgepraat. Zij was verliefd en hij bood haar een slaapplek als zij dit werk deed, maar hij bedreigde haar nog niet.

Vanaf 20 februari 2019 tot en met 20 maart 2019 heeft [naam aangeefster 1] bij de verdachte thuis gewerkt als prostituee. Ze kreeg een telefoon van de verdachte, die gekoppeld was aan een seksadvertentie en een tweede telefoon die bestemd was voor SM-klanten. De verdachte bepaalde wanneer zij moest werken. De helft van haar opbrengsten moest ze afstaan aan de verdachte en haar schuld was inmiddels door de verdachte verhoogd naar € 10.000,00. De verdiensten die de verdachte (door het prostitutiewerk dat zij deed) ontving zag hij niet als aflossing op de door hem gestelde schuld, maar als inkomsten voor hemzelf. Ze moest werken voor de verdachte, want anders zou zij, zo had hij gezegd, in de problemen komen.

Op een gegeven moment wilde de verdachte geen klanten meer in zijn huis. [naam aangeefster 1] moest toen haar klanten in hotels ontvangen. Zowel [naam aangeefster 1] als de verdachte boekten de kamers van de hotels. De verdachte regelde via WhatsApp klanten voor [naam aangeefster 1] . Eind augustus 2019 heeft [naam aangeefster 1] de verdachte gezegd dat zij het werk echt niet meer wilde doen. Hierop ontstond een ruzie. De verdachte zei dat hij bepaalde of zij wel of niet zou werken. Hij pakte [naam aangeefster 1] vervolgens bij haar haren en gooide haar op de grond. Ook heeft hij haar geprobeerd te wurgen. Daarnaast zei hij dat hij haar altijd wist te vinden, haar zou beroven van haar geld en haar iets aan zou doen. [naam aangeefster 1] heeft het werk toen nog volgehouden tot september 2019.

Op 11 september 2019 is zij vanuit een hotel in Middelburg, waar zij een klant moest ontvangen, gevlucht en naar een vriendin gegaan. Vervolgens ontving zij meerdere dreigende berichten van de verdachte. Niet alleen [naam aangeefster 1] werd in deze berichten bedreigd, maar ook haar moeder en andere familieleden. Ook stuurde de verdachte een foto van [naam aangeefster 1] op Sexjobs.nl door en zei dat hij deze foto aan iedereen in Maastricht zou laten zien. Uit angst is [naam aangeefster 1] weer teruggegaan naar de verdachte. Zij moest vervolgens 2 maanden lang volop elke dag voor hem werken in de prostitutie om haar schuld af te betalen. De verdachte bepaalde wanneer en hoeveel zij moest werken. De verdachte regelde nog steeds alle klanten. Uiteindelijk heeft [naam aangeefster 1] gedurende een week in verschillende hotels gewerkt als prostituee. Al het geld dat zij die week had verdiend moest zij aan de verdachte afstaan.

Betrouwbaarheid verklaringen [naam aangeefster 1]

De verklaring van [naam aangeefster 1] wordt op diverse essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Dat er sprake was van prostitutie waar de verdachte bij betrokken was blijkt uit het volgende. Gezien de boekingsgegevens van hotels zijn in de ten laste gelegde periode meermalen door zowel [naam aangeefster 1] als de verdachte kamers geboekt. Ook [naam 1] ; hierna [naam 1] ) heeft weleens een kamer geboekt. [naam 1] is gehoord als getuige en heeft [naam aangeefster 1] op de foto herkend als één van de meisjes met wie hij, via de verdachte, afsprak in hotels. Hij betaalde hiervoor verschillende bedragen, soms € 600,00, soms € 1.000,00 en soms € 2.000,00. Deze bedragen moest hij aan de verdachte betalen. Daarnaast zijn de seksadvertenties onderzocht die door [naam aangeefster 1] zijn genoemd. Hierbij werden, conform de omschrijving van [naam aangeefster 1] , advertenties getraceerd met de werknaam ‘ [werknaam 1] ’ op [website 1] en ‘ [werknaam 2] ’ op [website 2] . De verklaring van [naam aangeefster 1] wordt verder ondersteund door de verklaring van de getuige [naam getuige 1] . Zij wist dat [naam aangeefster 1] in de prostitutie werkzaam was. De verdachte had haar verteld dat hij met [naam aangeefster 1] samenwerkte.

