Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10489

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
C/10/591343 / HA ZA 20-163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Man woont in woning en komt verkoopafspraak woning jarenlang niet na. Bevel tot verkoop aan derde en de man moet de woning over een jaar verlaten, verkocht of niet, tenzij de vrouw instemt met tijdelijke voortzetting bewoning door de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591343 / HA ZA 20-163

Vonnis van 11 november 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis,

  • -

    de overgelegde producties,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 12 oktober 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn ex-echtelieden. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgemeenschap behoort de voormalig echtelijke woning, adres [adres] , met een boothuis gelegen op hetzelfde perceel. De woning is bezwaard met een hypotheek. Thans woont de man in de woning, samen met een meerderjarige zoon van partijen. De vrouw woont elders.

2.2.

Tijdens de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank (Rotterdam):

- een beschikking voorlopige voorzieningen gegeven op 1 april 2016;

- bij beschikking van 11 oktober 2016 de echtscheiding uitgesproken. In deze beschikking is voorts onder meer geoordeeld dat als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap heeft te gelden 12 januari 2016 (datum indiening verzoekschrift echtscheiding). Tussen partijen is een aantal afspraken gemaakt over de verdeling, die als volgt zijn vastgelegd in deze beschikking:

- “2.10.5. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de volgende punten:

aan de vrouw wordt toegescheiden:

• de zeilboot [naam boot] ;

• de boottrailer;

• de film over India die door de vrouw is gemaakt, alsmede een filmcamera;

• een aantal kampeergoederen;

• de helft van de stoelen;

• de helft van het servies;

• de aqua glider.

• de lades uit de koelkast;

• duplo

aan de man wordt toegescheiden:

• de motorboot;

• lego;

• zijn ring, af te halen bij de broer van de vrouw

2.10.6.

Partijen zijn het er voorts over eens dat:

- overeenkomstig punt 6c van het "12 augustus 201S akkoord" de vrouw € 4.500.- aan de man voldoet ter zake herinrichtingskosten;

- overeenkomstig punt 7b van het " 12 augustus 2015 akkoord de te veel ontvangen zorgtoeslag van € 700,- over de periode januari 2015 tot en met augustus 2015 wordt verrekend op moment dat de rekening komt;

- overeenkomstig punt 7c van het "12 augustus 2015 akkoord" de autoverzekering voor de Ford KA in ieder geval tot 1 januari 2016 doorloopt. De vrouw betaalt hiervoor eenmalig € 75,-;

- overeenkomstig punt 7d van het "12 augustus 2015 akkoord" de doorlopende reisverzekering van de Ford Ka in ieder geval tot 1 januari 2016 doorloopt. De vrouw betaalt hiervoor eenmalig € 20,-;

- overeenkomstig punt 7c van het "12 augustus 201S akkoord" de zorgverzekering in ieder geval tot 1 januari 2016 doorloopt. De vrouw betaalt hiervoor eenmalig € 450,-;

- overeenkomstig punt 7f van het "12 augustus 2015 akkoord" de WA verzekering van de vrouw tot 1 januari 2016 ongewijzigd blijft. De vrouw betaalt hiervoor eenmalig € 25,-;

- overeenkomstig punt 7g van het "12 augustus 2015 akkoord" de vrouw twee keer € 737,50 van de premie betreffende de polis KEW aan de man voldoet;

- overeenkomstig punt 12 van het "12 augustus 2015 akkoord" de moeder van de vrouw ("OJ.” ) haar giften van € 5.000,- heeft uitgesteld in verband met de situatie tussen partijen;

- zij gezamenlijk aangifte Inkomstenbelasting 2015 zullen doen en de aanslag Inkomstenbelasting 2015 ieder voor de helft zullen voldoen;

- zij ieder voor zich de aangifte Inkomstenbelasting 2016 zullen doen.”

2.3.

De echtscheidingsbeschikking is op 24 januari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Bij vervolgbeschikking van 27 februari 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij over onvoldoende gegevens beschikte om te kunnen oordelen over de verdeling van de gemeenschap en zij heeft daarom de desbetreffende verzoeken afgewezen.

2.5.

Bij beschikking van 28 maart 2017 heeft de rechtbank een verzoek van de vrouw afgewezen tot herstel van een kennelijke fout in de beschikking van 27 februari 2017.

2.6.

