Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10534

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
10/702022-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot internetoplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/702022-20

Datum uitspraak: 19 november 2020

Tegenspraak

Verkort vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2006,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

Raadsman: mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 5 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een leerstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject Tools4U regulier van de Raad voor de Kinderbescherming.

4. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van poging tot oplichting.

5.1.2.

Standpunt van de verdediging - bewijsuitsluiting

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de politie op onrechtmatige wijze toegang heeft verkregen tot de telefoon van de verdachte, doordat hem is gevraagd de toegangscode van zijn telefoon te geven voordat de minderjarige verdachte met zijn advocaat had gesproken en zonder dat hem is gezegd dat hij daaraan niet hoefde mee te werken. Dat levert een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer op en moet leiden tot bewijsuitsluiting, waarna vrijspraak zal dienen te volgen.

5.1.3.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt hierover als volgt.

Op basis van het beschikbare procesdossier is een aantal feitelijke stellingen van de raadsman niet te weerleggen en daarom gaat de kinderrechter van de juistheid daarvan uit. Zo neemt de kinderrechter op basis van de verklaringen van de verdachte aan dat een politieagent naar zijn cel is gekomen en aan hem de toegangscode van zijn telefoon heeft gevraagd. Dit is gebeurd ergens na zijn aanhouding op 17 februari 2020, maar voordat hij zijn advocaat voor het eerst had gesproken en zonder dat hem daarbij is gezegd dat hij niet verplicht was om die toegangscode te geven. Hierna heeft de verdachte de toegangscode van zijn telefoon gegeven.

De vraag die beantwoordt moet worden naar aanleiding van het verweer van de raadsman is of er sprake is geweest van een onrechtmatigheid in het voorbereidend opsporingsonderzoek en zo ja, welke consequentie daaraan verbonden moet worden.

Kennelijk is het verweer gestoeld op de gedachte dat aan de verdachte de vraag om zijn telefooncode te geven niet had mogen worden gesteld voordat hij met zijn advocaat had gesproken én niet zonder dat hem daarbij was verteld dat hij niet verplicht was om daaraan mee te werken. Was het één, dan wel het ander wel gebeurd, dan had de verdachte niet meegewerkt en de code niet gegeven. Hoewel de raadsman dat niet met zoveel woorden heeft aangevoerd, ziet het verweer daarmee blijkbaar op schending van het fair trial-beginsel door inbreuk op het recht op rechtsbijstand (een ‘Salduz-verweer’) en op het recht tegen zelfincriminatie (het nemo tenetur-beginsel).

De door de raadsman aangevoerde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer laat de kinderrechter verder onbesproken, aangezien volgens vaste jurisprudentie van zowel de Hoge Raad der Nederlanden (HR) als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een inbreuk op artikel 8 (recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet zonder meer leidt tot een inbreuk op artikel 6 van het EVRM (recht op een eerlijk proces ofwel het fair trial–beginsel) en dus ook niet tot de hier door de raadsman bepleite schending van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De raadsman heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat in dit geval dat anders zou liggen.

Ten aanzien van het recht op rechtsbijstand (in dit geval specifiek het recht op consultatiebijstand) is de jurisprudentie bestendig: “Toepassing van bewijsuitsluiting kan noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven. (Bij) schending van het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349) (…) is - zodra vaststaat dat zich een zodanig vormverzuim heeft voorgedaan - de ruimte om (…) af te zien van de toepassing van bewijsuitsluiting (zeer) beperkt”, aldus de HR (19 februari 2013, ECLI:NL:HR:BY5321).