De verklaring van [naam aangeefster 1] dat zij vanaf enig moment door de verdachte onder druk werd gezet omdat zij volgens hem een schuld moest aflossen, wordt ondersteund door de screenshots van Snapchatberichten die de verdachte - naderhand - naar haar heeft gestuurd. Daarin geeft de verdachte aan dat zij hem geld schuldig is, dat zij niks had en door hem onderdak had en dat zij gratis in zijn huis heeft geleefd.

[naam 2] heeft ontkend dat [naam aangeefster 1] zich prostitueerde in haar huis. Echter die ontkenning verdient geen geloof, nu [naam aangeefster 1] op drie dagen foto’s heeft gemaakt in het huis van [naam 2] , waar [naam 2] geen verklaring voor heeft gegeven.

De verklaring van [naam aangeefster 1] dat de verdachte haar vanaf enig moment met geweld dwong terwijl zij met de prostitutie wilde stoppen, vindt steun in de verklaring van de getuige [naam getuige 2] . Zij heeft verklaard dat zij realtime app contact had met [naam aangeefster 1] toen zij uit het hotel in Zeeland vluchtte en dat [naam aangeefster 1] haar al een week eerder vertelde dat zij weg wilde en dat de verdachte steeds vijandiger werd. Deze getuige heeft ook verklaard dat [naam aangeefster 1] haar regelmatig locaties stuurde voor het geval er iets met haar zou gebeuren.

Nu de verklaringen van [naam aangeefster 1] op verschillende essentiële punten door de overige stukken in het dossier worden ondersteund en voldoende consistent zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en deze bij haar oordeel buiten beschouwing te laten. De rechtbank gaat derhalve van die verklaringen uit.

Mensenhandel

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich, in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals ten laste gelegd. De tenlastelegging is geënt op de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr

Voor een bewezenverklaring van een tenlastelegging geënt op artikel 273f lid 1 sub 1 moet sprake zijn van één of meer in de in het eerste onderdeel van dit wetsartikel genoemde dwangmiddelen en gedragingen, met het oogmerk van uitbuiting.

Dwangmiddelen en gedragingen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [naam aangeefster 1] vanaf een zeker moment door dwang en (dreiging met) geweld heeft geworven, vervoerd en gehuisvest. Ook heeft de verdachte dit gedaan door misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Hiervan is volgens de wetgever sprake als een prostituee verkeert of komt te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland verkeert. Nu de verdachte bepaalde wanneer [naam aangeefster 1] moest werken en zij in ieder geval een groot gedeelte van haar opbrengsten, in de laatste periode al haar opbrengsten, aan hem af moest staan, is sprake van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt. Ook heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [naam aangeefster 1] zich bevond. [naam aangeefster 1] dreigde haar woning kwijt te raken op het moment dat zij de verdachte ontmoette in het voorjaar van 2017. Zij mocht, toen zij haar kamer verloor, bij de verdachte intrekken en hierdoor raakte zij afhankelijk van de verdachte. [naam aangeefster 1] en verschillende getuigen hebben verklaard dat [naam aangeefster 1] geen geld had, geen eigen onderdak had en dat zij ook niet bij haar moeder terecht kon. De verdachte had wetenschap van deze kwetsbare positie waarin [naam aangeefster 1] zich bevond en hij heeft hier misbruik van gemaakt. De rechtbank weegt daarbij mee dat uit de verklaring van de maatschappelijk werkster van Humanitas blijkt dat [naam aangeefster 1] een kwetsbaar, naïef meisje is met een ontwikkelingsachterstand en met een indicatie voor een licht verstandelijke beperking.
De verdachte heeft dit gedurende enige tijd in vereniging gedaan met [naam 2] .

(oogmerk van) uitbuiting

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie (onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099) blijkt dat per definitie van uitbuiting wordt gesproken indien sprake is van gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie, omdat de lichamelijke integriteit altijd in het geding is. De aard van het te verrichten werk (i.c. het gedwongen verrichten van seksuele handelingen met derden) is in deze uitleg van groot gewicht. Gelet op dit uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van (het oogmerk van) uitbuiting.