Tussen partijen is een kort gedingprocedure gevoerd waarin op 19 april 2017 vonnis is gewezen. De man is daarbij veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan verkoop van de voormalig echtelijke woning aan een derde. De door de vrouw in dit verband gevorderde dwangsom was afgewezen omdat de man had aangegeven in te stemmen met deze verkoop.

2.7.

De woning is tot op heden niet verdeeld/verkocht.

3. Het geschil en de beoordeling

in conventie

3.1.

De vorderingen in conventie, en overigens ook in reconventie, strekken tot afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding van partijen. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Als zodanig waren zij deelgenoten. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631).

3.2.

De rechtbank staat de eisvermeerdering van de vrouw toe. Deze is niet in strijd met de goede procesorde. De eisvermeerdering is op de mondelinge behandeling besproken en de man is genoegzaam in staat gebleken om daar verweer tegen te voeren.

3.3.

Peildatum voor de omvang van de gemeenschap is, zoals reeds geoordeeld in de echtscheidingsprocedure, 12 januari 2016. Peildatum voor de waarde van de goederen van de gemeenschap is in beginsel het moment van verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid een andere datum rechtvaardigen.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in de echtscheidingsprocedure een aantal afspraken is gemaakt over de verdeling van de gemeenschap. Deze afspraken zijn vervolgens vastgelegd in de beschikking van 11 oktober 2016. Partijen zijn ook in de onderhavige procedure in beginsel aan die afspraken gebonden. Overeenkomsten behoren immers in beginsel te worden nagekomen.

3.5.

Op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2020 hebben partijen over nog meer onderwerpen overeenstemming bereikt. De rechtbank zal over die onderwerpen beslissen op de wijze zoals partijen zijn overeengekomen en is vastgelegd in het proces-verbaal.

3.6.

In geding zijn de volgende onderwerpen (volgorde conform petitum in dagvaarding en vervolgens akte eisvermeerdering).

de voormalig echtelijke woning en het botenhuis met een hypothecaire geldlening en een aan de bank verpande (KEW) polis (vorderingen 1 tot en met 6 vrouw)

3.7.

De vrouw vordert, kort gezegd, dat de woning aan een derde zal worden verkocht. Volgens de vrouw is de man gebonden aan het kort gedingvonnis waarin in die zin is beslist en is verkoop aan een derde bovendien tussen partijen afgesproken.

3.8.

De man wenst dat de woning aan hem toegedeeld wordt. De man heeft een nieuwe vriendin en (wellicht) kan hij de vrouw thans alsnog uitkopen.

3.9.

De rechtbank oordeelt als volgt. De bodemrechter is niet gebonden aan een beslissing in kort geding (art. 257 Rv.). De vrouw miskent dit met haar stelling dat de man aan het kort gedingvonnis is gebonden in de onderhavige procedure. De vordering tot verkoop van de woning aan een derde zal dus in de onderhavige procedure op zijn eigen merites beoordeeld moeten worden.

3.10.

De rechtbank zal, als wijze van verdeling, partijen gelasten de woning te verkopen aan een derde. Dit was al tussen partijen afgesproken in de echtscheidingsprocedure en ook in de kort gedingprocedure heeft de man nog aangegeven het daarmee eens te zijn.

Aan dit oordeel doet niet af dat de man thans stelt dat hij, samen met zijn nieuwe vriendin, (wellicht) alsnog de vrouw kan uitkopen. Daarvoor is het inmiddels te laat. De man heeft tijd genoeg gehad om de vrouw uit te kopen. Het echtscheidingsverzoek dateert al van ruim vier jaar geleden. Volgens de vrouw zijn partijen al sinds medio 2015 vruchteloos in overleg. In het kort gedingvonnis uit 2017 was de man ook al veroordeeld om mee te werken aan verkoop van de woning. Dat heeft klaarblijkelijk geen enkel effect gesorteerd tot nu toe, in 2020. Niemand behoeft in een onverdeelde gemeenschap te blijven zitten. Dat de man een nieuwe vriendin heeft is geen onvoorziene omstandigheid die rechtvaardigt dat de afspraak tot verkoop van de woning aan een derde gewijzigd wordt.

3.11.