Maar dit recht en deze jurisprudentie ziet op de situatie waarbij er sprake is van het verkrijgen van bewijsmateriaal in de vorm van de verklaring van de verdachte door een inhoudelijk verhoor, waarbij de inhoud van het verhoor belastend is of kan zijn voor de verdachte. Dat is niet de situatie waar het hier om draait. Hier gaat het om de situatie waarin de politie al de beschikking heeft over een mogelijke bron van belastend bewijsmateriaal – de telefoon – maar daar (nog) geen toegang toe heeft. De politie heeft hem gevraagd toegang te verlenen tot zijn telefoon. Dat is evenwel geen inhoudelijk verhoor, dat is een opsporingshandeling. De inhoud van de telefoon bestaat, ook als de verdachte weigert mee te werken aan de ontsluiting daarvan, en de inhoud van de telefoon mag onderzocht worden. Die situatie ligt dicht tegen het afleggen van een verklaring aan, maar kan daarmee niet gelijk worden gesteld. Waar de Salduz-jurisprudentie is gegrond op de notie dat de wil van de verdachte om niet inhoudelijk te verklaren over de verdenking gerespecteerd moet worden, is hier meer specifiek de vraag aan de orde of aan de verdachte gevraagd mag worden of hij belastend bewijsmateriaal beschikbaar maakt. Weliswaar kan het recht op rechtsbijstand gezien worden als een verschijningsvorm van het recht tegen zelfincriminatie, het zijn echter niet exact dezelfde rechten en zijn er verschillen in de uitwerking van deze rechten in de jurisprudentie van de HR en het EHRM. Opmerking verdient ook dat de Salduz-jurisprudentie zich niet uitstrekt over alle opsporingshandelingen en dus niet met zich brengt dat de verdachte recht heeft op rechtsbijstand bij of voorafgaand aan alle opsporingshandelingen.

Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de vraag die aan de verdachte gesteld is een inbreuk kan vormen op het nemo-teneturbeginsel maar dat die inbreuk niet per definitie ontoelaatbaar behoeft te zijn. Het belang van een verdachte dat bewijsmateriaal dat wijst op zijn betrokkenheid bij het gepleegde feit niet wordt ontdekt, is niet een rechtens te respecteren belang. Onderliggend beschermd belang is dat er geen ontoelaatbare dwang op een verdachte mag worden uitgeoefend. De aanvaardbaarheid daarvan toetst het EHRM aan de hand van vier factoren:

1. de aard en mate van dwang;

2. het gewicht van het publiek belang;

3. de aanwezigheid van relevante waarborgen in de procedure;

4. de manier waarop het afgedwongen materiaal wordt gebruikt.

Beoordeling van deze factoren draagt in de Nederlandse rechtspraktijk ook bij aan het beantwoorden van de vraag welk gevolg er vervolgens verbonden dient te worden aan de constatering dat er sprake is van inbreuk op het nemo-teneturbeginsel en daarmee van een verzuim in de zin van artikel 359a Sv: niet-ontvankelijkverklaring, bewijsuitsluiting, strafmatiging of de constatering van het verzuim.

In deze zaak is de aard en mate van dwang beperkt gebleven tot het stellen van een vraag in de context van de feitelijke situatie. De navolgende omstandigheden zijn daarbij relevant.

De 14-jarige verdachte is om 7:15 uur buiten heterdaad thuis aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, alwaar hij om 7:48 uur is aangekomen. Zowel bij zijn aanhouding als bij zijn voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie om 8:31 uur is aan de verdachte verteld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Bij zijn voorgeleiding is hem verteld dat hij recht heeft op overleg met een advocaat. Hij heeft om 10:10 uur zijn raadsman gesproken. Voordien was de politieagent al bij de verdachte geweest en heeft hij de verdachte gevraagd om zijn toegangscode.

De kinderrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden maar in zeer beperkte mate dwang op de verdachte is uitgeoefend bij het stellen van die vraag. Nergens blijkt uit dat op de verdachte meer druk is uitgeoefend dan door het stellen van die vraag in afwezigheid van zijn raadsman of een vertrouwenspersoon. Daar komt bij dat tegen de verdachte ten minste éénmaal, mogelijk tweemaal voorafgaand aan het stellen van die vraag al was gezegd dat hij niet verplicht was om antwoord te geven op vragen, te weten bij zijn aanhouding en zijn voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie.