Conclusie artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte door dwang, (dreiging met) geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, [naam aangeefster 1] heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook bewezen.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 4 en 9 Sr

De verdachte heeft door middel van de hiervoor genoemde dwangmiddelen [naam aangeefster 1] gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten en hem te bevoordelen uit de opbrengst van deze werkzaamheden. Dat de verdachte financieel profiteerde blijkt niet alleen uit de verklaring van [naam aangeefster 1] , te weten dat zij een groot deel van haar verdiensten moest afdragen aan de verdachte en dat zij de laatste periode helemaal niets meer kreeg, maar ook uit het feit dat de klant [naam 1] zowel het hotel betaalde als € 600,00 tot € 2.000,00 per keer aan de verdachte voor de dame en 2 gram cocaïne, terwijl [naam aangeefster 1] slechts
€ 200,00 per keer van de verdachte kreeg. Ook deze onderdelen van de tenlastelegging acht de rechtbank daarom bewezen.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1 sub 6 Sr

[naam aangeefster 1] heeft zoals gezegd in de periode dat zij gedwongen als prostituee heeft gewerkt steeds een gedeelte van haar verdiensten en op een gegeven moment zelfs al haar verdiensten aan de verdachte moeten afstaan. De verdachte is door dit geld verrijkt. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [naam aangeefster 1] .

4.3.3.

Conclusie

Bewezen is het onder 1 tenlastegelegde.

4.4.

Bewijswaardering feit 3

4.4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Er is geen sprake van uitbuiting en dwang als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

4.4.2.

Beoordeling

De verdenking tegen de verdachte komt er – kort gezegd – op neer dat hij zich in de periode van 1 februari 2017 tot en met 1 januari 2018 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de vorm van gedwongen prostitutie.

Verklaringen van [naam getuige 3]

(hierna: [naam getuige 3] ) is op 7 februari 2020 als getuige gehoord bij de politie. Zij heeft verklaard dat zij op 9 mei 2017 door de verdachte in de auto is getrokken en door hem in elkaar is geslagen. Zij werd ook door hem bedreigd. Op 21 september 2017 is zij opnieuw in elkaar geslagen in de woning van de verdachte. Dit kwam volgens [naam getuige 3] wel vaker voor. Dan maakte de verdachte haar kleren kapot en/of gooide hij haar op de grond. De verdachte pakte haar OV- en ID-kaart af, zodat zij niet weg kon gaan. Toen zei de verdachte leerde kennen was zij naar eigen zeggen de weg kwijt.

Op 15 oktober 2020 is [naam getuige 3] gehoord bij de rechter-commissaris. Daar heeft zij verklaard dat zij bij de politie bang was om te praten, vanwege haar eigen veiligheid. Ze moest van de verdachte alles tegen haar wil in doen en werd door hem bedreigd en geslagen. Zo moest zij cocaïne brengen naar een “opa” in een hotel. De verdachte duwde haar naar binnen en wachtte dan beneden op haar. Er werd met haar lichaam/vagina gespeeld en er werd ook cocaïne van haar lichaam gesnoven. Als ze dit niet deed, werd ze door de verdachte geslagen. De verdachte liet haar niet eten en ze mocht niet naar school. Hij was 24/7 bij haar en hield haar in de gaten. [naam getuige 3] kreeg voor haar werkzaamheden geen geld.

Betrouwbaarheid verklaring [naam getuige 3]

De verklaringen van [naam getuige 3] worden op diverse essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Hetgeen is verklaard over het geweld door de verdachte wordt ondersteund door politiemutaties, onder meer die van 9 mei 2017, waarbij de melding was dat [naam getuige 3] een auto werd ingetrokken en die van 21 september 2017 waarin de politie bij een verkeerscontrole vaststelde dat [naam getuige 3] onder het bloed in de auto bij de verdachte zat. Verder heeft [naam aangeefster 1] verklaard dat [naam getuige 3] één van de meisjes was die voor de verdachte werkte en ook weleens naar [naam 1] in het hotel moest als zij niet kon. [naam getuige 3] heeft haar verteld dat zij al langer voor de verdachte werkte. De getuige [naam 1] heeft verklaard dat hij ook wel eens andere meisjes dan [naam aangeefster 1] ontving en dat hij voor deze bezoekjes altijd aan de verdachte moest betalen. Daarnaast hebben zowel de getuige [naam aangeefster 2] als de getuige Winterdal verklaard dat [naam getuige 3] werkzaam was voor de verdachte.
Gezien dit alles heeft de rechtbank geen reden om aan de verklaring van [naam getuige 3] te twijfelen en zal de rechtbank daarvan uitgaan.

