Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10506

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
C/10/579420 / FA RK 19-6706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoekschriftprocedure; huwelijk en echtscheiding in Turkije; beoordeling erkenning uitspraak rechtbank in Turkije;

rechtsmacht en toepasselijk recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/579420 / FA RK 19-6706

Beschikking van 19 november 2020 betreffende de onderhoudsbijdrage/het gezag/de zorgregeling

in de zaak van:

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. Kroonen te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 2 augustus 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 4 oktober 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op
    18 oktober 2019;

  • -

    de brieven met bijlagen van de zijde van de vrouw van 11 juni 2020 en 23 september 2020;

  • -

    de brieven met bijlagen van de zijde van de man van 15 juni 2020, 25 september 2020 en 30 september 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat mr. T. Erdal, waarnemend voor mr. S. Süzen;

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

1.4.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen zoals verzocht zich uitgelaten over de resultaten van een viergesprek. De man heeft zich uitgelaten bij brief van 29 oktober 2020; de vrouw bij brief van 2 november 2020.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2011 te [geboorteplaats minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen de minderjarigen.

2.2.

De man heeft [voornaam minderjarige 1] op 29 januari 2010 erkend en [voornaam minderjarige 2] op 3 mei 2011.

2.3.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in augustus 2011 te Rize, Turkije.

2.4.

Bij vonnis van de 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen en de echtscheiding zijn niet in Nederland geregistreerd.

2.5.

Bij voormeld vonnis van 10 mei 2018 is het gezag over de minderjarigen aan de vrouw toegewezen. Verder is een omgangsregeling bepaald, in die zin dat de man de minderjarigen twee dagen in het weekend, evenals de eerste week van de semestervakantie, gedurende een maand in de zomervakantie en de tweede en derde dag tijdens religieuze feestdagen bij zich zal hebben.

Tevens is bepaald dat de man met ingang van de datum van het onherroepelijk worden van voormeld vonnis als kinderbijdrage telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 500,- per maand te verhogen met de TÜFE index, met ingang van 1 januari 2019.

2.6.

Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.

3. De beoordeling

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 10:31 lid 1 BW het huwelijk van partijen dat in Turkije is gesloten als zodanig wordt erkend. Op grond van artikel 10:57 lid 1 BW wordt de in Turkije verkregen echtscheiding in Nederland erkend. Dat het huwelijk van partijen en de echtscheiding niet in Nederland zijn geregistreerd doet hieraan niet af.

3.2.

Onderhoudsbijdrage

3.2.1.

De vrouw verzoekt vaststelling met ingang van 10 mei 2018 van een kinderbijdrage van € 250,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2019 van

€ 255,- per maand per kind.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage af te wijzen, althans de kinderbijdrage te bepalen op nihil.

3.3.

Erkenning uitspraak rechtbank in Turkije

3.3.1.

Tussen Nederland en Turkije is geen bilateraal of multilateraal executieverdrag van kracht in verband met alimentatie op grond waarvan de Nederlandse rechter gehouden zou zijn tot erkenning van de uitspraak met betrekking tot de kinderalimentatie van de

18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018. Deze uitspraak kan daarom niet via de exequaturprocedure op de voet van artikel 985 Rv ten uitvoer worden gelegd. In deze omstandigheid moet dus de procedure van artikel 431 Rv worden gevolgd. Om een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verwerven kan het geding ingevolge artikel 431 lid 2 Rv opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. De Nederlandse rechter is bevoegd om binnen de grenzen van de Nederlandse beginselen van openbare orde te bepalen of aan een vreemd vonnis gezag moet worden toegekend.

3.3.2.