Verder constateert de kinderrechter dat de verdachte bij zijn voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie in het vooruitzicht was gesteld dat hij zijn raadsman zou gaan spreken. Dat maakt dat voor de verdachte ook de reële mogelijkheid bestond om te weigeren de toegangscode te geven of daarmee te wachten tot hij zijn raadsman had gesproken. De leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat hij was aangehouden zijn onvoldoende om van meer dan enige dwang te spreken.

Ten aanzien van de manier waarop het afgedwongen materiaal wordt gebruikt, stelt de kinderrechter vast dat de gegevens die op de telefoon zijn aangetroffen, belastend bewijsmateriaal vormen, maar niet het enige of in overwegende mate beslissende bewijsmateriaal zijn. In het procesdossier bevinden zich onder meer nog de verklaringen van getuigen en de bevindingen aangaande de camerabeelden en de bestelde goederen, waaronder de adressering en tenaamstelling van het pakket en de herkenning van de verdachten. De verdachte heeft daarnaast geen geloofwaardige verklaring weten te geven voor het feit dat hij, kort nadat een pakketje was afgeleverd, naar het adres [adres 1] is gegaan om daar te vragen om dat pakketje.

Gegeven de beperkte dwang die is uitgeoefend, volstaat de kinderrechter met de constatering dat er weliswaar geen groot publiek belang gediend wordt met de opsporing van dit strafbare feit, maar dat de uitgeoefende dwang in verhouding staat tot het gebruik van het bewijsmateriaal.

Dit alles leidt de kinderrechter tot de conclusie dat de opsporingsambtenaar niet noodzakelijkerwijs op voorafgaand overleg tussen de verdachte en zijn raadsman had moeten wachten voordat hij de verdachte mocht vragen de toegangscode van zijn telefoon te geven, maar dat wel verzuimd is om de verdachte er nogmaals op te wijzen dat hij niet verplicht was om antwoord te geven op die vraag. De zeer beperkte mate waarop er – situationele – dwang is uitgeoefend op de verdachte, de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal en het gebruik van het verkregen bewijsmateriaal maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat er kan worden volstaan met de constatering van het verzuim. Voor zover het verweer strekt tot bewijsuitsluiting wordt het verworpen.

5.1.4.

Standpunt van de verdediging - bewijsverweer

De raadsman heeft bepleit dat niet gekomen kan worden tot een bewezenverklaring omdat – kort samengevat – niet bewezen kan worden dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht Zalando te bewegen tot afgifte van enig goed. Zalando heeft ook geen aangifte gedaan van oplichting en niet is bekend wat er besteld is of wat er betaald is. Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat het Zalando alleen maar gaat om het betaald krijgen van de door hen geleverde goederen en dat het voor Zalando niet uitmaakt wie dat doet. De mogelijkheid bestaat dat [naam 1] of de bewoners van het adres [adres 1] door Zalando zijn aangesproken op betaling.

Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte te worden vrijgesproken.

5.1.5.

Beoordeling

De kinderrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De advocaat stelt dat zonder aangifte van Zalando niet is valt te bewijzen dat er sprake is geweest van oplichting van Zalando. De kinderrechter is dat niet met hem eens. Ook zonder aangifte van Zalando kan op basis van het beschikbare bewijsmateriaal, alsmede op basis van feiten van algemene bekendheid bewezen verklaard worden dat Zalando ervan uitging dat er een overeenkomst was gesloten tussen Zalando en [naam 1] tot aankoop en dus betaling van een trainingspak, waarbij de levering moet plaatsvinden op het adres [adres 1].

De kinderrechter is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte heeft ingelogd op de Zalando-account van [naam 1] en een trainingspak heeft besteld bij Zalando, waarbij het trainingspak is afgeleverd op het adres [adres 1] , een adres waar de verdachte niet woont. Vervolgens heeft de verdachte geprobeerd om het trainingspak in bezit te krijgen door afgifte van het pakketje van Zalando te vragen aan de bewoners op dat adres. Uit de verklaringen van de bewoners van het adres [adres 1] blijkt immers dat er een pakket van Zalando is afgeleverd op naam van [naam 1] met daarin een trainingspak, dat zij dat trainingspak niet hadden besteld en dat [naam 1] niet op dat adres woonde. Zij hebben verklaard dat zij contact hebben gehad met Zalando en dat Zalando heeft aangeven dat het pakket niet afgegeven moest worden, maar teruggestuurd naar Zalando en dat de account waarmee het trainingspak is besteld, is gedeactiveerd. De verdachte is meermalen aan de deur geweest om te vragen naar het pakket.