Ter bevordering van een efficiënte en spoedige verkoop zal de rechtbank bepalen dat onderhavig vonnis, zo nodig, in de plaats zal treden van de rechtshandelingen die de man moet verrichten om tot verkoop en levering van de woning aan een derde te komen (zoals: opdracht aan de makelaar, tekenen verkoopovereenkomst en medewerking verlenen aan notariële levering). Een dwangsom is op dit onderdeel niet nodig.

3.12.

De rechtbank acht wel een dwangsom geboden voor de feitelijke handelingen die de man moet verrichten om tot verkoop en levering van de woning te komen, zoals het opendoen van de deur als de makelaar met gegadigden op de stoep staat. De dwangsom zal worden beperkt en gematigd op na te melden wijze.

3.13.

Als extra stok achter de deur zal de rechtbank bepalen dat de man de woning dient te ontruimen en te verlaten uiterlijk binnen 12 maanden na de datum van betekening van onderhavig vonnis, ongeacht of de woning dan al is verkocht of niet. Slechts met instemming van de vrouw zal de man langer dan 12 maanden mogen blijven in de woning, als die dan nog niet verkocht is. Het ruime tijdsverloop sinds het uiteengaan van partijen rechtvaardigt deze maatregel naast de opgelegde dwangsom. Zo nodig kan de vrouw de deurwaarder inschakelen voor ontruiming, die daartoe volgens de wet de sterke arm van de politie kan (en moet) inschakelen.

3.14.

Ieder van partijen dient de helft van de eventuele verkoopkosten te dragen en ieder van partijen zal - in beginsel (behoudens eventuele verrekenposten) - gerechtigd zijn tot de helft van de overwaarde, resterend na verkoop van de woning (die substantiële overwaarde heeft) met het botenhuis, en aflossing van de hypothecaire geldlening.

3.15.

De woning lijkt aanmerkelijke overwaarde te hebben. De rechtbank zal bepalen dat uit deze overwaarde zoveel mogelijk de vorderingen moeten voldaan worden die partijen over en weer op elkaar hebben.

de KEW polis

3.16.

Standpunt vrouw: de waarde van de polis dient bij helfte verdeeld te worden. Als peildatum voor de waarde dient het moment van feitelijke verdeling gehanteerd te worden. De vrouw is niet gehouden de helft van de premies op deze polis te betalen in de periode vanaf 12 augustus 2015 omdat sindsdien alleen de man de woning heeft bewoond en de vrouw haar eigen woonlasten had.

3.17.

Standpunt man: de polis dient toegedeeld te worden aan de man. Als waardepeildatum dient gehanteerd te worden 12 januari 2016, omdat de vrouw sindsdien niet meer heeft meebetaald aan de premies. Op die datum was de polis € 67.351,72 waard. De man is bereid de vrouw de helft daarvan, € 33.675,86, te betalen. De afkoopwaarde van de polis op 30 april 2020 is € 77.000,-.

3.18.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank zal de polis aan de man toedelen, zoals de man voorstaat. De redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen om als waardepeildatum te hanteren 12 januari 2016, nu de man als enige de waardevermeerdering van de polis sindsdien heeft bewerkstelligd. De man zal de vrouw € 33.675,86 moeten betalen.

eventuele betalingsachterstanden hypotheek en premie levensverzekering (vordering 7 vrouw)

3.19.

De vrouw vordert veroordeling van de man tot betaling van de eventuele achterstanden in betaling van deze schulden tot aan het moment van levering van de woning aan een derde.

3.20.

De man betwist dat er betalingsachterstanden zijn.

3.21.

De rechtbank zal de vordering toewijzen. Indien er geen betalingsachterstanden zijn schaadt toewijzing de man niet. Indien er toch betalingsachterstanden zijn dan is het aan (alleen) de man om die achterstanden in te lopen. De vrouw is weliswaar in beginsel gehouden, als mede-eigenaar, om bij te dragen aan de woonlasten maar zij heeft een verrekeningsrecht omdat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding van de man vanwege het door haar gemiste gebruiksgenot. De rechtbank begroot deze gebruiksvergoeding op hetzelfde bedrag als de vrouw aan woonlasten verschuldigd is.

Duidelijkheidshalve tekent de rechtbank aan dat dit oordeel niet geldt voor de periode dat de woning in de toekomst wellicht leeg komt te staan omdat de man de woning uit hoofde van onderhavig vonnis heeft moeten verlaten voordat deze verkocht is. Omdat ook de man alsdan het gebruiksgenot zal moeten missen, zullen beide partijen over die periode wèl ieder een helft van de woonlasten moeten dragen.

overige vermogensbestanddelen (vordering 8 vrouw)

3.22.