In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat de uitspraak van de rechter te Turkije niet voldoet aan de voor erkenning door de Nederlandse rechter gebruikelijke voorwaarden. De uitspraak is tot stand gekomen na een behoorlijke procesvoering, waarbij partijen beiden zijn bijgestaan door een advocaat en tevens de beginselen van hoor en wederhoor zijn toegepast. Verder ligt aan de uitspraak van de Turkse rechter ten grondslag een convenant van partijen – waarnaar in dat vonnis ook wordt verwezen - waarin partijen onder meer afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de kinderbijdrage. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een hoge mate van aanvaardbaarheid van de grond waaraan de Turkse rechter zijn bevoegdheid ontleende. Gelet op de wijze van de totstandkoming van de uitspraak kan zwaar gewicht worden toegekend aan de uitspraak van de 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018 en kan daarom gezag aan voornoemde uitspraak worden toegekend, tenzij geoordeeld zou moeten worden dat erkenning van deze uitspraak (op één of meer punten) in strijd komt met de Nederlandse openbare orde.

De rechtbank zal daarom de verzoeken van partijen beoordelen in het licht van het vonnis van de 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018 en van het daarin overgenomen echtscheidingsconvenant.

3.4.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.4.1.

Omdat de vrouw, de man en de minderjarigen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek inzake de kinderbijdrage.

3.4.2.

Tussen partijen is niet in geschil is dat het verzoek inzake de kinderbijdrage moet worden beoordeeld naar Nederlands recht.

3.5.

Inhoudelijke beoordeling

3.5.1.

Hoewel het vonnis van de 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018 op het punt van de kinderalimentatie in beginsel voor erkenning vatbaar is, zal de rechtbank de daarin opgenomen betalingsverplichting niet overnemen. Ter zitting is gebleken dat zich inmiddels een wijziging van omstandigheden (verminderde draagkracht bij de man) heeft voorgedaan waardoor deze betalingsverplichting niet ongewijzigd in stand kan blijven. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de man over het verleden, de periode van 1 juni 2018 tot 1 oktober 2020, een kinderbijdrage van € 25,- per maand per kind zal voldoen. Partijen zijn nadien overeengekomen dat de man voor de toekomst, vanaf 1 oktober 2020, eveneens een kinderbijdrage van € 25.- per maand zal voldoen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

3.6.

Gezag

3.6.1.

De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw wordt belast met het gezag over de minderjarigen.

3.6.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt bij wijze van aanvullend verzoek te bepalen dat zij alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast.

3.7.

Erkenning uitspraak rechtbank in Turkije

3.7.1.

De te erkennen beslissing is afkomstig uit een staat buiten de Europese Unie (hierna: EU) die geen partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. In dat geval bepaalt het commune Nederlandse Internationaal privaat recht of de beslissing voor erkenning vatbaar is en in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden gelegd. De Nederlandse wet bevat geen regels betreffende de erkenning van beslissingen ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid. Niettemin heeft zich in de rechtspraak een erkenningsregel ontwikkeld die inmiddels voor alle buitenlandse vonnissen geldt die niet onder de werking van een geschreven erkenningsregel vallen. Daargelaten de vraag of aan de Turkse rechter rechtsmacht toekwam, partijen en de minderjarigen hadden op het tijdstip dat de zaak in Turkije aanhangig werd gemaakt hun gewone verblijfplaats in Nederland, is de Turkse uitspraak ten aanzien van het gezag naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de Nederlandse openbare orde. De Turkse rechter heeft het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag toegewezen op basis van partij-overeenstemming. Eenhoofdig gezag staat echter niet ter vrije bepaling van partijen. De beslissing van de Turkse rechter ten aanzien van het gezag is daarom in strijd met de belangen van de minderjarigen en erkenning van die beslissing moet in zoverre dan ook worden geweigerd.

3.8.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.8.1.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van het gezag.

3.9.

Inhoudelijke beoordeling

3.9.1.

In artikel 1: 251 BW is tot uitgangspunt genomen dat ouders na ontbinding van het huwelijk het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen. Artikel 1:251a BW bevat de gronden waarop de rechter niettemin kan bepalen dat het gezag aan één van de ouders toekomt. Ter zitting is besproken dat deze uitzonderingsgronden zich ten aanzien van de minderjarigen niet voordoen. Partijen aanvaarden dat zij beiden met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen worden belast. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank bepaalt daarbij dat hiervan aantekening zal worden gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare register (het gezagsregister).

3.9.2.