Op de telefoon van de verdachte was met de Zalando-app ingelogd onder de naam [naam 2] . Deze naam en ook de naam [naam 1] komen voor in een tekstbestand – [bestandsnaam] – dat is aangetroffen in de telefoon van de verdachte met daarin 4291 verschillende gebruikersnamen met wachtwoorden. Enkele dagen voor de levering van het trainingspak heeft de verdachte deelgenomen aan een Whatsapp-gesprek over het bestellen van trainingspakken op Zalando.

De kinderrechter is van oordeel dat de werking van een online webshop en webapp zoals die van Zalando een feit is van algemene bekendheid. Eveneens van algemene bekendheid acht de kinderrechter het feit dat er door gebruik te maken van een account in een webapp sprake is van aanbod en aanvaarding tussen enerzijds de verkoper Zalando en anderzijds de gebruiker van een beveiligde account als koper. Zalando is kennelijk overgegaan tot levering van het trainingspak en meende betaling daarvoor te ontvangen van [naam 1] . Uit de tenaamstelling van het pakket blijkt dat Zalando zich heeft verlaten op de gegevens die zijn opgegeven door de gebruiker van een beveiligde account op naam van [naam 1] . De kinderrechter is van oordeel dat de verdachte die gebruiker is geweest. Dit volgt uit de constatering dat op de telefoon van de verdachte de webapp van Zalando is aangetroffen waar op dat moment was ingelogd onder een andere naam dan die van verdachte, [naam 2] , welke gebruikersnaam met bijbehorend wachtwoord is aangetroffen in een tekstbestand waar ook de gebruikersnaam en het wachtwoord van [naam 1] stond. Verder kan vastgesteld worden dat de verdachte kort nadat het pakketje was afgeleverd, naar het adres [adres 1] is gegaan om daar te vragen om dat pakketje. De dochter des huizes heeft verklaard dat de verdachte haar bij de derde keer dat hij aan de deur kwam een appje heeft laten zien waaruit zou blijken dat het pakket zou zijn afgeleverd. Dat is alleen te verklaren wanneer de verdachte gebruik heeft gemaakt van de gebruikersgegevens die horen bij de tenaamstelling van het pakket: [naam 1] .

Op de vraag hoe hij wist dat daar een pakket was afgeleverd, waarom hij dat is gaan ophalen en hoe het is gekomen dat er op zijn telefoon onder een andere naam dan de zijne is ingelogd op de Zalando-app, heeft de verdachte geen geloofwaardig antwoord gegeven. Zijn verklaring dat hij zijn telefoon wel eens aan anderen uitleent en dat hem door een ander was gevraagd het pakket op te halen, zonder dat hij op welke manier dan ook daar enige inhoudelijke invulling aan heeft gegeven, is een volstrekt ontoereikend verklaring. En dat terwijl alle feitelijke constateringen schreeuwen om een verklaring van de verdachte.