De vrouw vordert de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen althans de wijze van verdeling te gelasten, zoals gevorderd onder punt 58 t/m 105 in het lichaam van haar dagvaarding en meer concreet zoals gevorderd in het petitum onder 9 t/m 25.

3.23.

De man voert verweer.

3.24.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Deze vordering houdt in, naar de rechtbank begrijpt, dat een aantal andere vorderingen van de vrouw moet worden toegewezen. Dat is dubbelop. Als de vrouw iets anders bedoelt dan is haar vordering onvoldoende begrijpelijk.

fotoalbums c.s. (vordering 9 vrouw)

3.25.

De vrouw vordert afgifte door de man, op straffe van verbeurte van een dwangsom, van: a. de fotoalbums, door de vrouw ingepakt in verhuisdozen;

b. de film over India die door de vrouw is gemaakt, alsmede een filmcamera;

c. een aantal kampeergoederen, te weten, 3 campingstoelen, de helft van het

campingservies;

d. de aqua glider;

e. een box Duplo-speelgoed.

en te bepalen dat de man de vrouw in de gelegenheid zal stellen om, op verzoek van de

vrouw, met een derde, op een met de man af te spreken middag in de echtelijke woning en

in de daarbij behorende garage en in het botenhuis op zoek te gaan naar bovengenoemde

zaken en deze mee te nemen.

3.26.

De man voert verweer. De man wijst er op dat de vrouw al meermaals bij hem is langs geweest, zoals ook al in de echtscheidingsprocedure was afgesproken, om de verlangde spullen te zoeken, echter zonder resultaat. De man gaat er van uit dat hij de verlangde spullen niet onder zich heeft, maar mocht hij deze alsnog aantreffen dan is hij bereid om deze aan de vrouw af te geven.

3.27.

De rechtbank stelt vast dat de man niet weerspreekt dat deze goederen aan de vrouw toebehoren. Daarom zal de vordering tot afgifte worden toegewezen.

De dwangsom zal echter worden afgewezen. De rechter kan een dwangsom opleggen maar is daartoe niet verplicht. Het is niet duidelijk dat de man de verlangde goederen daadwerkelijk onder zich heeft. De man mag niet worden veroordeeld tot een prestatie waarvan te onzeker is dat hij die kán verrichten. Bovendien blijkt nergens uit dat deze goederen relevante financiële waarde hebben. Ook daarom is een dwangsom weinig geëigend.

Wel zal worden toegewezen de vordering dat de vrouw nog een keer mag gaan zoeken naar deze spullen in de woning en het botenhuis. Als mede-eigenaar heeft de vrouw immers in beginsel recht op toegang tot de woning en het botenhuis en tevens om iemand mee te nemen als zij de spullen komt zoeken/ophalen. Aan deze veroordeling zal wel een dwangsom worden verbonden, die zal worden beperkt en gematigd op na te melden wijze.

schuld zorgtoeslag 2015 (vordering 10 vrouw)

belastingteruggave ib 2015 (vordering 11 vrouw)

zeilboot [naam boot] (vordering 12 vrouw)

boottrailer (vordering 13 vrouw)

auto Ford KA, kenteken [kentekennummer 1] (vordering 14 vrouw)

aandelen ondernemingen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (vordering 15 vrouw)

3.28.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2020 en is vastgelegd in het desbetreffende proces verbaal.

schenking € 10.000,- door moeder man (vordering 16 vrouw)

3.29.

De vrouw vordert de man te veroordelen aan de vrouw te betalen € 5.000,- wegens schenking van de moeder van de man vóór 12 januari 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.

3.30.

De man betwist dat zijn moeder hem € 10.000,- heeft geschonken. De man beroept zich op de beschikking voorlopige voorzieningen in de echtscheidingsprocedure, waarin is geoordeeld (r.o. 3.13): "De rechtbank passeert de stelling van de vrouw dat de man dient in te teren op een schenking van zijn moeder van € 10.000,-, nu de man voldoende heeft aangetoond dat geen sprake is geweest van een schenking, doch dat dit bedrag in beheer is gegeven en in overleg met de vrouw is uitgegeven aan huishoudelijke uitgaven".