Mensenhandel

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals tenlastegelegd. De tenlastelegging is geënt op de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr

Voor een bewezenverklaring van een tenlastelegging geënt op artikel 273f lid 1 sub 1 moet sprake zijn van één of meer in de in het eerste onderdeel van dit wetsartikel genoemde dwangmiddelen en gedragingen, met het oogmerk van uitbuiting.

Dwangmiddelen en gedragingen

De verdachte heeft [naam getuige 3] door dwang en (dreiging met) geweld vervoerd en gehuisvest. Ook heeft de verdachte dit gedaan door misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Hiervan is volgens de wetgever sprake als een prostituee verkeert of komt te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland verkeert. Nu de verdachte bepaalde wanneer [naam getuige 3] moest werken en zij geen opbrengsten kreeg voor deze werkzaamheden, is sprake van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt. Ook heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [naam getuige 3] zich bevond.

(oogmerk van) uitbuiting

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie (onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099) blijkt dat per definitie van uitbuiting wordt gesproken indien sprake is van gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie, omdat de lichamelijke integriteit altijd in het geding is. De aard van het te verrichten werk (i.c. het gedwongen verrichten van seksuele handelingen met derden) is in deze uitleg van groot gewicht. Gelet op dit uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van (het oogmerk van) uitbuiting.

Conclusie artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte door dwang, (dreiging met) geweld, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie, [naam getuige 3] heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank acht dan ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 4 en 9 Sr

De verdachte heeft door middel van de hiervoor genoemde dwangmiddelen [naam getuige 3] gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten en hem te bevoordelen uit de opbrengst van deze werkzaamheden. Ook deze onderdelen van de tenlastelegging acht de rechtbank daarom bewezen.

4.4.3.

Conclusie

Bewezen is het onder 3 tenlastegelegde.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij,

(op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2017

tot en met 13 november 2019 te Spijkenisse en/of Nijmegen en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [naam slachtoffer 1] (werknaam o.a. [werknaam 1] en/of [werknaam 2] ),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek

van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld, door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik

van een kwetsbare positie die [naam slachtoffer 1]

1) heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft

ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [naam slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar

zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard)

(artikel 273f lid 1 sub 4) en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en zijn mededader te

bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam slachtoffer 1] met of

voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die

[naam slachtoffer 1] (artikel 273f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld en die dreiging met geweld

hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [naam slachtoffer 1] (onder andere door die [naam slachtoffer 1] bij de keel te grijpen en aan de haren te trekken

);

- het bedreigen van die [naam slachtoffer 1] en/of haar familieleden met de dood en/of het

dreigen die [naam slachtoffer 1] en/of haar familieleden te zullen slaan en/of stompen

en/of in elkaar te slaan;

- foto's te (laten) maken van die [naam slachtoffer 1] zonder of slechts in weinig

verhullende kleding en waardoor bij die [naam slachtoffer 1] de vrees ontstond dat

(een) ander(en) kennis van die foto's zouden kunnen krijgen;

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [naam slachtoffer 1] als prostituee

werkzaam was;

- het zich op boze en agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of

overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam slachtoffer 1] ;

- het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [naam slachtoffer 1] (onder

andere door die [naam slachtoffer 1] voortdurend te blijven benaderen via de telefoon);

- het brengen en/of houden van die [naam slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over

haar eigen financiële middelen kon beschikken;

- het laten betalen van zijn, verdachtes, schulden door die [naam slachtoffer 1] ;

en/of waarbij voornoemde (onder 2) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten verblijven van die [naam slachtoffer 1] in zijn, verdachtes woning/in de

woning van zijn, verdachtes, mededader(s) (in een woning in Nijmegen) en/of

het ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer 1] );

- het onderbrengen van die [naam slachtoffer 1] in de woning van verdachte en/of zijn

mededader(s), terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voor dat onderdak als

tegenprestatie seksuele diensten van die [naam slachtoffer 1] zouden worden verlangd;

- het boeken en/of ter beschikking stellen van hotelkamer(s) als werkplek voor

die [naam slachtoffer 1] ;

- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [naam slachtoffer 1] ;