Vervolgens stelt de kinderrechter vast dat wanneer kan worden vastgesteld dat iemand valselijk onder de naam [naam 1] en met gebruikmaking van diens gebruikersgegevens heeft ingelogd op de website van Zalando, Zalando dan geen overeenkomst heeft gesloten met [naam 1] . Er is dan ook geen betalingsverplichting ontstaan voor [naam 1] . Zalando lijdt dus schade omdat Zalando door niemand betaald wordt voor de goederen die Zalando verstuurd en dus afgegeven heeft. Het kan misschien zo zijn dat Zalando [naam 1] als de gebruiker van de account aansprakelijk stelt voor de schade die is ontstaan, bijvoorbeeld omdat hij zo onzorgvuldig met zijn gebruikersgegevens is omgesprongen dat hij aansprakelijk en daardoor schadeplichtig is, maar dan is er een tweede, andere rechtsverhouding ontstaan. Zalando heeft dan nog steeds het trainingspak afgegeven en daarvoor geen betaling ontvangen, maar kan de schade misschien op [naam 1] verhalen. Of dat zo is, is voor onderhavige zaak niet relevant en hoeft dus ook niet vastgesteld te worden. Het is namelijk niet zo dat de oplichtingshandeling van het zich valselijk voordoen als gebruiker [naam 1] en onder die naam een overeenkomst tot levering en betaling van goederen afsluiten rechtmatig wordt, omdat Zalando zijn schade mogelijk kan verhalen op [naam 1] . De omstandigheid dat in de praktijk het zo kan zijn dat de betaling van de goederen door [naam 1] , de gebruiker van de misbruikte account, automatisch geschiedt en hij die betaling feitelijk terug moet vorderen van Zalando maakt dat evenmin anders.

Een andere mogelijkheid die door de raadsman is geopperd, is dat de feitelijke ontvangers van het trainingspak door Zalando kunnen worden aangesproken omdat er sprake zou zijn van onrechtmatige verrijking. Nog los van de omstandigheid dat uit het procesdossier blijkt dat in deze zaak hiervan geen sprake is, zou ook dat niet maken dat de oplichting zelf niet langer onrechtmatig is. In beide gevallen zou de onderliggende redenering namelijk zijn dat er geen sprake is van – strafbare – oplichting wanneer het slachtoffer schadevrij is gebleven. Die redenering is onjuist.

Voor zover de raadsman heeft beoogd te stellen dat gepoogd zou zijn niet Zalando, maar de bewoners van het adres [adres 1] tot afgifte van het goed te bewegen, overweegt de kinderrechter dat Zalando als eerste feitelijk tot afgifte is gebracht, want Zalando heeft het trainingspak opgestuurd naar het adres dat door de verdachte is opgegeven. Vervolgens heeft de verdachte gepoogd de bewoners van het adres [adres 1] te brengen tot verdere afgifte, wat voor Zalando overigens ook als afgifte, want als levering met de lange hand geldt.

De kinderrechter stelt vast dat er diverse aanwijzingen zijn dat de verdachte hierin niet alleen heeft gehandeld. Zo was er een ander in de buurt toen hij het pakket probeerde op te halen en zijn er in de telefoon van de verdachte appjes aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat hij enkele dagen voor 27 januari 2020 met anderen heeft gecommuniceerd over het via Zalando bestellen van een trainingspak, maar het ontbreekt aan inzicht in en wettig en overtuigend bewijs voor de voor medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking. Van het medeplegen wordt de verdachte derhalve vrijgesproken.

5.2.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

op of omstreeks 27 januari 2020 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het voornemen om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

Zalando te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,

het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het

teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een goed, te weten een

pakketje met daarin een trainingspak, hebbende verdachte en/of zijn

mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk- zakelijk weergegeven -

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid via de webshop van Zalando een bestelling geplaatst waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s)

- gebruik heeft/hebben gemaakt van een valse naam, althans een andere naam dan

die van verdachte en/of zijn mededader(s), te weten [naam 1] en/of

- een adres op heeft/hebben gegeven, te weten de [adres 1]

, waarop verdachte en/of zijn mededader(s) niet(meer) woonachtig is/zijn

en/of

- naar dat adres is/zijn toegegaan en heeft/hebben gevraagd om afgifte van een

pakket van Zalando,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De kinderrechter grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de kinderrechter gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot oplichting

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot internetoplichting. Dat is een hinderlijk en ergerlijk feit dat forse economische schade met zich meebrengt. De omstandigheid dat een bedrijf als Zalando ervoor kiest om geen aangifte te doen van deze vorm van oplichting maakt niet zozeer duidelijk dat het Zalando als slachtoffer niet deert of raakt, maar dat er achter de directe schade door de oplichting een economische schade schuil gaat die maakt dat het voor een door economische motieven gedreven slachtoffer als Zalando niet rendabel is om tijd, energie en dus nog meer geld te besteden aan dit soort feiten. Daarnaast is aannemelijk dat een ondernemer als Zalando zijn verliezen in ieder geval ten dele zal trachten te compenseren in zijn prijsstelling, dus zodoende lijden ook de klanten van het bedrijf hieronder. Verder drukt het de winst die de onderneming maakt, winst die ten goede kan komen aan de werknemers, aandeelhouders of eigenaren van het bedrijf. Bovenal is oplichting, wie ook het slachtoffer is, maatschappelijk verwerpelijk. De verdachte heeft zich alleen laten leiden door zijn eigen materiele behoeftes.