De man wijst er op dat zijn moeder meerdere keren heeft aangegeven de € 10.000,- euro terug te willen hebben (e-mails productie 20). Volgens de man is sprake van een lening en hij vordert in reconventie dat de vrouw haar aandeel in de aflossing daarvan voldoet.

3.31.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vordering zal worden afgewezen. Niet relevant is of ooit een schenking is gedaan. Slechts relevant is wat daarvan over was op de omvangspeildatum. De man heeft gemotiveerd betwist dat er nog iets van dit geld over was op deze datum. Het lijkt er toch sterk op dat partijen geld nodig hadden om hun huishoudelijke lasten te bekostigen en de vrouw legt niet uit waarom zij desondanks mag menen dat er nog wat geld over was gebleven om te verdelen. En als er toen toch nog wat geld over was: waarom dat geld niet op een bankrekening staat waarvan de saldi al apart worden verdeeld. Een geldbedrag kan niet twee keer verdeeld worden.

De vraag of het een schenking of een lening was zal in reconventie aan de orde komen, nu de man in reconventie een vordering instelt op de grondslag dat volgens hem sprake is van een lening.

motorboot (vordering 17 vrouw) en buitenboordmotor (benzine) merk Honda (vordering 18 vrouw)

3.32.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2020 en is vastgelegd in het desbetreffende proces verbaal.

elektromotor van de motorboot (vordering 19 vrouw)

3.33.

De vrouw heeft op de mondelinge behandeling erkend dat de elektromotor niet meer aanwezig was op de omvangspeildatum. De rechtbank begrijpt dat de vrouw haar vordering tot verdeling van dit goed intrekt.

(klassieke) motoren, w.o. Harley Davidson, BMW, Triumph Bonneville en Sachs en

de klusmaterialen ten behoeve van motorfietsen (vordering 20 vrouw)

saldi bankrekeningen (vordering 21 vrouw)

ABN Amro effectenrekening [bankrekeningnummer] (vordering 22 vrouw)

kosten ligplaats zeilboot (vordering 23 vrouw)

auto Mercedes Transporter Viano, kenteken; [kentekennummer 2] (vordering 24 vrouw)

pensioenbeleggingsverzekering bij AEGON met polisnummer [polisnummer] (vordering 25 vrouw)

3.34.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2020 en is vastgelegd in het desbetreffende proces verbaal.

executiekosten (vordering 26 vrouw)

3.35.

De vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van de kosten voor het nemen van executiemaatregelen.

3.36.

De man voert verweer.

3.37.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Voor wat betreft de ambtshandelingen die de deurwaarder wellicht zal moeten verrichten (zoals explootkosten beslag) geeft het onderhavige vonnis zelf al een titel voor incassering van deze kosten.

Voor zover het gaat om andere handelingen, zoals de uren die een advocaat moet maken in het kader van de executie, valt niet op voorhand te begroten hoe hoog die kosten zijn. Het is onwenselijk om aan de vrouw daarvoor een ‘blanco cheque’ toe te kennen.

proceskosten (vordering 27 vrouw) + nasalaris (vordering 28 vrouw)

3.38.

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren. Tot de proceskosten behoren ook de nakosten, waaronder nasalaris advocaat.

een beslissing in goede justitie (ongenummerde vordering vrouw)

3.39.

De vrouw vordert subsidiair een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De rechtbank wijst deze vorderingen toe voor zover zij in haar dictum is afgeweken van (de bewoordingen in) het petitum van de vrouw. Dit is, zoals gezegd, toegestaan bij de verdeling van een gemeenschap.

3.40.

Het vonnis in conventie zal, zoals de vrouw vordert, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank acht het belang van de vrouw dat daarmee is gediend zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van de man.

de eisvermeerderingen van de vrouw

vordering 1 vermeende belastingschulden wegens stamrecht

vordering 2 voorschot € 2500,-

3.41.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2020 en is vastgelegd in het desbetreffende proces verbaal.

vordering 3 activa man tussen 12 augustus 2015 en 12 januari 2016

3.42.