- het (laten) maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s)

waarin die [naam slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken

van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam slachtoffer 1]

werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het geven van uitleg en/of instructie aan die [naam slachtoffer 1] met betrekking tot

de door die [naam slachtoffer 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met

(potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [naam slachtoffer 1] en/of het maken van

afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de

prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [naam slachtoffer 1] moest aannemen voor haar

prostitutiewerkzaamheden;

- het ter beschikking stellen van een (werk)telefoon voor de

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer 1] ;

- het begeleiden van die [naam slachtoffer 1] bij/naar escortwerkzaamheden;

3.

hij,

in de periode van 1 februari 2017 tot en met 1 januari 2018 te

Spijkenisse en/of elders in Nederland

een ander, genaamd [naam slachtoffer 2] ,

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek

van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld , door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik

van een kwetsbare positie die [naam slachtoffer 2] ,

1) heeft vervoerd en gehuisvest met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid l sub 4), en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te

bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam slachtoffer 2] met of

voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

waarbij dat geweld en die dreiging met geweld

hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [naam slachtoffer 2] (onder andere door die [naam slachtoffer 2] te slaan);

- het kapot maken van kleding van die [naam slachtoffer 2] ;

- het dwingen althans bewegen van die [naam slachtoffer 2] om (onvrijwillig) deviante seksuele handelingen

te ondergaan en te

dulden;

- het (in ernstige mate)

beperken van de bewegingsvrijheid van die [naam slachtoffer 2] ;

- het zich op agressieve en/of (anderszins) dreigende wijze te uiten tegen die [naam slachtoffer 2] ;

.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1: mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: mensenhandel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich in de periode van 1 juni 2017 tot en met 13 november 2019 schuldig gemaakt aan mensenhandel van [naam aangeefster 1] . Daarnaast heeft hij zich in de periode van 1 februari 2017 tot en met 1 januari 2018 schuldig gemaakt aan mensenhandel van [naam getuige 3] . Hij heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van zijn beide slachtoffers en hen gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Daarbij moest [naam aangeefster 1] een groot gedeelte van haar opbrengsten aan de verdachte afstaan en heeft [naam getuige 3] nooit enige opbrengst gehad. De verdachte bepaalde wanneer zij moesten werken en gebruikte geweld en bedreigingen als zij dit niet wilden.

Mensenhandel waarbij iemand gedwongen wordt om in de prostitutie te werken is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter. Door het handelen van de verdachte zullen [naam aangeefster 1] en [naam getuige 3] , naar de ervaring leert, nog gedurende zeer lange tijd psychische en emotionele schade ondervinden. Gelet op de inbreuk die wordt gemaakt op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid en de persoonlijke vrijheid en integriteit, verdient mensenhandel naar het oordeel van de rechtbank een forse bestraffing.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 augustus 2020. Dit rapport houdt – kort gezegd – het volgende in.

Uit ons onderzoek komen enkele aandachtspunten (potentiele risico verhogende factoren) naar voren. Zo zijn er aanwijzingen voor een mogelijke licht verstandelijke beperking. Een IQ-onderzoek dient dit nader vast te stellen. Achterliggend kan gesteld worden dat hij vanwege een intensieve behandeling voor leukemie als kind een scholingsachterstand heeft opgelopen. Na het volgen van speciaal onderwijs heeft hij geen diploma('s) weten te behalen, waardoor hij niet over een goede startkwalificatie voor de arbeidsmarkt beschikt. Betrokkene beschikt in wisselende mate over (magazijn)werk via een uitzendbureau. Hij heeft daarnaast een structureel inkomen middels een Wajong-uitkering. Betrokkene staat open voor praktische ondersteuning. Een organisatie als Humanitas DMH zou hem op gebieden als huisvesting, werk en inkomen (schulden) deze ondersteuning kunnen bieden. Het toewerken naar stabiliteit op deze leefgebieden heeft in het algemeen een beschermend effect als het gaat om recidiverisico's. Indien betrokkene schuldig wordt bevonden is nader psychologisch onderzoek in relatie tot delictgedrag eveneens aan te bevelen. Het sterke antisociale karakter van de tenlastelegging en de daarnaast geconstateerde aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking geven daartoe aanleiding.

Bij een veroordeling adviseren wij een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling, contactverbod en ambulante begeleiding.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 3 rekening gehouden met het tijdsverloop. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat [naam aangeefster 1] niet de gehele periode gedwongen in de prostitutie heeft gewerkt, dat het geweld bij haar pas aan het einde van de ten laste gelegde periode is begonnen en dat [naam getuige 3] niet heel vaak prostitutiewerkzaamheden heeft moeten verrichten. Voorts acht de rechtbank minder bewezen dan de officier van justitie. De rechtbank zal om die redenen een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert primair een vergoeding van € 95.664,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade. Subsidiair vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 53.964,00 en een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 600,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de vordering van [naam benadeelde 1] als die van [naam benadeelde 2] geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat beide vorderingen primair niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op het verzoek tot vrijspraak. Subsidiair kan ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet duidelijk worden vastgesteld wat de gederfde inkomsten zijn geweest. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding zijn om dit uit te zoeken. De materiële kosten zijn niet onderbouwd met stukken.

8.3.

Beoordeling

[naam benadeelde 1]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dat deel van de vordering worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 november 2019.

[naam benadeelde 2]

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde feit.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodigt vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

2. de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie CoVa (plus) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. de veroordeelde zal zich laten onderzoeken en zo nodig laten behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

4. de veroordeelde zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met [naam aangeefster 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod

5. de veroordeelde zal meewerken aan ambulante begeleiding vanuit Humanitas DMH of een soortgelijke instelling.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. den Haan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij,

(op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2017

tot en met 13 november 2019 te Spijkenisse en/of Nijmegen en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [naam slachtoffer 1] (werknaam o.a. [werknaam 1] en/of [werknaam 2] ),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek

van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een

andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid

en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik

van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of

voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over

die [naam slachtoffer 1] heeft,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft

ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [naam slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar

zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard)

(artikel 273f lid 1 sub 4) en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam slachtoffer 1] met of

voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die

[naam slachtoffer 1] (artikel 273f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld

of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [naam slachtoffer 1] (onder andere door die [naam slachtoffer 1] te slaan

en/of aan/bij de keel te grijpen en/of te duwen en/of aan de haren te trekken

en/of aan de haren door de kamer te trekken/sleuren);

- het dwingen, althans bewegen, van die [naam slachtoffer 1] om (onvrijwillig) onveilige

en/of door die [naam slachtoffer 1] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele

handelingen van en/of met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te ondergaan

en/of te dulden;

- het bedreigen van die [naam slachtoffer 1] en/of haar familieleden met de dood en/of het

dreigen die [naam slachtoffer 1] en/of haar familieleden te zullen slaan en/of stompen

en/of in elkaar te slaan;

- foto's te (laten) maken van die [naam slachtoffer 1] zonder of slechts in weinig

verhullende kleding en/of waardoor bij die [naam slachtoffer 1] de vrees ontstond dat

(een) ander(en) kennis van die foto's zouden kunnen krijgen;

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [naam slachtoffer 1] als prostituee

werkzaam was;

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of

overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam slachtoffer 1] ;

- het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [naam slachtoffer 1] (onder

andere door die [naam slachtoffer 1] voortdurend te blijven benaderen via de telefoon);

- het brengen en/of houden van die [naam slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over

haar eigen financiële middelen kon beschikken;

- het laten betalen van zijn, verdachtes, schulden door die [naam slachtoffer 1] ;

en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten verblijven van die [naam slachtoffer 1] in zijn, verdachtes woning/in de

woning van zijn, verdachtes, mededader(s) (in een woning in Nijmegen) en/of

het ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer 1] );

- het onderbrengen van die [naam slachtoffer 1] in de woning van verdachte en/of zijn

mededader(s), terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voor dat onderdak als

tegenprestatie seksuele diensten van die [naam slachtoffer 1] zouden worden verlangd;

- het regelen van een woonadres voor die [naam slachtoffer 1] ;

- het boeken en/of ter beschikking stellen van hotelkamer(s) als werkplek voor

die [naam slachtoffer 1] ;

- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [naam slachtoffer 1] ;

- het (laten) maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s)

waarin die [naam slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het "omhoog plaatsen")

van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam slachtoffer 1]

werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het geven van uitleg en/of instructie aan die [naam slachtoffer 1] met betrekking tot

de door die [naam slachtoffer 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met

(potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [naam slachtoffer 1] en/of het maken van

afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de

prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [naam slachtoffer 1] moest aannemen voor haar

prostitutiewerkzaamheden;