De kinderrechter houdt aan de ene kant in het voordeel van de verdachte rekening met de leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de vaststelling dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Aan de andere kant stelt de kinderrechter vast dat de verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Tegen al het voorhanden bewijs in is de verdachte blijven volhouden dat hij nergens vanaf wist en dat “anderen”, wie dat ook maar zouden zijn, het allemaal gedaan hebben. Daarmee laat de verdachte helaas duidelijk blijken dat hij het strafwaardige van zijn gedrag niet inziet. En het handelen van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit maakt ook duidelijk dat daarbij sprake is geweest van een planning over een langere termijn en meerdere wilsbesluiten. Er is immers ingelogd en besteld, de bestelling is gevolgd en daags daarna heeft de verdachte geprobeerd het pakket op te halen. Dit maakt dat de kinderrechter zwaar aan het feit tilt.

Als de kinderrechter vervolgens kijkt naar de aanwijzingen die uit de telefoon van de verdachte naar voren komen voor betrokkenheid bij andere gevallen van oplichting, zoals het nog ingelogd zijn in de Zalando-app onder een andere naam dan [naam 1] , chatberichten over andere bestellingen via Zalando op andere data (onder meer op 24 januari 2020 en de dag daarna) en een andere adres ( [adres 2] ) en de chatberichten over het delen en gebruiken van een lijst met inloggegevens van Videoland-accounts, dan ziet hij dat er een fors risico bestaat dat de verdachte zich weer schuldig zal maken aan dit soort feiten. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, is immers naar alle waarschijnlijkheid geen alleenstaand incident.

Daarom is de kinderrechter van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde leerstraf in ieder geval geboden is. Door de leerstraf Tools4U (regulier) wordt de verdachte hopelijk aangeleerd andere keuzes te maken en zijn eigen handelen anders te gaan zien. Maar daarnaast vindt de kinderrechter dat een voorwaardelijke straf geboden is, gelet op de kans op herhaling en de ernst van het gepleegde feit. Daarmee gaat de kinderrechter boven de eis van de officier van justitie uit, maar hij is van oordeel dat 20 uur leerstraf en 20 uur voorwaardelijke werkstraf passend is, gelet op de ernst van het feit en wat de kinderrechter hiervoor overigens van belang heeft geacht. Aan de voorwaardelijke werkstraf zal de kinderrechter geen bijzondere voorwaarden verbinden. De kinderrechter hoopt met deze strafdreiging de verdachte extra in te prenten dat dit soort gedrag niet getolereerd wordt en hem daarvan af te houden.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De kinderrechter heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 oktober 2020. De kinderrechter heeft acht geslagen op dit rapport.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De kinderrechter:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 20 (twintig) uur, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject Tools4U regulier van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

legt de verdachte daarnaast een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 januari 2020 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het voornemen om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

Zalando te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,

het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het

teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een goed, te weten een

pakketje met daarin een trainingspak, hebbende verdachte en/of zijn

mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk- zakelijk weergegeven -

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid via de webshop van Zalando een bestelling geplaatst waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s)

- gebruik heeft/hebben gemaakt van een valse naam, althans een andere naam dan

die van verdachte en/of zijn mededader(s), te weten [naam 1] en/of

- een adres op heeft/hebben gegeven, te weten de [adres 1]

, waarop verdachte en/of zijn mededader(s) niet(meer) woonachtig

is/zijn en/of

- naar dat adres is/zijn toegegaan en heeft/hebben gevraagd om afgifte van een

pakket van Zalando,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht