Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
10/662030-18 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming opbrengsten medeplegen hennepteelt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/662030-18

Datum uitspraak: 18 november 2020

Tegenspraak

VONNIS (ontneming) (mk)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres veroordeelde] ,

raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2020.

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 18 november 2020 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbaar feit. Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. J. Verschuren, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 9.000,00.

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

VERWEREN

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op € 9.000,00. Op basis van de overschrijding van de redelijke termijn zou dit bedrag echter lager moeten uitvallen. Daarnaast verzoekt de verdediging om rekening te houden met de vordering die de belastingdienst op de veroordeelde heeft. Gelet daarop zou de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen moeten worden, dan wel aanzienlijk moeten worden gematigd.

STRAFBAAR FEIT WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

1. Blijkens het vonnis van 18 november 2020 is de veroordeelde onder andere veroordeeld ter zake van:

- medeplegen van het in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van het hiervoor vermelde strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen.

Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op € 9.000,00.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt het volgende overwogen.

De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de verklaring van de veroordeelde. Hieruit blijkt dat hij één keer € 3.000,00 heeft ontvangen en drie keer € 2.000,00. Dit komt in totaal uit op een bedrag van € 9.000,00.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald. Niet is gebleken dat de veroordeelde al iets heeft betaald aan de belastingdienst, zodat daar in deze procedure geen rekening mee wordt gehouden. Er is dus geen aanleiding om vast te stellen dat de veroordeelde minder wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. De compensatie tot welke deze overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, is reeds toegepast in de hoofdzaak. Mede gelet daarop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak enig rechtsgevolg te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn en zal de rechtbank met de enkele constatering daarvan volstaan.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 9.000,00 (zegge: negenduizend euro);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 9.000,00 (zegge: negenduizend euro);

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van
Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. den Haan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 november 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.