- het instrueren van die [naam slachtoffer 1] (per telefoon) wanneer zij klaar moest staan

voor prostitutiewerkzaamheden;

- het ter beschikking stellen van een (werk)telefoon voor de

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer 1] ;

- het begeleiden van die [naam slachtoffer 1] bij/naar escortwerkzaamheden;

2.

hij,

in of omstreeks de periode van 01 oktober 2019 tot en met 13 november 2019 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, in elk geval in Nederland,

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met

zware mishandeling,

door die [naam slachtoffer 1] (via voicemail) dreigend de woorden toe te voegen dat hij,

verdachte, haar de tering in zal slaan, dit met de kankervuist zal doen en

haar zal blijven geven, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking;

3.

hij,

in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 1 januari 2018 te

Spijkenisse en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [naam slachtoffer 2] ,

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek

van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een

andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid

en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik

van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of

voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over

die [naam slachtoffer 2] heeft,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft

ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [naam slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar

zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard)

(artikel 273f lid l sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam slachtoffer 2] met of

voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam slachtoffer 2]

(artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld

of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [naam slachtoffer 2] (onder andere door die [naam slachtoffer 2] te slaan);

- het kapot maken van kleding van die [naam slachtoffer 2] ;

- het dwingen althans bewegen van die [naam slachtoffer 2] om (onvrijwillig) onveilige en/of

door die [naam slachtoffer 2] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen

van en/of met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te ondergaan en/of te

dulden;

- het bedreigen van die [naam slachtoffer 2] met de dood;

- het opsluiten en/of opgesloten houden, althans het (in ernstige mate)

beperken van de bewegingsvrijheid van die [naam slachtoffer 2] ;

- het dreigen op internet foto’s en/of filmpjes te publiceren van voor die

[naam slachtoffer 2] compromitterende aard;

- het dreigen aan anderen te vertellen dat die [naam slachtoffer 2] als prostituee werkzaam

was;

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of

overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam slachtoffer 2] ;

- het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [naam slachtoffer 2] (onder

andere door die [naam slachtoffer 2] voortdurend te blijven benaderen via de telefoon);

- het brengen en/of houden van die [naam slachtoffer 2] in een positie waar zij niet over

haar eigen financiële middelen kon beschikken;

en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten verblijven van die [naam slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, woning/in de woning

van zijn, verdachtes, mededader(s) en/of het ter beschikking stellen van die

woning als werkplek (voor prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer 2] );

- het onderbrengen van die [naam slachtoffer 2] in de woning van verdachte en/of zijn

mededader(s) terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voor dat onderdak als tegenprestatie

seksuele diensten van die [naam slachtoffer 2] zouden worden verlangd;

- het boeken en/of ter beschikking stellen van hotelkamer(s) als werkplek voor

die [naam slachtoffer 2] ;

- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [naam slachtoffer 2] ;

- het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die

[naam slachtoffer 2] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het "omhoog plaatsen")

van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam slachtoffer 2] werd

aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het geven van uitleg en/of instructie aan die [naam slachtoffer 2] met betrekking tot de

door die [naam slachtoffer 2] te verrichten prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met

(potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [naam slachtoffer 2] en/of het maken van

afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de

prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [naam slachtoffer 2] moest aannemen voor haar

prostitutiewerkzaamheden;

- het instrueren van die [naam slachtoffer 2] (per telefoon) wanneer zij klaar moest staan

voor prostitutiewerkzaamheden;

- het ter beschikking stellen van een (werk)telefoon voor de

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer 2] ;

- het begeleiden van die [naam slachtoffer 2] bij/naar escortwerkzaamheden;

4.

hij,

op of omstreeks 26 maart 2017 te Rotterdam, op of aan de openbare weg,

Dordtsestraatweg, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 3] , welk geweld

bestond uit het (meermalen):

- slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 3] en/of

- schoppen en/of trappen in/tegen de buik, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 3]

(terwijl die [naam slachtoffer 3] op de grond lag);

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 26 maart 2017 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[naam slachtoffer 3] heeft mishandeld door:

- die [naam slachtoffer 3] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of te

stompen en/of

- die [naam slachtoffer 3] (meermalen) in de buik, althans het lichaam, te schoppen en/of te

trappen (terwijl die [naam slachtoffer 3] op de grond lag).