De vrouw heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat deze vordering niet meer aan de orde is. De rechtbank begrijpt dat de vrouw deze vordering intrekt.

vordering 4 wettelijke rente vanaf 3 februari 2020

3.43.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Voor het recht op wettelijke rente is verzuim vereist. Bij verdeling van een gemeenschap kan het verzuim niet intreden voordat de verdeling zijn beslag heeft gekregen. Daartoe dient eerst onderhavig vonnis te zijn gewezen (HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387). Daarbij komt dat de man ook geldvorderingen heeft op de vrouw. Het valt weliswaar niet uit te sluiten dat de vrouw per saldo meer te vorderen heeft van de man dan andersom, maar het had op de weg van de vrouw gelegen om dit voor te rekenen, hetgeen zij niet doet. Het is niet aan de rechtbank om deze rekensom - over een veelheid aan deelvorderingen - te maken. In zoverre is de vordering ook niet goed onderbouwd.

Om dezelfde redenen zal overigens ook de in reconventie gevorderde wettelijke rente worden afgewezen.

in reconventie

3.44.

De rechtbank neemt haar oordelen in conventie hier over.

3.45.

In conventie is al beslist op veel van de vorderingen van de man. Wat nog overblijft zijn de vorderingen d, j, n, o, p en q.

latente belastingschuld (vordering d man)

3.46.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen op de mondelinge behandeling van 12 oktober 2020 en is vastgelegd in het desbetreffende proces verbaal.

lening door de moeder van de man € 5.000,- (vordering j man)

3.47.

De man stelt:

‘In het verweerschrift van de man ten behoeve van de zitting Voorlopige voorzieningen op 14 maart 2016 heeft de man een geluidsopname van de man en de vrouw getoond:

Op 9 aug 2015,12.20 uur, de man: "Jij vond dat ik de 10000 euro die ik van mijn moeder in beheer had gewoon uit moest geven aan huishoudzaken, dat heb ik gedaan, wat als mijn moeder dat terugvraagt, hoe gaan we dat oplossen"

Op 9 aug 2015, de vrouw: "Als het zo is dat je moeder die 10000 euro terug wil, dan wil ik dat van haar zelf horen en dan zullen we op dat moment zien hoe we dat verrekenen....ogenblikje. Want we hebben inderdaad toen gezegd, je kwam iets te kort op de bedragen die ik maandelijks overmaak, ja nou goed, dat zien we dan wel"

Tijdens de zitting bevestigt de vrouw dat het om een lening/ in beheer geven gaat, en niet om een gift.

De man toont met betrekking tot de uitgaven in 2005 aan, dat de 10000 euro daadwerkelijk is uitgegeven aan huishoudelijke uitgaven, eventueel zijn de gedetailleerde bankafschriften beschikbaar.

De rechtbank heeft dit in de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 1 april 2016 overwogen, zie r.o. 3.13: "De rechtbank passeert de stelling van de vrouw dat de man dient in te teren op een schenking van zijn moeder van € 10.000,-, nu de man voldoende heeft aangetoond dat geen sprake is geweest van een schenking, doch dat dit bedrag in beheer is gegeven en in overleg met de vrouw is uitgegeven aan huishoudelijke uitgaven".’

3.48.

Standpunt vrouw: betwist wordt dat sprake is van een lening. Het gaat om een schenking. Indien het desbetreffende bedrag ‘in beheer’ zou zijn gegeven, dan had de man dit bedrag moeten reserveren.

3.49.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank neemt haar oordeel in conventie, dat sprake is van een lening en niet van een schenking, hier over. Uit de door de man geciteerde geluidsopname blijkt genoegzaam dat de vrouw zich realiseert dat het geld aan de moeder van de man toebehoorde maar dat partijen geld nodig hadden om schulden te voldoen, reden waarom partijen er onderling mee hebben ingestemd om dit geld op te maken. De vrouw legt niet uit waarom ze thans het standpunt inneemt dat het om een schenking gaat terwijl zij eerst heeft verklaard dat het om een lening ging, of althans: om geld dat niet van partijen was maar van de moeder van de man. Daarom komt haar huidige standpunt weinig gewicht toe. De man heeft een regresrecht voor zover hij meer dan zijn aandeel in deze schuld heeft voldaan. Zijn aandeel is de helft, nu gesteld noch gebleken is waarom afwijking van dit uitgangspunt in dit geval gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

Het verweer van de vrouw is niet, dat de man tot op heden niet meer dan zijn aandeel (€ 5.000) in de schuld heeft voldaan. Dienaangaande is er dus geen beletsel voor toewijzing.

