Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10512

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
8396572
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wilsvertrouwensleer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8396572 CV \ EXPL 20-9007

uitspraak: 13 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de besloten vennootschap

Flextra Teamwork West BV

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. Z.H. van Dorth tot Medler

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.A.M. Bruins (DAS Rechtsbijstand)

Partijen worden hierna Flextra en [gedaagde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Dit blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 maart 2020, met producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1

Flextra exploiteert een uitzendbureau.

Zij heeft aan de besloten vennootschap [bedrijf 1] personeel beschikbaar gesteld en daarvoor in 2011 en 2012 aan haar rekeningen gestuurd. Van die rekeningen is een bedrag van € 24.727,53 door [bedrijf 1] niet betaald.

2.2

De besloten vennootschap [bedrijf 1] is op 2 januari 2013 uitgeschreven uit het Handelsregister. Deze vennootschap is ontbonden omdat geen bekende baten meer aanwezig waren vanaf 20 december 2012.

2.3

[gedaagde] drijft een eenmanszaak in de verhuur van gereedschappen onder de naam [bedrijf 2]

2.4

Een e-mailbericht van [gedaagde] aan “ [naam] ” van zaterdag 9 maart 2013 luidt:

“Onderwerp: Openstaand saldo Flextra”

beste [naam]

ik zou graag van jou een overzicht ontvangen van het openstaand saldo wat ik nog schuldig ben aan Flextra

grt [gedaagde] ”

2.5

Een e-mailbericht van [gedaagde] van woensdag 12 juni 2013 aan Flextra luidt:

“beste [naam]

een aantal maanden geleden heb ik al eens verzocht om het openstaande bedrag van jullie te krijgen wat ik nog schuldig ben aan Flextra .

zou je dat eens door kunnen geven.”

2.6

In de periode van januari 2013 tot en met oktober 2014 heeft [gedaagde] aan Flextra een bedrag van in totaal € 13.300,- betaald.

3. De vordering

3.1

Flextra vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt aan haar te betalen

- een bedrag van € 11.627,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf

1 februari 2020, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling

- een bedrag van € 9.526,57 aan verschenen wettelijke handelsrente tot en met

31 januari 2020, subsidiair een bedrag van € 2.265,87 aan verschenen wettelijke rente tot en met 31 januari 2020,

- een bedrag van € 891,27 aan buitengerechtelijke incassokosten,

dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis en, wanneer betaling niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten.

3.2

Flextra baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

[gedaagde] heeft met haar een betalingsregeling getroffen voor de vordering van Flextra op [bedrijf 1] . Hij is die regeling niet volledig nagekomen, ondanks aanmaningen en sommatie.

Hij moet haar daarom ook de wettelijke (handels)rente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen.

4. Het verweer

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. Op dat verweer gaat de kantonrechter hierna, waar nodig, in.

5. De beoordeling

5.1

[gedaagde] voert aan dat hij destijds weliswaar een betalingsregeling met Flextra heeft getroffen voor de vordering van Flextra op [bedrijf 1] , maar dat hij dat niet hoefde te doen. Hij voelde toen slechts een morele verplichting om “een deel van het probleem dat was ontstaan op te lossen”. Hij kan daarom aan die regeling niet worden gehouden, aldus [gedaagde] .

Flextra heeft dat op haar beurt bestreden. Zij wijst erop dat [gedaagde] heeft erkend een betalingsregeling te zijn overeengekomen en in dat kader ook betalingen heeft gedaan.

In haar visie behoort [gedaagde] na te komen wat hij met haar is overeengekomen.

Het verweer van [gedaagde] komt er in de kern op neer dat hij destijds geen rechtens afdwingbare verbintenis heeft willen aangaan tot betaling van een bedrag van € 24.727,53, het bedrag dat [bedrijf 1] aan Flextra schuldig was.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

De stelling van Flextra is dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen die inhield dat [gedaagde] aan haar een bedrag van € 24.727,53 zou betalen.

Zij onderbouwt die stelling met de hiervoor onder 2.4 en 2.5 weergegeven

e-mailberichten van 9 maart en 12 juni 2013 van [gedaagde] aan haar, en met het feit dat [gedaagde] in de loop der jaren betalingen aan haar heeft verricht.

Gesteld noch gebleken is dat Flextra op die berichten van [gedaagde] per e-mail of anderszins heeft gereageerd en zo ja, hoe. Op basis van de stellingen van Flextra echter kan worden aangenomen dat Flextra de vraag van [gedaagde] , die, kort gezegd, luidde: “Hoeveel ben ik u schuldig?” heeft opgevat als een aanbod tot betaling van € 24.727,53 aan haar en dat aanbod heeft geaccepteerd in de vorm van een betaling in termijnen van, aanvankelijk, € 250,- per week.

De vraag is nu of Flextra de vraag in die e-mailberichten mocht opvatten zoals zij dat heeft gedaan. De uitleg van wilsverklaringen moet immers plaats vinden aan de hand van de wilsvertrouwensleer van artikel 3:33 en 3:35 BW, waarbij het aankomt op de zin die de ontvanger van die berichten redelijkerwijs daaraan mocht hechten en wat hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze heeft mogen verwachten. Daarvoor zijn alle omstandigheden van het geval van belang (ECLI:NL:HR:2017:315, rov. 3.3.2 en ECLI:NL:HR:2018:819).

De kantonrechter betrekt bij de beantwoording van die vraag de volgende omstandigheden.

Niet in geschil is dat [gedaagde] in privé niet verplicht was de schuld van [bedrijf 1] te voldoen en Flextra was daarvan toen op de hoogte.

[bedrijf 1] was, na het faillissement van een debiteur, kort tevoren ontbonden omdat geen baten meer aanwezig waren. [gedaagde] was – kennelijk, gezien de betaling in termijnen – niet in staat een bedrag van € 24.727,53 in één keer te betalen.

Onder deze omstandigheden mocht Flextra uit de vraag van [gedaagde] hoeveel hij haar schuldig was niet, althans niet zonder meer, begrijpen dat [gedaagde] zich in privé wilde verbinden voor deze schuld en kon hij er niet zonder meer gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] dat ook wilde.

Dat [gedaagde] inmiddels een bedrag van € 13.300,- aan Flextra heeft betaald en dat hij dat bedrag niet als onverschuldigd betaald terugvordert, waarop Flextra ter ondersteuning van haar standpunt wijst, maakt dat niet anders.

Omstandigheden die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

De conclusie is daarom dat het beroep van [gedaagde] op het ontbreken van de op een afdwingbare verbintenis gerichte wil slaagt. De vordering zal worden afgewezen.

5.2

Flextra wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De kantonrechter begroot die kosten op € 960,- (2 punten á € 480,-) aan salaris voor de gemachtigde.

De beslissing

De kantonrechter,

wijst de vordering af;

veroordeelt Flextra in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 960,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37878