In het vonnis van 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018 is, in overeenstemming met de afspraak in het echtscheidingsconvenant, bepaald dat de gemeenschappelijke kinderen tot hun 18e jaar geen aparte instemmingsverklaring/ bevestiging van de man nodig zullen hebben om naar het buitenland op en neer te kunnen reizen met de vrouw aan wie het gezag is toegewezen. Partijen hebben op dit punt een nadere afspraak gemaakt, te weten a) dat de beide ouders over en weer met de minderjarigen kunnen reizen zonder dat de andere ouder daarvoor toestemming behoeft te verlenen en b) dat beide partijen voor de minderjarigen een reisdocument kunnen aanvragen zonder dat de andere ouder daarvoor toestemming heeft verleend. De rechtbank zal deze regeling aangaande de uitoefening van het ouderlijke gezag in de beschikking vastleggen.

3.10.

Zorgregeling

3.10.1.

De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen in die zin, dat hij de minderjarigen iedere week vanaf vrijdag uit school tot zondagavond 18:00 uur, evenals de helft van de vakanties en religieuze feestdagen bij zich zal hebben.

3.10.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt aanvullend te bepalen dat de man de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot en met zondag 18:00 uur bij zich zal hebben, onder de voorwaarde dat de man deze regeling zelf nakomt.

3.11.

Erkenning uitspraak rechtbank in Turkije

3.11.1.

Op grond van artikel 8, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van

27 november 2003 (hierna: Brussel II-bis) is ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt op grond van artikel 1 lid 1 aanhef en onder b in verbinding met artikel 1, lid 2, aanhef en onder a, Brussel II-bis (mede) het omgangsrecht. De minderjarigen hadden op het tijdstip dat de zaak in Turkije aanhangig werd gemaakt hun gewone verblijfplaats in Nederland, een EU-lidstaat. Op grond van het vorenstaande was de Turkse rechter dus niet bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling kennis te nemen. De beslissing van de Turkse rechter ten aanzien van de omgang kan in zoverre niet worden erkend. Voor zover in dit vonnis wordt voortgebouwd op afspraken van partijen in het echtscheidingsconvenant, kan dit in zoverre anders liggen dat onderzocht dient te worden in hoeverre deze afspraken hun gelding hebben behouden.

3.12.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.12.1.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de omgang.

3.13.

Inhoudelijke beoordeling

3.13.1.

Partijen hadden in hun echtscheidingsconvenant (dat is overgenomen in het vonnis van 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018) de volgende omgangsregeling opgenomen: de kinderen zullen bij de vader verblijven in het weekend twee dagen, in de eerste week van de semestervakantie, in de zomervakantie gedurende 1 maand, tijdens religieuze feestdagen en de 2e en 3e dag, teneinde omgang te hebben.

Partijen hebben inmiddels een nadere afspraak gemaakt, te weten dat de man - in het kader van een zorgregeling - de minderjarigen iedere vrijdag uit school tot en met zondag 18:00 uur bij zich zal hebben, evenals de helft van de vakanties en religieuze feestdagen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

3.14.

Proceskosten

3.14.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt het vonnis van de 18e familierechtbank te Istanbul, Turkije van 10 mei 2018 aldus dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen over de periode van 1 juni 2018 tot 1 oktober 2020 wordt bepaald op € 25,- per maand per kind en met ingang van 1 oktober 2020 eveneens op € 25,- per maand per kind;

4.2.

bepaalt – in afwijking van dit vonnis - dat partijen het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk uitoefenen;

4.3.

verzoekt de griffier van wat in 4.2. is bepaald aantekening te maken in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;

4.4.

bepaalt dat tussen partijen de regeling geldt dat zij ieder afzonderlijk met de minderjarigen kunnen reizen zonder dat de andere ouder daarvoor toestemming heeft verleend en dat ieder van partijen voor de minderjarigen een reisdocument kan aanvragen zonder dat de andere ouder daarvoor toestemming heeft verleend;

4.5.

bepaalt dat de man de minderjarigen in het kader van de regeling inzake de uitoefening van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken iedere vrijdag uit school tot en met zondag 18:00 uur bij zich zal hebben, evenals de helft van de vakanties en religieuze feestdagen;

4.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Brasser op 19 november 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.