Het verweer van de vrouw is, dat de man had moeten ‘reserveren’, maar dat verweer faalt. Het gaat hier, of er nu een plicht tot reserveren bestaat of niet, om een huwelijkse schuld, zodat de vrouw mede draagplichtig is.

De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling van € 5.000,- aan de man.

Mocht de moeder van de man de € 10.000,- tijdelijk geparkeerd hebben bij partijen (zodat het geen lening was maar beheer), dan wordt het oordeel niet anders. Als de moeder van de man geen toestemming had gegeven om het - te beheren - geld op te maken, is de vordering van de man des te meer toewijsbaar. De vrouw wordt alsdan ongerechtvaardigd verrijkt als zij niet zou hoeven meebetalen.

schade aan muur woning € 100,- (vordering n man)

3.50.

De rechtbank zal deze vordering toewijzen, nu de vrouw erkent dat zij dit bedrag aan de man verschuldigd is.

betaling afgesproken € 6.545,- (vordering o man)

voorwaardelijke vordering verrekening waarde inboedel die de vrouw na haar vertrek heeft gekocht (vordering p man)

3.51.

De man heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat deze vorderingen niet meer aan de orde zijn vanwege de tussen partijen gemaakte afspraken. De rechtbank begrijpt dat de man deze vorderingen intrekt.

compensatie proceskosten (vordering q man)

3.52.

De rechtbank zal, zoals de man vordert, bepalen dat ieder zijn/haar eigen proceskosten moet dragen (ex- echtelieden).

3.53.

Het vonnis in reconventie zal, zoals de man vordert, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank acht het belang van de man dat daarmee is gediend zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van de vrouw.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

4.1.

gelast partijen de woning en het botenhuis te verkopen aan een derde, gelast partijen om ieder de helft van de kosten van verkoop te dragen en bepaalt dat dit vonnis, zo de vrouw dit nodig acht, in de plaats treedt van alle rechtshandelingen die de man moet verrichten ter zake van deze verkoop en levering aan een derde,

4.2.

gelast de man tot het verlenen van medewerking aan alle feitelijke handelingen die nodig zijn om tot verkoop en levering van de woning aan een derde te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag, met een maximum van € 30.000,-,

4.3.

veroordeelt de man om de woning te verlaten en te ontruimen uiterlijk 12 maanden na betekening van onderhavig vonnis, dan wel zoveel later als de vrouw toestaat, en bepaalt dat de vrouw het recht heeft om alsdan de deurwaarder in te schakelen teneinde met behulp van de sterke arm van politie deze beslissing te effectueren,

4.4.

deelt van de overwaarde van de woning die resteert na verkoop daarvan en aflossing van de hypothecaire schuld, een helft aan ieder van partijen toe, met dien verstande dat uit de overwaarde van de woning eerst zoveel mogelijk voldaan moeten worden, de geldvorderingen die partijen over en weer op elkaar hebben uit hoofde van onderhavig vonnis,

4.5.

gelast de man om als enige de woonlasten te betalen en om de eventuele betalingsachterstanden in te lopen over de periode dat hij als enige in de woning heeft gewoond tot aan de periode dat hij uit hoofde van onderhavig vonnis de woning dient te verlaten, en bepaalt dat ieder van partijen over de periode daarna de helft van de woonlasten dient te dragen, als de woning dan nog niet is verkocht en geleverd,

4.6.

deelt de KEW-polis aan de man toe en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 33.675,86,

4.7.

veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van de navolgende goederen, voor zover de man deze goederen nog onder zich heeft :

a. de fotoalbums, door de vrouw ingepakt in verhuisdozen;

b. de film over India die door de vrouw is gemaakt, alsmede een filmcamera;

c. een aantal kampeergoederen, te weten, 3 campingstoelen, de helft van het campingservies;

d. de aqua glider;

e. een box Duplo-speelgoed;

en veroordeelt de man om de vrouw in de gelegenheid te stellen om, op verzoek van de vrouw, met een derde, op een met de man af te spreken middag, in de echtelijke woning en in de daarbij behorende garage en in het botenhuis op zoek te gaan naar bovengenoemde

zaken en deze mee te nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 1.000,-, dat de man, na betekening van onderhavig vonnis, niet (goed) meewerkt aan deze beslissing,

4.8.

rekent van de schuld zorgtoeslag aan ieder van partijen een helft toe en veroordeelt de man, voor zover hij dat nog niet heeft gedaan, tot betaling aan de belastingdienst van € 348,67,

4.9.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 871,- ter zake van de belastingteruggave IB 2015,

4.10.

deelt de zeilboot [naam boot] toe aan de vrouw en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 12.750,-,

4.11.

deelt de boottrailer toe aan de man en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 875,-,

4.12.

deelt de auto Ford Ka aan de vrouw toe en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 850,-,

4.13.

deelt de aandelen in de [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan de man toe tegen een waarde van € 0,-, en bepaalt dat de man hiervoor (dus) geen vergoeding verschuldigd is aan de vrouw,

4.14.

deelt de motorboot en de buitenboordmotor merk Honda toe aan de man en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 2.500,-,

4.15.

verklaart voor recht dat de elektromotor ten tijde van de omvangspeildatum geen onderdeel meer uitmaakte van de gemeenschap,

4.16.

deelt de oude motoren (exclusief Sachs motor, BMW motor en Harley Davidson) plus klusmaterialen en motoronderdelen in de onderste garage aan de man toe en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 4.062,50,

4.17.

deelt de Sachs motor aan de man toe en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 250,-,

4.18.

deelt de BMW motor aan de man toe en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 600,-,

4.19.

deelt de Harley Davidson aan de man toe en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 2.500,-,

4.20.

verstaat dat de vrouw haar vordering heeft ingetrokken ter zake van de verdeling van de banksaldi,

4.21.

gelast partijen om de ABN-effectenrekening op naam te stellen van de vrouw en gelast partijen om het eventuele saldo op deze rekening uit te keren aan dochter [naam 1] ,

4.22.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 1.800,- ter zake van haar kosten ligplaats zeilboot,

4.23.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 2.250,- ter zake van de door de man aan zoon [naam 2] verkochte Mercedes Transporter,

4.24.

gelast partijen, voor zover niet reeds geschied, tot nakoming van hun afspraak ter zake van de Aegon-polis [polisnummer] , welke afspraak inhoudt dat partijen eensluidend aan Aegon zullen meedelen dat Aegon het deel dat de vrouw toekomt na standaard verevening, rechtstreeks aan de vrouw uitkeert op het moment van de ingangsdatum en dat is op het moment dat de man 66 jaar + 10 maanden wordt,

4.25.

verstaat dat partijen het er over eens zijn dat de vorderingen o en p in reconventie niet meer aan de orde zijn, omdat partijen afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de saldi op de zitting van 12 oktober 2020 en dat om die reden ook de gespiegelde vermeerdering van eis van de vrouw niet meer aan de orde is,

4.26.

verstaat dat partijen het erover eens zijn dat, wat betreft vordering 2, vermeerdering eis in conventie, de vrouw al € 2.500,- heeft betaald aan de man als voorschot op een finale afrekening, en gelast partijen tot nakoming van de afspraak dat als, gelet op alle andere posten, de vrouw de man iets verschuldigd is zij op dat bedrag € 2.500,- in mindering mag brengen en dat als de man de vrouw iets verschuldigd is, hij dat moet vermeerderen met deze € 2.500,-,

4.27.

gelast partijen tot nakoming van hun afspraak over de belastingschuld in verband met de stamrecht B.V., welke afspraak inhoudt: de vrouw voldoet per jaar, nadat de man de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, de helft van ieder bedrag dat de man extra aan inkomstenbelasting moet betalen omdat hij zich, fictief, een uitkering vanuit de stamrecht B.V. geeft en daarover inkomstenbelasting verschuldigd is, en dit op de voorwaarde dat de man ieder jaar met verificatoire bescheiden aantoont dat hij dat extra inkomen daadwerkelijk heeft opgegeven bij zijn belastingaangifte en dat hij die belasting ook daadwerkelijk heeft betaald, en bepaalt dat de man zich per jaar fictief slechts het minimale bedrag mag laten uitkeren dat fiscaal mogelijk is,

4.28.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 5.000,- ter zake van het bedrag dat de moeder van de man aan partijen heeft geleend dan wel aan hen in beheer gegeven,

4.29.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 100,- ter zake van de schade aan de muur,

4.30.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

4.31.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

4.32.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 11 november 2020.

[2517/638]